Grenzen aan klachtgerechtigdheid familie

06-12-2015

Een ieder die maar lang genoeg in de zorg werkzaam is en dan met name in de langdurige (thuis)zorg kent ze: de overbetrokken familieleden van de patiënt. Niet zelden bestaan er met de patiënt zelf dan weinig problemen, al dan niet vanwege cognitieve beperkingen (bij de patiënt), maar zijn er grote problemen met de familie. Permanente conflicten, klachten, tuchtzaken en zelfs geweld kunnen dan aan de orde zijn. Het is helaas geen zeldzaamheid.

 

Ook in de jurisprudentie komen dit soort kwesties aan de orde. Zo zijn er verschillende civielrechtelijke uitspraken waaruit blijkt dat de rechter eraan te pas moet komen om de omgang met de familie te reguleren of dat de behandelingsovereenkomst met de patiënt moet worden beëindigd omdat de conflicten met de familie te groot zijn geworden.


In de hier te bespreken uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg blijkt ook van zo'n situatie. Ik citeer:


"Aan de periode waarin aan de overleden patiënte zorg is verleend kleeft een zeer aanzienlijke spanning, die gedurende geruime tijd heeft bestaan tussen de dochter enerzijds en de specialist ouderengeneeskunde en de door klagers in tuchtprocedures betrokken groep van (12) verpleegkundigen anderzijds. Tegen de achtergrond van deze soms zeer spanningsvolle relatie zoals deze heeft bestaan tussen de dochter en de zorgverleners, springt het volgende in het oog.


Bij leven van de patiënte is door de dochter bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg herhaald melding gedaan van klachten over de aan de patiënt verleende zorg, als ook over een hoog aantal sterfgevallen in het verzorgingshuis. Voorts heeft de dochter bij leven van de patiënte klachten ingediend bij de klachtencommissie over de aan patiënte verleende zorg- en dienstverlening. Vaststaat dat deze meldingen en klachten niet ook door de patiënte zijn gedaan.


Voorts is op grond van zowel hetgeen daarover is opgetekend door een aantal zorgverleners als hetgeen is vastgelegd in een verslag van een hoorzitting van een klachtencommissie, gebleken dat het door de dochter vertoonde (zeer) spanningsvolle gedrag - naar de inschatting van het Centraal Tuchtcollege mede te herleiden tot haar kennelijk zeer grote betrokkenheid op de patiënte (haar moeder) – steeds zijn oorzaak vindt in een kennelijk door de dochter diepgevoelde afkeuring van de kwaliteit van de aan de patiënte verleende zorg. Dat die afkeuring ook is geuit of gevoeld door de patiënte vindt slechts bevestiging in het woord van klagers, in het bijzonder van de dochter. Veeleer vindt het Centraal Tuchtcollege aanknopingspunten dat de patiënte het gedrag van klager(s) heeft afgewezen, terwijl in het cliëntdossier is te lezen dat de patiënte tevreden was over het wonen in het woonzorgcentrum en de aan haar verleende zorg.


Tegenover de veelal zeer scherp getoonzette klachten van klagers staat nog het volgende.


Met het oog op het voorkomen van (verdere) escalatie van de met de dochter onderhouden contacten hebben de zorgverleners –mede ingegeven door hetgeen de patiënte hun is toevertrouwd en met instemming van zowel de wilsbekwame patiënte als van de specialist ouderengeneeskunde-  ervoor gekozen naast het reguliere zorgdossier ook een handgeschreven schaduwdossier aan te leggen, opdat klagers niet van elk detail van zorg- gerelateerde informatie kennis zouden kunnen nemen. Voorts hebben klagers op enig moment de patiënt vanuit de zorginstelling willen weghalen en overbrengen naar hun huis met het oog op haar verblijf aldaar, dit tegen de verklaarde wil van de patiënt. Dit incident heeft zelfs tot politie-interventie geleid."


Het Centraal Tuchtcollege komt mede op grond van deze overweging tot de conclusie dat klagers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun klachten (het zijn er vele tegen vele verpleegkundigen). Het CTG baseert zich daarbij op haar eigen jurisprudentie, waarin al eerder was overwogen dat het recht van een naaste betrekking om een klacht in te dienen ten aanzien van de medische behandeling van een inmiddels overleden patiënt, niet berust op een eigen klachtrecht van de naaste betrekking, maar op een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen veronderstelde wil van de patiënt. Daarom is van belang of degene die klaagt daardoor die veronderstelde wil van de overleden patiënt uitdrukt. Voorts had het CTG in de desbetreffende beslissing overwogen het niet de taak van de tuchtrechter te achten om in een zaak waarin een naaste betrekking van een overleden patiënt een klacht indient, ambtshalve te onderzoeken of deze de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt en dat het indienen van een klacht het oordeel rechtvaardigt dat de klagende nagelaten betrekking de wil van de overleden patiënt vertegenwoordigt, behoudens het geval dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven daaraan te twijfelen.


Dat laatste was in casu het geval en daarom wordt aan klagers een recht om te klagen ontzegd. Het zal de betrokken verpleegkundigen goed hebben gedaan.

 

Lees hier de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege.

 

Mr. Ernst de Jong

ejc.dejong@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 818