De beoordeling van een stuitingsmededeling

02-10-2015

Wanneer een vordering is verjaard, kan deze niet meer te gelde worden gemaakt. De vraag of de verjaring tijdig is gestuit, is dan ook een belangrijke vraag.

 

De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren (HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0418).

 

In zijn arrest van 18 september 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of een stuitingsmededeling aan de vereisten (van artikel 3:317 lid 1 BW) voldoet niet alleen moet worden gelet op de formulering, maar ook op de context waarin de mededeling is gedaan en op de overige omstandigheden van het geval. Voorts heeft de Hoge Raad opgemerkt dat in het algemeen ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, medebepalend kunnen zijn voor de uitleg daarvan. Er is geen aanleiding hierover anders te oordelen bij de beantwoording van de vraag of een mededeling als bedoeld in art. 3:317 BW, stuitende werking heeft.

 

Aldus geeft de Hoge Raad wat meer, althans nog eens, duidelijkheid over de aspecten die relevant zijn bij de uitleg van een mededeling die mogelijk als stuitingshandeling heeft te gelden.

 

Mr. Marjolijn Gregoor

ma.gregoor@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 813