Arts krijgt inschrijving BIG-register terug

17-09-2014

In hoger beroep heeft de Raad van State op 17 september 2014 geoordeeld (ECLI:NL:RVS:2014:3414) dat de minister de inschrijving van een arts in het BIG-register ten onrechte had doorgehaald.

 

Aan de doorhaling van de inschrijving van de arts in het BIG-register had de minister ten grondslag gelegd dat de bevoegdheid van de arts om in het Verenigd Koninkrijk zijn beroep als arts uit te oefenen blijvend geheel was beperkt door een maatregel van de General Medical Council (hierna: de GMC) en dat zij door de GMC op de hoogte was gesteld van deze doorhaling.

 

Aan de doorhaling in het Verenigd Koninkrijk had de GMC ten grondslag gelegd dat:

  • de arts in de periode augustus 2004 - augustus 2006 bij patiënten stamceltherapie heeft toegepast, hetgeen in het Verenigd Koninkrijk niet was toegestaan;
  • de arts volgens de GMC het belang van zijn patiënten had geschaad, misbruik had gemaakt van zijn positie als arts, kwetsbare patiënten had uitgebuit en patiënten misleidende informatie en hoop op herstel had gegeven, onder meer door hen voor te houden dat het ondergaan van stamceltherapie of een zogenoemde Aqua Tilis-therapie hen zou genezen van multiple sclerose en de ziekte van Hodgkin, terwijl daar geen wetenschappelijke of medisch klinische aanwijzingen voor zijn;
  • de arts het aanzien van het beroep als arts heeft geschaad en immoreel heeft gehandeld door een parkeergarage te verlaten zonder te betalen en dat hij de waarschuwing en boete die hij hiervoor heeft gekregen, in strijd met de richtlijnen van de GMC, niet aan de GMC heeft gemeld.

 

De minister oordeelde dat, nu deze doorhaling in het Verenigd Koninkrijk het gevolg is van een aldaar afgegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, zij op de voet van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG is verplicht de inschrijving van de arts ook in Nederland door te halen, aldus het besluit van de minister. Voorts is in het besluit uiteengezet dat de wetgever er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de buitenlandse maatregel in beginsel dient te worden overgenomen en dat die overname niet vooraf mag worden gegaan door een heroverweging van die maatregelen, omdat de wetgever wil voorkomen dat de minister ‘op de stoel van de rechter’ gaat zitten. Gelet hierop zal slechts in uitzonderingsgevallen worden overgegaan tot een afwijking of buiten toepassing laten van het beginsel van automatische overname, als bedoeld in artikel 7a van de Wet BIG (hardheidsclausule), namelijk indien de veiligheid van de patiënt hierdoor niet in het geding komt. Een dergelijk uitzonderingsgeval is hier, gelet op het oordeel van de GMC, niet aan de orde, aldus de minister.

 

Volgens de Raad van State had de minister echter niet in redelijkheid tot doorhaling van de inschrijving van de arts in het BIG-register mogen overgaan. Naar het oordeel van de Raad van State heeft de rechtbank in eerste aanleg niet onderkend dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de hardheidsclausule (artikel 7a Wet BIG)  toe te passen. In dit kader heeft de Raad van State van belang gevonden dat:

  • de mogelijkheid van automatische overname van een doorhaling in het buitenland, als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG, nog niet bestond ten tijde van de uitspraak van de GMC in oktober 2010, zodat de arts toen geen rekening behoefde te houden met de mogelijkheid dat zijn inschrijving in het BIG-register als gevolg van die uitspraak ook in Nederland zou worden doorgehaald;
  • de doorhaling van de inschrijving van de arts in het Verenigd Koninkrijk, behalve op een verkeersboete, is gebaseerd op handelingen die in Nederland niet zouden hebben geleid tot een gehele of gedeeltelijke doorhaling, omdat de behandelingen in het kader van de stamcel- en Aqua Tilis-therapieën in Nederland hebben plaatsgevonden en hier waren toegestaan;
  • de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de doorhaling van de inschrijving van de arts noodzakelijk is voor de patiëntveiligheid in Nederland. De arts heeft in de periode tussen de uitspraak van de GMC van 28 oktober 2010 en de doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register in Nederland op 28 maart 2013 in Nederland gepraktiseerd. In deze periode zijn geen - tuchtrechtelijke - klachten tegen hem gebleken noch andere aanwijzingen dat hij de patiëntveiligheid in gevaar heeft gebracht. Voorts heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg, naar ter zitting is gebleken, de Nederlandse kliniek van de arts onderzocht en geoordeeld dat niet in strijd met de regels werd gehandeld. Nu de doorhaling van de inschrijving van de arts in het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden naar aanleiding van handelingen die in Nederland waren toegestaan, is voor het standpunt dat de arts de patiëntveiligheid in gevaar brengt onvoldoende grond.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. Ernst de Jong

ejc.dejong@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 818