Gerechtshof Amsterdam: overeengekomen opleveringsdatum automatiseringssysteem niet fataal.

31-10-2013

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 9 juli 2013 (uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2013:2121, gepubliceerd op 21 oktober 2013) arrest gewezen in een geschil over een te ontwikkelen en te hosten automatiseringssysteem (‘Enterprise Resource Planning’, kort gezegd ERP-systeem). Met name is interessant de vraag of tussen partijen een fatale termijn voor de oplevering van het systeem was overeengekomen.

 

Twee partijen, een ICT-dienstverlener (hierna: ‘de automatiseerder’) en een onderneming die zich richt op de fabricage, verkoop en distributie van brandbeveiligingsproducten (hierna: ‘de opdrachtgever’), hadden een overeenkomst gesloten voor de ontwikkeling en onderhoud, en onderhoud en support van een ERP-systeem. De overeenkomst is gesloten voor een periode van drie jaar met ingang van 1 oktober 2006. De bedoeling van partijen was dat de feitelijke ingebruikname van het ERP-systeem (‘Go Live’) zou plaatsvinden op 1 oktober 2007. Op die datum was het systeem echter niet gereed. De opdrachtgever weigert vervolgens de facturen van de automatiseerder te voldoen, waarna de automatiseerder besluit om de opdrachtgever te dagvaarden.


De opdrachtgever stelt zich in deze procedure op het standpunt dat de overeenkomst op 1 oktober 2007 is ontbonden, omdat het systeem op die datum niet was opgeleverd. De opdrachtgever beschouwt deze datum derhalve als fataal. Aldus staat in juridische zin ter discussie of de datum 1 oktober 2007 ‘een voor de voldoening bepaalde termijn’ is als bedoeld in artikel 6:83 sub a van het Burgerlijk Wetboek, kort gezegd of sprake is van een fatale termijn. Als sprake is van een fatale termijn zou de automatiseerder per 1 oktober 2007 in verzuim verkeren en zou de opdrachtnemer haar bij ingebrekestelling niet alsnog een redelijke termijn dienen te gunnen om alsnog het systeem op te leveren. De opdrachtgever zou de overeenkomst dan direct kunnen ontbinden (mits de tekortkoming dit uiteraard voldoende rechtvaardigt) en zou zij tevens de mogelijkheid hebben om schadevergoeding (bijvoorbeeld schade door bedrijfsstagnatie) te vorderen.
 

Zowel de rechtbank als het hof oordeelt echter dat 1 oktober 2007 niet als een fatale termijn dient te worden aangemerkt en dat geen sprake is van verzuim aan de zijde van de automatiseerder.
Aan het oordeel van het hof ligt allereerst de overweging ten grondslag dat partijen bij de (initiële) overeenkomst geen fatale termijn hebben afgesproken voor de ‘Go Live’ datum. In dit verband beroept de automatiseerder zich erop dat de overeenkomst geen gedetailleerde planning bevat maar slechts globale streefdata. De opdrachtgever voert hiertegen geen verweer.
 

Vervolgens neemt het hof ook niet aan dat partijen gedurende de looptijd van de overeenkomst alsnog een fatale termijn zijn overeengekomen. De automatiseerder beroept zich in dit kader op de opmerking in de planning dat een ‘Go Live’ ‘has been scheduled for’ 1 oktober 2007, maar het hof vindt deze opmerking te vaag. Ook het feit dat partijen deze planning zijn overeenkomen en dat deze planning slechts kon worden gewijzigd door een besluit van de ‘steering committee’ (met vertegenwoordigers van beide partijen) maakt volgens het hof niet dat sprake is van een fatale termijn. Verder levert ook het stelselmatig herhalen van de datum 1 oktober 2007 (in een besprekingsverslag en in een presentatie) volgens het hof niet op dat deze datum daardoor fataal wordt.

 

Ook de stelling van de automatiseerder dat de ‘Go Live’ datum op grond van gewoontes in de ICT-wereld moeten worden gezien als een fatale datum wordt door het hof verworpen. Tevergeefs doet de automatiseerder een beroep op een deskundigenbericht, waarin is aangegeven dat de ‘Go Live’ datum gedurende het project belangrijker wordt en in ICT-technische zin een vaste datum wordt en voorts, dat afwijking van de ‘Go Live’ datum alleen mogelijk is na intensief overleg tussen partijen. Deze opmerkingen van de deskundige zijn volgens het hof niet uit te leggen als een fatale termijn, overigens nog daargelaten dat de deskundige is gevraagd om zijn oordeel te geven over de kwaliteit van het systeem en niet over de kwalificatie van de datum 1 oktober 2007.
 

Ook het beroep van de opdrachtgever op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. In dit verband stelt de opdrachtgever dat de automatiseerder vele malen gedurende het project is tekort geschoten, maar licht zij niet toe waarom uit de door haar gestelde tekortkomingen voortvloeit dat van haar niet gevergd kon worden om de automatiseerder in gebreke te stellen en haar daarbij een redelijke termijn te gunnen om alsnog na te komen.
 

Tot slot heeft de opdrachtgever ook onvoldoende onderbouwd dat niet te verwachten viel dat de automatiseerder binnen afzienbare tijd alsnog zou nakomen en dat een ingebrekestelling dus nutteloos zou zijn.
 

Het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat geen sprake is geweest van een fatale termijn en voorts van verzuim aan de zijde van de automatiseerder. Evenmin is vast komen te staan dat nakoming door de automatiseerder tijdelijk of blijvend onmogelijk was. Aan de vereisten voor ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW is dan ook niet voldaan. De opdrachtgever had dus niet tot ontbinding mogen overgaan.
 

Klik hier voor de volledige uitspraak.


 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845