Geen tuchtrechtelijke maatregel voor beramen moord

13-02-2015

De arts die onder meer een aanslag liet plegen op zijn voormalig echtgenote krijgt geen tuchtrechtelijke maatregel opgelegd. Dit oordeelde het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg op 12 februari jl.

 

De arts is in april 2005 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar wegens het medeplegen van poging tot moord en het medeplegen van opzettelijke brandstichting terwijl gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander was te duchten.

 

De Inspecteur voor de Gezondheidszorg diende in 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle een klacht in tegen de arts. Bij beslissing van 15 november 2013 heeft dat College de Inspectie in de klacht niet ontvankelijk verklaard.

 

De Inspectie komt, onder handhaving van haar klacht tegen de arts, in hoger beroep op tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht. Hij voert onder meer aan dat een arts immers te allen tijde op respectvolle wijze dient om te gaan met de gezondheid en het leven van degene die aan zijn zorg is toevertrouwd en het handelen van de arts tast het vertrouwen dat hij daartoe in staat is, wezenlijk aan.

 

Het CTG volgt de inspecteur:


Het gaat hier om handelen van iemand die de hoedanigheid van arts bezit maar niet in die hoedanigheid handelde, welk handelen met opzet gericht was op het doden althans toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van een ander. Dergelijk gedrag is flagrant in strijd met de algemene zorgplicht die iedereen ten aanzien van het leven en de gezondheid van zijn medemens in acht behoort te nemen. Aan een arts is uit hoofde van diens beroep bij uitstek die zorg toevertrouwd. Het vertrouwen dat de samenleving met het oog daarop in een arts stelt, wordt door een dergelijk handelen, dat de waarden van het beroep in de kern raakt, dan ook wezenlijk aangetast. Daarom kan dat handelen niet los worden gezien van de hoedanigheid van arts, ook al vond het niet in de uitoefening van die hoedanigheid plaats.

 

De strekking van het wettelijke tuchtrecht is erop gericht het vertrouwen van de samenleving in de beroepsuitoefening van degenen die aan het tuchtrecht in de gezondheidszorg zijn onderworpen, te versterken en te borgen. In het onderhavige geval is, zoals hiervoor in 4.2 is uiteengezet, door het handelen van de arts dat vertrouwen in zijn handelen in de hoedanigheid van arts wezenlijk aangetast. Daarom brengt een redelijke uitleg van de tweede tuchtnorm en met name van de woorden ‘in die hoedanigheid’ mee dat deze norm in dit geval waarin niet in de uitoefening van die hoedanigheid is gehandeld van overeenkomstige toepassing is, zodat de arts ook tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor dat handelen.

 

Het voorgaande brengt mee dat het Regionaal Tuchtcollege bij zijn beslissing is uitgegaan van een onjuiste, want te beperkte, opvatting aangaande de strekking en reikwijdte van de tweede tuchtnorm en met name van het begrip ‘in die hoedanigheid’ in een geval als het onderhavige. Het college heeft daarom de Inspectie ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat thans wordt overgegaan tot behandeling van de klacht van de Inspectie.

 

Hoewel de Inspecteur wel ontvankelijk is, wordt er geen maatregel opgelegd.

 

De Inspectie heeft gevorderd dat aan de arts de maatregel van doorhaling wordt opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege acht het opleggen van die maatregel, al of niet voorwaardelijk, in de gegeven omstandigheden disproportioneel en zal die daarom niet opleggen. Daartoe wordt overwogen dat het gewraakte handelen van de arts plaats vond op 5 juli 2003, dus thans meer dan twaalf jaar geleden, dat de arts een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen van vijftien jaar welke voor het grootste deel ten uitvoer is gelegd, en dat de arts in de periode van detentie een resocialisatieprogramma gericht op het hervatten van zijn werkzaamheden als (alternatief) arts, heeft gevolgd en op grond daarvan in 2012 als basisarts aan het werk is gegaan. Het Centraal Tuchtcollege zal om dezelfde reden evenmin een andere maatregel opleggen.

 

Klik hier voor de uitspraak

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862