Adviesrecht ondernemingsraad bij intentieverklaring tot samenwerking/fusie

25-05-2011

In de praktijk wordt veelal gedacht dat een intentieverklaring geheel vrijblijvend is en nog niet tot afdwingbare verplichtingen leidt. Het tegendeel is veeleer het geval, zij het dat de mate van gebondenheid van partijen om tot een definitieve samenwerking of zelfs fusie over te gaan sterk kan verschillen.

 

Onlangs is een geschil aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam voorgelegd, waarin de strekking van de intentieverklaring van belang was.

 

De intentieverklaring wordt vaak gebruikt als men in beginsel overeenstemming heeft bereikt om met elkaar door te gaan. Voor de definitieve overeenkomst zullen dan nog de nodige voorbereidingen moeten worden getroffen, zoals een due diligence, instemming van bepaalde stakeholders (waaronder soms een ondernemingsraad) en sommige zaken waarover nog definitieve overeenstemming moet worden bereikt. Veelal wordt een bepaald tijdpad afgesproken, waarbinnen de voorbereidingen moeten zijn afgerond, een en ander onder bepaalde condities (zoals een geheimhoudingsbeding, exclusiviteitsbeding e.d.).

 

Het geheel van afspraken in zo’n intentieverklaring, kan in sommige gevallen zeer verstrekkend zijn, zoals ook het geval was met de eerder dit jaar voorgelegde zaak van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) en de Chronisch Zieken en Gehandicaptenraad Nederland (CG-Raad). Deze partijen wensten hun reeds bestaande samenwerking te intensiveren en overwogen een fusie aan te gaan. De intentie tot fusie legden zij vast in de intentieverklaring. De ondernemingsraad van NPCF liet weten, dat men het recht heeft daarover te adviseren conform artikel 25 lid 1 van de Wet op de Ondernemingsraden. NPCF ondertekende evenwel de intentieverklaring met de CG-Raad zonder voorafgaand advies van de ondernemingsraad. 
In deze intentieverklaring stond niet alleen de definitieve datum van de fusie vast maar ook werden allerlei concrete afspraken gemaakt over een één jaar durende samenwerkingsperiode, zoals de begroting, de belangenbehartiging van de doelgroepen, de beleidsontwikkeling en zelfs de instelling van een gezamenlijke ondernemingsraad. Weliswaar is de intentieverklaring opzegbaar, er wordt dan wel volgens een overeengekomen clausule een boete geheven. 
 

De ondernemingsraad van NPCF maakte bezwaar tegen het passeren van het adviesrecht en startte uiteindelijk een procedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. 

De Ondernemingskamer oordeelt dat de intentieverklaring adviesplichtig is, omdat de samenwerking tussen partijen zich uitstrekt over meerdere terreinen van de organisatie, de samenwerking duurzaam is voor in elk geval één jaar en de bepalingen van de intentieverklaring bindend zijn door onder meer het boetebeding. In het kader van de beoogde fusie staan beide partijen niet meer geheel vrijblijvend tegenover elkaar, waardoor het adviesrecht van de ondernemingsraad straks niet meer van wezenlijke invloed zou zijn op de fusie. 
RPCF wordt verplicht het besluit tot het aangaan van de intentieverklaring in te trekken en alle gevolgen daarvan ongedaan te maken. 

 

Beschikking d.d. 20 januari 2011 Ondernemingskamer Gerechtshof Amsterdam (LJN: BP3004)
 

 

Mr. Mascha Bots

mef.bots@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 816