Gerechtshof Amsterdam: gebruik sociale huurwoning als huisartsenpraktijkruimte voorshands bewezen.

18-10-2013

In deze zaak gaat het om de vraag of huurder zijn sociale huurwoning conform de bestemming heeft gebruikt als woonruimte of structureel als praktijkruimte. Het hof acht voorshands bewezen dat huurder de woning als huisartsenpraktijkruimte heeft gebruikt. De huurder mag tegenbewijs leveren. Mocht hij daar echter niet in slagen, dan zal de vordering van de woningbouwvereniging tot schadevergoeding (winstafdracht) worden toegewezen, te weten het verschil tussen de huurprijs voor kantoorruimte en door huurder betaalde huur.

 

Uit verschillende aangevoerde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de woonruimte jarenlang als praktijkruimte en niet als woning is gebruikt, waaronder afgelegde bezoeken door medewerkers van de woningbouwvereniging en gemaakte foto's en reportages. Huurder voert het verweer dat hij in de woning slechts incidenteel een patiënt heeft ontvangen, maar het hof gaat daar - in tegenstelling tot de kantonrechter - niet in mee.

 

Huurder heeft de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs, in welk kader het hof een getuigenverhoor heeft bepaald. Mocht huurder echter niet slagen in het leveren van dit bewijs, dan - zo overweegt het hof - de vordering van de woningbouwvereniging tot schadevergoeding worden toegewezen. In dit verband overweeg het hof dat alsdan immers vaststaat dat  huurder zijn sociale huurwoning als praktijkruimte heeft gebruikt, waardoor hij jegens de woningbouwvereniging toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting als huurder het gehuurde te gebruiken in overeenstemming met de daaraan gegeven bestemming. Gelet op het belang van de woningbouwvereniging om sociale huurwoningen ter beschikking te kunnen stellen aan haar doelgroep van minder draagkrachtige huurders, welk belang wordt doorkruist indien een sociale huurwoning als de onderhavige aan haar bestemming wordt onttrokken, ziet het hof aanleiding de door de woningbouwvereniging gevorderde schade te begroten op het financieel voordeel dat huurder ten gevolge van zijn wanprestatie heeft genoten (art. 6:104 BW).

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845