Concurrentie in dezelfde straat door ex-huurder niet onrechtmatig

10-09-2014

Het Hof ‘s-Hertogenbosch heeft op 19 augustus 2014 (publicatiedatum 21 augustus 2014; ECLI:NL:GHSHE:2014:2832) geoordeeld over de vordering van een verhuurder in kort geding dat de huurder zich na het einde van de huur zal onthouden van het vestigen van een concurrerende onderneming in de buurt. Sinds 1976 exploiteerde verhuurder een schoenmakerij. In 2004 heeft de verhuurder zijn schoenmakerij (inclusief goodwill en bedrijfsruimte) aan de huurder verhuurd tot eind augustus 2014. Eind 2013 heeft de huurder de huur opgezegd en in februari 2014 laten weten dat hij voornemens is om in augustus/september 2014 een eigen schoenmakerij in dezelfde straat te starten. De verhuurder wilde dat voorkomen voor in ieder geval een substantiĆ«le periode na het einde van de huurperiode.

 

Zowel de kantonrechter als het hof hebben de vordering van de verhuurder afgewezen. In dit verband is primair van belang dat verhuurder en huurder geen non-concurrentiebeding en/of relatiebeding zijn overeengekomen. Mitsdien staat het de huurder in beginsel vrij om na het einde van de huurovereenkomst een soortgelijke onderneming te beginnen en zijn voormalige verhuurder concurrentie aan te doen. In beginsel, want de concurrentie door de huurder kan niettemin onrechtmatig zijn. Daarvoor dient sprake te zijn van bijkomende omstandigheden, bijvoorbeeld het afhandig maken van personeel en/of klanten, het doen van voordelige aanbiedingen, het doen van ongunstige, onjuiste schadelijke of denigrerende mededelingen over de andere onderneming of het creëren van verwarring.

 

Bijkomende omstandigheden als voornoemd werden in deze zaak niet aanwezig geacht. De stelling van de verhuurder dat de onrechtmatigheid van het handelen van de huurder reeds zou zijn gelegen in het zich vestigen in dezelfde straat met geen ander oogmerk dan het ten gronde richten van de onderneming van verhuurder, werd door het hof niet als gegrond geoordeeld. Dit was niet c.q. onvoldoende aangetoond. Daarbij komt dat, voor zover klanten van verhuurder naar huurder zullen overstappen, dit volgens het hof redelijkerwijs moet worden toegerekend aan de persoonlijk door huurder opgebouwde goodwill die geen, of slechts een beperkte relatie zal hebben met de goodwill die 10 jaar geleden (bij het begin van de huurovereenkomst) verbonden was aan de onderneming van verhuurder en door hem aan huurder is verhuurd.

 

Het hof onderschrijft de stelling dat de vestiging van een concurrent in de nabije omgeving van invloed zal zijn op de verhuurbaarheid en de waarde van de onderneming, maar volgens het hof is dit nu eenmaal inherent aan concurrentie. Daardoor geleden of te lijden financieel nadeel maakt die concurrentie niet onrechtmatig.

 

Het hof gaat voorbij aan de stelling dat het bedrijfsdebiet van de onderneming van verhuurder teloor zou gaan. Verhuurder zal de schoenmakerij namelijk zelf voortzetten en op die manier klanten aan zich weten te binden.

 

Ook de overige aangevoerde bijkomende omstandigheden maken volgens het hof niet dat sprake is van onrechtmatige concurrentie.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868