Advies Raad van State wetsvoorstel verlaging bezoldigingsmaximum topinkomens

03-07-2014

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel dat het wettelijke bezoldigingsmaximum verlaagt van de bezoldiging van topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector. Het wetsvoorstel is op 1 juli 2014 bij de Tweede Kamer ingediend. Daarmee is ook het advies van de Raad van State openbaar geworden.

 

Inhoud wetsvoorstel

Het wetsvoorstel verlaagt met ongeveer 25% de maximumnorm die geldt voor de bezoldiging van de functionarissen die onder de reikwijdte vallen van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT). Hiermee wil de regering bereiken dat de bezoldiging van deze topfunctionarissen over de gehele linie naar een maatschappelijk meer aanvaardbaar, evenwichtiger en meer verantwoord niveau wordt gebracht. Ook wil zij met het wetsvoorstel onwenselijke salarisontwikkelingen uit het verleden corrigeren. Verder verhoogt het wetsvoorstel de bezoldigingsnorm voor interne toezichthouders.

 

Rechtvaardiging voorgestelde verlaging?

De Afdeling advisering merkt op dat in het wetsvoorstel geen rechtvaardiging wordt geboden voor de forse aanpassing van de recentelijk in werking getreden normen van de WNT, anders dan dat ministers afzien van de voorziene verhoging van hun bezoldiging. Daarmee neemt de regering zonder nader onderzoek en motivering, een jaar na het in werking treden van de WNT, al weer afstand van de normen die daarin waren vastgesteld. De verlaging van het bezoldigingsmaximum zoals nu wordt voorgesteld, met een motivering zoals die nu wordt gegeven, werd indertijd bij de behandeling van de WNT uitdrukkelijk bij amendement voorgesteld en verworpen. De regering stelt in wezen voor om de afwijking van de norm, die indertijd vanwege de financiële crisis noodzakelijk werd geacht, tot norm te verheffen met als voornaamste argument dat de ministers definitief hebben afgezien van een verhoging. De Afdeling advisering is van oordeel dat consistente en houdbare wetgeving niet kan inhouden dat een bezoldigingsnorm die na jaren van discussie is ingevoerd als noodzakelijke maatregel om recht te doen aan de opgelopen achterstand in salarissen, een jaar later met een kwart wordt verlaagd met de stelling dat deze zo maatschappelijk meer aanvaardbaar, evenwichtiger en verantwoord wordt, zonder dat daar enig nader onderzoek of toelichting voor wordt gegeven.

 

Eigendom

In dit verband merkt de Afdeling advisering nog op dat de wettelijke vaststelling van bezoldigingsnormen een inmenging is in het ongestoord genot van eigendom zoals dat wordt beschermd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit geldt te meer waar het bereik van de WNT niet alleen de publieke sector omvat, maar ook semipublieke sectoren. Een toereikende motivering van de noodzaak van een dergelijke maatregel is een voorwaarde voor de verenigbaarheid daarvan met het EVRM. Dit geldt des te meer indien, zoals wordt voorgesteld, al na een jaar de motivering waarop de WNT berust, wordt losgelaten en de bezoldigingsnorm met een kwart wordt verlaagd. De Afdeling adviseert de voorgestelde aanscherping in het licht van het voorgaande nader te bezien.

 

Gevolgen verlaging voor de arbeidsmarktpositie

Ook is onduidelijk waarom niet gevreesd hoeft te worden voor de arbeidsmarktpositie van de publieke en semipublieke sector. De Afdeling advisering mist een nadere onderbouwing in de toelichting waarom niet langer gevreesd hoeft te worden dat bij de overheid onvoldoende deskundige en gekwalificeerde functionarissen kunnen worden geworven. Daarbij moeten ook de effecten van de zogenoemde nullijn die de afgelopen jaren in de publieke sector is volgehouden in ogenschouw te worden genomen. Verder acht de Afdeling advisering voorzichtigheid geboden bij het onverhoeds doorvoeren van nog verdere aanscherpingen van de normstelling in de WNT, zonder acht te slaan op de evaluatie van de huidige normen die is overeengekomen. Het ligt dan ook niet in de rede tot dergelijke stappen over te gaan vóórdat de bestaande wetgeving tot volle werking is gekomen en de effecten daarvan zichtbaar zijn geworden. Dat stadium is met de huidige WNT nog niet bereikt. Met aanscherping van de normstelling in dit stadium bestaat het risico op onvoorziene en/of ongewenste (neven)effecten, en mogelijk nadelige gevolgen voor het functioneren van de desbetreffende organisaties, die weer nieuwe maatregelen noodzakelijk maken.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Raad van State en het nader rapport van de minister.

 

Bron: Raad van State (www.raadvanstate.nl)

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862