Geestelijke stoornis tijdens getroffen schikking ter comparitie?

01-11-2016

In de meeste dagvaardingszaken gelast de rechter op een zeker moment een comparitie van partijen. Een comparitie van partijen is een verschijning van partijen ten overstaan van de rechter. Het doel van zo een comparitie kan zijn 1) het beproeven van een schikking tussen partijen, 2) het verkrijgen van inlichtingen en/of 3) het overleggen met partijen over het vervolg van de procedure.

 

Wordt er tijdens  een comparitie een schikking getroffen, dan wordt deze doorgaans opgenomen in een proces-verbaal (in executoriale vorm). Het voordeel van zo een proces-verbaal is dat daarmee de zaak direct  wordt afgerond en dat partijen beschikken over een executoriale titel waarmee nakoming kan worden afgedwongen. Maar wat nu als een partij tijdens de comparitie een schikking treft, en later stelt dat deze schikking onder invloed van een geestelijke stoornis tot stand is gekomen? Op basis van artikel 3:34 BW kan een rechtshandeling – zoals de getroffen schikking - immers worden vernietigd als deze is gesloten onder invloed van een geestelijke stoornis.

 

Dat brengt mij bij de zaak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 25 oktober jl. waarin een vrouw stelde dat haar geestelijke vermogens waren gestoord tijdens het treffen van schikking ter comparitie met haar voormalig echtgenoot. Zij meende na de echtscheidingsprocedure depressief te zijn geworden en te zijn gediagnosticeerd met een persoonlijkheidsstoornis, alsmede eenmalig een stress-stoornis en depressieve stoornis. Haar stelling onderbouwde zij onder meer met een brief van haar psychotherapeut, bij wie zij onder behandeling stond.

 

Het hof stelde terecht voorop dat de vrouw diende te bewijzen dat: “i) sprake was van een geestelijke stoornis aan haar zijde op het moment dat de schikking tussen partijen bij de rechtbank tot stand kwam en ii) zij, in verband daarmee, niet de wil had om de schikking voor wat betreft de door haar genoemde onderdelen tot stand te laten komen. Van dit laatste is – blijkens het wettelijk vermoeden zoals neergelegd in art. 3:34 lid 1 tweede zin BW – sprake indien de totstandkoming van de overeenkomst nadelig voor haar was, tenzij dit nadeel op het tijdstip van de totstandkoming van de schikking redelijkerwijze niet was te voorzien.”

 

In het leveren van dit bewijs slaagde de vrouw echter niet. Het hof kon immers niet vaststellen, ook niet op basis van de informatie van de psychotherapeut, dat ten tijde van de comparitie sprake was van een geestelijke stoornis zoals bedoeld in art. 3:34 BW. De vrouw is dan ook gebonden aan de getroffen schikking.

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862