Geen analoge toepassing Hangmatarrest voor aansprakelijkheid dieren

12-03-2015

De Rechtbank Den Haag wees op 4 maart jl. een interessante uitspraak over de aansprakelijkheid van de medebezitter van een dier op grond van 6:179 BW.

 

Een vrouw wordt in de tuin in haar rechter onderarm en rechterborst gebeten door haar hond en stelt haar echtgenoot als medebezitter van de hond aansprakelijk. De echtgenoten zijn verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid.

 

In de procedure vordert de vrouw een verklaring voor recht dat haar man als medebezitter op grond van 6:179 BW aansprakelijk is voor 50% van de schade als gevolg van het ongeval. Zij beroept zich hierbij op de analoge toepassing van het Hangmatarrest (NJ 2011, 465), dat zag op de aansprakelijkheid van de medebezitter van een gebrekkige opstal (6:174 BW).

 

De Rechtbank Den Haag komt (onder meer) tot het volgende oordeel.

 

Hoewel artikel 6:174 BW en artikel 6:179 BW beiden risicoaansprakelijkheid betreffen en tegelijkertijd in dezelfde titel van de wet zijn opgenomen, is de onderliggende grondslag van de beide aansprakelijkheden - anders dan [Eiseres] heeft betoogd - in de kern niet gelijk. De grondslag van de aansprakelijkheid voor opstallen is met name gelegen in de moeilijkheid dan wel onmogelijkheid voor een gelaedeerde precies te achterhalen wie verantwoordelijk is voor de gebrekkige toestand van de opstal: als gevolg van de lange levensduur van dergelijke opstallen valt voor de gelaedeerde niet meer na te gaan aan wie een bouw- of onderhoudsfout is toe rekenen. Daarom is de bezitter van een opstal in beginsel aansprakelijk, ook indien hem geen verwijt kan worden gemaakt. De risicoaansprakelijkheid voor een dier is daarentegen niet terug te voeren op een (eerdere) menselijke fout, maar is gegrond op de eigen energie van het dier. Daarmee bestaat een naar het oordeel van de rechtbank essentieel verschil tussen beide artikelen.  Dit verschil zit hem met name in het feit dat de eigen energie van een dier, anders dan een opstal, per definitie een potentieel en niet door mensen te voorkomen risico van schade met zich brengt. In geval van verwezenlijking van dat risico is de bezitter van het dier jegens derden aansprakelijk, hetgeen mede verband houdt met het feit dat hij als bezitter ook het ’ profijt’ van het bezit van het dier geniet. De bezitter van het dier wordt geacht door het bezit het risico op schade impliciet te hebben aanvaard.

 

De rechtbank wijst derhalve de vordering af.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862