Geen streep door veroordeling artikel 6 WVW. Tijdelijk bewustzijnsverlies niet aannemelijk.

30-01-2013

Bij arrest van 11 december 2012 (NJ 2013/32) heeft de Hoge Raad het beroep tegen de veroordeling van verdachte voor overtreding van artikel 6 WVW verworpen. Namens verdachte was aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van schuld in de vorm van aanmerkelijk onoplettend rijgedrag, onder meer in verband met een ontoereikende verwerping van het verweer dat ten tijde van het ongeval bij de verdachte sprake moet zijn geweest van tijdelijk bewustzijnsverlies. De Hoge Raad gaat hier niet in mee en oordeelt dat het hof heeft kunnen oordelen dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 WVW is te wijten.

 

Het hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte gedurende langere tijd dan een enkel kort moment onoplettend is geweest doordat hij als bestuurder van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 km per uur op een tweebaansweg, in een flauwe bocht niet met de bocht mee, maar rechtdoor is gereden en vervolgens de dubbele doorgetrokken streep op de as van de weg met zijn gehele auto heeft overschreden en daar met de rechter voorzijde van zijn auto met een tegenligger in botsing is gekomen. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden - bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde - waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.

 

Het hof heeft de in dit verband aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk geacht, meer in het bijzonder niet dat bij de verdachte sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is mede gezien in het licht van hetgeen is aangevoerd voldoende gemotiveerd.

Voor zover het middel daarover klaagt, is het vruchteloos voorgesteld.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845