Beroep Thuiszorginstellingen tegen boetes NMa slaagt

16-04-2012

De Rechtbank Rotterdam heeft op 12 april jl. de besluiten van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (Nma) waarbij aan een vijftal thuiszorginstellingen in de regio Kennemerland boetes waren opgelegd varierend van € 601.000,00 tot € 4.003.000,00 wegens wegens overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet (Mw), vernietigd. Volgens de Rechtbank Rotterdam heeft de NMa haar besluiten, door niet in te gaan op de specifieke marktomstandigheden bij thuiszorginstellingen, onvoldoende gemotiveerd.

 

De NMa had in het primaire besluit d.d. 19 september 2008 vastgesteld dat de betrokken thuiszorginstellingen door afspraken, neergelegd in het Convenant van 20 januari 2005 en een Overeenkomst tot koop, verkoop en overdracht van zekere activa van 30 juni 2006 (hierna: de Overeenkomst), zouden zijn overeengekomen om een gebiedsverdeling tot stand te brengen en te houden. Daarbij zouden de betrokken ondernemingen hebben afgesproken niet met elkaar te concurreren, hetgeen een overtreding van het kartelverbod zou zijn.

De thuiszorginstellingen hebben bezwaar tegen de het besluit en de opgelegde boetes gemaakt. De bezwaaradviescommissie heeft de NMa geadviseerd om een aanvullend economisch onderzoek te doen, maar dat advies heeft de NMa niet gevolgd. De NMa was van oordeel dat een algemeen onderzoek van het Erasmus Competition and Regulation institute (ECRi), neergelegd in het rapport “Concurrentie in de thuiszorg, een analyse van de juridische en economische context” van november 2007 voldoende heeft aangetoond dat sprake was van een geheel van overeenkomsten die op grond van hun inhoud en gezien in de context waarin zij tot stand gekomen waren, geschikt waren om de daadwerkelijke mededinging te beperken.

 

De Rechtbank Rotterdam oordeelt bij de behandeling van het door de thuiszorginstellingen ingestelde beroep dat het ECRi-rapport, waar de NMa zijn standpunt mede op baseert, niet is toegespitst op de situatie in de regio Kennemerland. Voorts heeft de NMa niet een gedegen onderzoek verricht naar de rol van het zorgkantoor, terwijl het ECRi-rapport juist wijst op de rol van het zorgkantoor in relatie tot de mogelijkheden tot concurrentie. Omdat de NMa bij een besluit over een voorgenomen fusie in het Gooi ten aanzien van de relevante geografische markt voor extramurale AWBZ-zorg zelf had overwogen dat “is gebleken dat er drempels bestaan voor spelers om vanuit het eigen werkgebied actief te worden in het werkgebied van een andere gevestigde speler” en de “aard en omvang van deze toetredingsdrempels in de werkgebieden van gevestigde partijen per regio kunnen verschillen dus in elke zaak specifiek dienen te worden onderzocht” oordeelt de rechtbank dat nader onderzoek was aangewezen. De specifieke marktomstandigheden (zoals de garantiebudgetten in 2006 en 2007, de niet-betwiste aanmerkelijke wachtlijsten, de rol van het zorgkantoor etc.) maken, dat er sterke aanwijzingen zijn dat tussen de thuiszorginstellingen, die elk hun werkgebied aan een andere zijde van het Noordzeekanaal hadden, geen concurrentie op de door de NMa vastgestelde markt aan de orde was. Nu niet vast is komen te staan dat sprake is geweest van mededinging tussen de thuiszorginstellingen, kan evenmin worden vastgesteld dat sprake is geweest van een overtreding van het kartelverbod.

 

De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de NMa op om binnen 12 weken na onherroepelijk worden van de uitspraak nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen. De NMa kan tegen de uitspraken nog in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

 

Kortom, voor de thuiszorginstellingen is voorlopig nog onzeker of de eerder opgelegde boetes definitief van tafel zijn.

Klik hier voor de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (LJN: BW1327 en LJN:BW1335).

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868