Gevoelens van verliefdheid en seksuele gemeenschap leiden tot schorsing van zes maanden…

04-08-2016

Het RTC Amsterdam legt aan een GZ-psychologe de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register op voor de duur van zes maanden vanwege gevoelens van verliefdheid en seksuele gemeenschap met een (voormalig) patiënt zowel tijdens als na de behandeling. De patiënt had langdurige multiple verslavingsproblematiek.

 

Opvallend was in deze zaak dat de partner van de patiënt de klacht had ingediend tegen de GZ-psychologe. Hun (langdurige) relatie zou door de seksuele relatie tussen haar partner (lees: de patiënt) en de GZ-psychologe onder grote druk zijn komen te staan. De patiënt zelf zou hebben verklaard geen enkele schade te hebben ondervonden.

 

Hoewel de GZ-psychologe ten volle erkende seksuele gemeenschap te hebben gehad met haar patiënt, was haar primaire verweer dat klaagster niet ontvankelijk was. Dat verweer werd door het RTC verworpen omdat zij wel degelijk een rechtstreeks belang had:

 

"Vast staat immers, mede op grond van hetgeen klaagster daarover ter zitting heeft verklaard- aan welke verklaring het College waarde hecht - dat zij een langdurige en intieme relatie heeft onderhouden met patiënt waarbij zij hem intensief op vele manieren heeft bijgestaan. Verweerster was  daarvan ook op de hoogte, nu zij klaagster ook in enige mate bij de behandeling had betrokken.

Doorslaggevend acht het College dat het door verweerster erkende handelen ernstige consequenties heeft gehad voor de relatie tussen klaagster en patiënt, welke nu wordt geheeld onder meer door het volgen van een therapeutische behandeling. Bovendien maakt de inhoud van de overgelegde chat/sms berichten, waarvan verweerster heeft toegegeven ter zitting dat zij de daarin genoemde “K“ is, duidelijk dat de verliefdheid en het seksuele contact een grote bedreiging voor klaagster was voor het voortduren van haar relatie met patiënt."

 

Inhoudelijk gaf de GZ-psychologe aan dat zij de professionele grenzen in zeer ernstige mate had overschreden. Naar haar opvatting zou een waarschuwing in voldoende mate recht doen aan de situatie. Het RTC is echter een andere mening toegedaan:

 

“Wat het college ernstig zorgen baart is de omstandigheid dat ter zitting is gebleken dat het verweerster aan zelfinzicht ontbreekt. Zo heeft zij verklaard dat zij, kort na het beëindigen van de behandelingen, toch weer een relatie met patiënt is aangegaan die ook weer heeft geleid tot vormen van seksueel contact. Desgevraagd bleek verweerster niet op de hoogte van de beroepscode voor psychologen. Zo meende zij dat het haar vrijstond om na het beëindigen van de professionele relatie de persoonlijke relatie voort te zetten, terwijl artikel 55 van de Code haar voldoende duidelijkheid daaromtrent had kunnen geven. Dat duidt, naar het oordeel van het College, op een volstrekt ontbreken van inzicht in de vraag welke zorgvuldigheid bij het weer aanknopen van een relatie in acht moet worden genomen. (…)

 

Op zichzelf rechtvaardigt de ernst van het vergrijp van verweerster minst genomen een voorwaardelijke schorsing. Het College rekent het verweerster in hoge mate aan dat zij volstrekt niet de ongelijkwaardigheid van de relatie tussen haar en patiënt heeft ingezien en zich op geen enkel moment rekenschap heeft gegeven van de signalen die zich tijdens de behandeling voordeden zowel bij patiënt als bij haar. Van verweerster had mogen worden verwacht, gelet ook op haar langdurige ervaring als GZ-psycholoog, dat zij tijdig adequate externe steun zou hebben gezocht om de aan het licht tredende gevoelens op adequate wijze het hoofd te bieden. De omstandigheid dat er naar het oordeel van verweerster geen veilige werkomgeving bestond, disculpeert haar niet. Zij had ook elders om intervisie c.q. collegiale toetsing kunnen vragen. Ook weegt bij het opleggen van na te noemen maatregel mee dat verweerster vrijwel onmiddellijk de relatie weer heeft opgepakt en verder heeft verdiept zonder enige termijn in acht te nemen. Dat verweerster niet op de hoogte is van de inhoud van de ook voor haar geldende beroepscode werkt ook in haar nadeel.”

 

Alles afwegende doet naar het oordeel van RTC alleen een schorsing van zes maanden recht aan de ernst van het verweten gedrag.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862