CBb: apotheek in Breskens heeft aanmerkelijke marktmacht

12-06-2012

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) heeft zich op 7 juni jl. uitgelaten over de vraag of een apotheker in Breskens (Zeeuws-Vlaanderen) aanmerkelijke marktmacht heeft. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) had eerder besloten dat sprake was van aanmerkelijke marktmacht en de apotheker overeenkomstig artikel 48 en 49 Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) een maatregel opgelegd die hem verplichtte overeenkomsten met zorgverzekeraars te sluiten.

 

Door zorgverzekeraars kan, op grond van artikel 2.8, eerste lid, Besluit zorgverzekering, in de polisvoorwaarden worden bepaald dat de verzekerde slechts het geneesmiddel vergoed krijgt dat door de zorgverzekeraar is aangewezen.
Diverse zorgverzekeraars hebben met gebruikmaking van deze aanwijzingsmogelijkheid een beleid ontwikkeld (preferentiebeleid), waarmee zij de kosten die gepaard gaan met het verstrekken van geneesmiddelen drukken. Dit beleid stimuleert fabrikanten van deze geneesmiddelen via de afleverprijs te concurreren (prijsconcurrentie) in plaats van via marges die aan de apotheker worden verstrekt (margeconcurrentie).
Het sluitstuk van het preferentiebeleid zijn de overeenkomsten tussen zorgverzekeraar en apotheker. In deze veelal standaard overeenkomsten wordt de door de apotheker te leveren zorg omschreven, het tarief voor de zorgverlening bepaald en de betalingsafspraken worden vastgelegd.

 

De apotheker in kwestie weigerde om met bepaalde zorgverzekeraars, waaronder Menzis, overeenkomsten te sluiten. Het preferentiebeleid van deze verzekeraars werd hierdoor bij de verstrekking van geneesmiddelen niet gevolgd.

Bij brief van 31 juli 2009 heeft verzekeraar Menzis de NZa verzocht om maatregelen te treffen op grond van de artikelen 48 en 49 Wmg. Deze artikelen geven de NZa de mogelijkheid om in te grijpen indien een zorgaanbieder over aanmerkelijke marktmacht beschikt. Onder aanmerkelijke marktmacht wordt verstaan de positie van een of meer zorgaanbieders of ziektekostenverzekeraars om alleen dan wel gezamenlijk de ontwikkeling van daadwerkelijke concurrentie op de Nederlandse markt of een deel daarvan te kunnen belemmeren door de mogelijkheid zich in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen van:
a. zijn concurrenten;
b. ziektekostenverzekeraars, indien het een zorgaanbieder betreft;
c. zorgaanbieders, indien het een ziektekostenverzekeraar betreft, of
d. consumenten.
 

Naar aanleiding van het verzoek van Menzis heeft de NZA eerst overeenkomstig artikel 49 Wmg een spoedmaatregel getroffen, inhoudende de verplichting om onder redelijke voorwaarden te voldoen aan elk redelijk verzoek van een zorgverzekeraar tot het aangaan van een overeenkomst. Vervolgens heeft de NZa nader onderzoek verricht en hebben de betrokken partijen een zienswijze kunnen indienen. Bij besluit van 22 februari 2011 heeft de NZa met toepassing van artikel 48, eerste lid, onder e, Wmg, aan de apotheker voor de duur van 3 jaar de verplichting opgelegd te voldoen aan elk redelijk verzoek van zorgverzekeraars tot het aangaan van een overeenkomst.

 

De apotheker heeft beroep tegen beide besluiten ingesteld bij het CBb. In de procedure stond o.a. de vraag centraal of sprake was van aanmerkelijke marktmacht.
 

Het CBb verwerpt de bezwaren van de apotheker en volgt de NZa bij de vaststelling van de productmarkt (de markt voor de levering van receptgeneesmiddelen en UA-middelen) en de geografische markt (een straal van circa 8 km rond de apotheek). Op deze relevante markt heeft de apotheek volgens het CBb een marktaandeel van 80% tot 90%, waarbij bovendien weinig concurrentiedruk bestaat van andere aanbieders of mogelijke nieuwe toetreders. Dat rechtvaardigt reeds een vermoeden van aanmerkelijke marktmacht.

 

Uit het feit dat de apotheker in staat is geen contracten aan te gaan met de zorgverzekeraars, hij feitelijk in staat was om hogere tarieven te vragen voor medicijnen dan de verzekerden volgens het preferentiebeleid van hun verzekeraar vergoed kregen, zonder dat deze patienten naar een concurrerende apotheek konden overstappen, blijkt naar het oordeel van het CBb dat de NZa terecht heeft vastgesteld dat sprake is van aanmerkelijke marktmacht. De NZa was op grond van artikel 48 Wmg bevoegd tot oplegging van de maatregel over te gaan.

 

Klik hier voor de beslissing van het CBb. 

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868