Curator vordert medewerking verhuurder aan indeplaatsstelling doorstarter

04-03-2013

De curator van een gefailleerde winkelketen vordert van verhuurder van één specifieke winkelruimte medewerking aan een indeplaatsstelling zodat de koper van een groot deel van de winkels van failliet ook deze winkelruimte kan gebruiken. De vordering wordt afgewezen omdat de curator een onvoldoende zwaarwichtig belang heeft bij de overdracht van de in deze winkelruimte gedreven onderneming.

 

De vordering van de curator is gebaseerd op artikel 7:307 BW. Volgens dit artikel kan de huurder vorderen dat hij gemachtigd wordt om een derde partij als huurder in zijn plaats te stellen, indien overdracht door de huurder aan die derde van het in het gehuurde door de huurder zelf of een ander uitgeoefende bedrijf gewenst wordt.

 

De curator heeft samengevat de volgende belangen aangevoerd:
a. de continuïteit van de winkel kan worden gewaarborgd;
b. de overdracht genereert aanzienlijke baten voor de boedel;
c. met de overdracht kunnen in concernverband meer winkels worden gehandhaafd;
d. verlies van investeringen en goodwill wordt voorkomen;
e. werkgelegenheid blijft bewaard.

 

Volgens de voorzieningenrechter bestaat het belang sub b niet (meer) en heeft ook het niet honoreren van de belangen sub a en d geen negatieve gevolgen voor de boedel. Daarvoor acht de voorzieningenrechter van belang dat met de verhuurders van de overige in totaal 60 winkelpanden overeenstemming is bereikt en dat recent door middel van een kort geding een indeplaatsstelling ten aanzien van één verhuurder met succes is afgedwongen. Indien de onderhavige winkel niet wordt doorgestart, heeft dat geen negatieve consequenties voor de doorstart van de overige 59 winkels.

 

Met betrekking tot sub c oordeelt de rechter dat dat een belang is van de doorstartende partij en niet (meer) van de curator. Om die reden dient dit belang buiten beschouwing te blijven.

 

Belang sub e is volgens de voorzieningenrechter een belang dat de curator zich mag aantrekken (HR 24 februari 1995, LJN ZC1643) en zich daadwerkelijk heeft aangetrokken, en dat bij de beoordeling dient te worden betrokken waartoe artikel 7:307 lid 2 BW de rechter noopt. Afwijzing van de vordering van tot indeplaatstelling zal betekenen dat de winkel alsnog wordt gesloten en dat het in die winkel werkzame personeel, in totaal vijf personeelsleden, op straat komt te staan.

 

Toch acht de voorzieningenrechter het werkgelegenheidsbelang in dit geval niet zwaarwegend en wel om de volgende redenen:
a.
de curator heeft niets gesteld omtrent de aard en de duur van de vijf dienstverbanden (zoals: hoe lang zijn de werknemers in dienst, voor onbepaalde of bepaalde tijd, wat is de leeftijd van de werknemers en hoe is hun positie op de arbeidsmarkt). Bij gebreke van informatie op dit onderdeel kan de impact van de vijf ontslagen moeilijk worden bepaald, al dient zonder meer te worden aangenomen dat het, zeker in deze tijd, onaantrekkelijk is werkloos te worden;
b.
het behoud van werkgelegenheid betreft weliswaar vijf personeelsleden, maar op het totaal van de 247 arbeidsplaatsen die ten gevolge van de doorstart behouden blijven, levert het geen substantieel verlies aan arbeidsplaatsen op;
c.
gesteld noch gebleken is dat indien de vijf werknemers niet bij de doorstartende partij in dienst treden een financieel nadeel voor de boedel ontstaat. De kantonrechter heeft begrepen dat de exploitatie van de winkel voor rekening en risico van de doorstartende partij plaatsvindt en dat de loonkosten aan de curator wordt vergoed

 

Uit het vorenstaande volgt per saldo, dat het bestaan van een zwaarwichtig belang niet aannemelijk is gemaakt, zodat evenmin aannemelijk is dat de gevorderde indeplaatstelling te zijner tijd zal worden toegewezen. De overige voorwaarden die artikel 7:307 BW aan een inde-plaatsstelling stelt, behoeven bij deze stand van zaken geen aandacht.
 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845