Aantal opdrachtgevers niet bepalend of ZZP-tandarts ondernemer is

13-11-2017

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 oktober jl. in hoger beroep geoordeeld dat een ZZP-tandarts die gedurende meerdere jaren achtereen werkzaam was voor slechts één opdrachtgever, die geen investeringen had gedaan in de onderneming en geen enkel noemenswaardig ondernemersrisico liep, niet kan worden beschouwd als ondernemer in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. Hoewel op basis van deze uitspraak in de media de indruk lijkt te ontstaan dat een ZZP-tandarts met één opdrachtgever geen ondernemer kan zijn, is het van belang in ogenschouw te nemen dat het oordeel van het Gerechtshof een stuk genuanceerder is.

 

Zo schetst het Gerechtshof duidelijk dat het aantal opdrachtgevers een factor is die van belang is, maar dat het toetsingskader ruimer is:

“Voor het zijn van ondernemer in de zin van de Wet IB 2001 is vereist dat belanghebbende (i) voldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van haar opdrachtgever(s), (ii) niet slechts incidenteel opdrachten aanvaardt maar streeft naar continuïteit van haar werkzaamheden door het verkrijgen van verschillende opdrachten en (iii) ondernemersrisico loopt (vgl. HR 20 december 2000, nr. 35941, ECLI:NL:HR:2000:AA9094 en HR 29 mei 2009, nr. 07/10538, ECLI:NL:HR:2009:BH0499). Deze vereisten dienen in onderlinge samenhang te worden bezien (vgl. HR 11 juli 2003, nr. 37619, ECLI:NL:HR:2003:AH9774)”

 

Het Gerechtshof concludeert dat de zelfstandigheid van de ZZP-tandarts gezien de lange duur van de opdrachtrelatie (de ZZP-tandarts was op 1-1-2007 gestart met zijn/haar onderneming en had uitsluitend voor dezelfde tandartspraktijk gewerkt) en gelet op het feit dat vakantie zoveel mogelijk na voorafgaand overleg met de praktijkhouders diende te opgenomen, discutabel. Ook constateert het Gerechtshof dat de ZZP-tandarts in dit geval geen aantoonbare ondernemersrisico’s liep. De ZZP-tandarts deed geen investeringen, was niet betrokken bij praktijkaangelegenheden, zoals personeelsbeleid en planning en liep geen aantoonbaar debiteurenrisico. Zo was in de overeenkomst van opdracht bijvoorbeeld niet opgenomen dat een percentage van de omzet werd ingehouden ter dekking van het debiteurenrisico en evenmin vond achteraf een verrekening plaats van onbetaalde facturen. De ZZP-tandarts ontving een vast percentage van het gedeclareerde bruto-honorarium minus techniekkosten en de oninbaarheid van de omzet kwam contractueel geheel voor rekening van de opdrachtgever. Alles overwegende bevestigt het gerechtshof het oordeel van de rechtbank dat de ZZP-tandarts over de jaren 2011, 2012 en 2013 geen ondernemer is in de zin van de Wet IB 2001 en derhalve over die jaren geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

 

Of een ZZP-tandarts die langdurig werkt voor een opdrachtgever ondernemer is in de zin van de Wet IB of niet, moet van geval tot geval worden bekeken. De overeenkomst van opdracht die opdrachtgever en de ZZP-tandarts hebben gesloten, speelt bij de beoordeling een zeer belangrijke rol. In de huidige modelovereenkomsten voor praktijkmedewerking die via de website van de belastingdienst zijn te downloaden zitten de elementen zelfstandigheid en ondernemersrisico in veel ruimere mate ingebakken dan in de overeenkomst van opdracht die in deze zaak gold tussen opdrachtgever en de ZZP-tandarts. Zo blijkt o.a. uit de artikelen 1.1 t/m 1.5 en 3.1 van de modelovereenkomst praktijkmedewerking een duidelijke zelfstandigheid ten opzichte van de opdrachtgever. Ook is evident sprake van ondernemersrisico’s als beroepsaansprakelijkheid (artikel 8.1) en een debiteurenrisico (artikel 5). 

 

Voor de uitspraak het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, klik hier.

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868