Het recht op vrij verweer in tuchtzaken

16-08-2016

Hulpverleners die hun handelen ten overstaan van het medisch tuchtcollege verdedigen, wordt, als de klacht gegrond wordt verklaard, door het tuchtcollege nogal eens aangerekend dat zij door het voeren van het aldus vormgegeven verweer ‘geen zelfreflectie hebben getoond’. Voor het tuchtcollege kan dat vervolgens aanleiding zijn om een zwaardere maatregel aan de hulpverlener op te leggen. Wat betekent dit voor het recht op vrij verweer van de hulpverlener?

 

Uitspraak tuchtcollege
Zie ter illustratie allereerst een recente kwestie die voorlag aan het tuchtcollege Eindhoven. Die zaak ging om het volgende. Een patiënte vroeg haar tandarts uitleg over een voorgaande behandeling aangezien zij na deze behandeling pijnklachten ervoer. Om de kies die de pijn veroorzaakte te lokaliseren, wilde de tandarts een foto maken. De patiënte was van mening dat zij daarvoor niet hoefde te betalen, omdat haar pijnklachten pas waren ontstaan na de behandeling door de tandarts. De patiënte had veel vragen en er ontstond tussen een discussie tussen haar en haar tandarts. Op een bepaald moment realiseerde de tandarts zich dat de patiënte geen vertrouwen meer in hem had. Vervolgens heeft hij zijn instrumenten in de gootsteen laten vallen en is hij de behandelkamer uitgelopen.
De patiënte diende vervolgens een tuchtklacht tegen de tandarts in, waarin zij de tandarts verweet dat hij zich onprofessioneel heeft gedragen en zonder aanleiding de behandelrelatie heeft opgezegd terwijl daar geen aanleiding voor was. De tandarts verweerde zich door te stellen dat hij heeft geprobeerd aan patiënte uit te leggen dat haar klachten veroorzaakt werden door te diepe vullingen. Dat ontaardde in een discussie waarbij hij zich realiseerde dat de patiënte onvoldoende vertrouwen in hem had, waarna hij patiënte heeft gezegd dat het verstandiger was om een andere tandarts te zoeken, aldus de tandarts. Het Tuchtcollege maakte korte metten met dit verweer en verklaarde de klacht gegrond. De tandarts werd een berisping opgelegd.
Het Tuchtcollege nam bij zijn beslissing in aanmerking dat de tandarts zich gedurende de gehele tuchtprocedure niet toetsbaar zou hebben opgesteld en dat hij in zijn verweerschrift geen enkel inzicht in zijn eigen handelen zou hebben getoond. Het door de tandarts gevoerde verweer werd hem zodoende door het Tuchtcollege aangerekend.

 

Verweer zonder vrees voor verzwaring maatregel
In bovengenoemde zaak is het oordeel dat de tandarts klachtwaardig handelde invoelbaar.Dat geldt in wat mindere mate voor het meewegen van het door het Tuchtcollege meewegen van het ‘ontbreken van inzicht’ als verzwarende omstandigheid. Uit het door De Klerk en Olsthoorn-Heim opgestelde rapport “Maatregelen tuchtrecht gezondheidszorg” blijkt dat tuchtcolleges vaker het ‘niet tonen van inzicht’ als verzwarende omstandigheid aanmerken.  

Daarbij rijst een interessante vraag: zou een terechtstaande beroepsbeoefenaar - bijzondere gevallen daargelaten - niet vrij moeten zijn om verweer te voeren zoals hem dat uitkomt, zonder dat hem de wijze waarop hij verweer voert wordt aangerekend? Een dergelijk oordeel is ook mogelijk, zo leert een overweging in een uitspraak van de hoogste advocatentuchtrechter (het Hof van Discipline) ons. Het Hof van Discipline overwoog in een zaak dat niet was gebleken dat de verwerende advocaat de onjuistheid van zijn handelen had ingezien. Desalniettemin verbond het Hof van Discipline hier voor de verwerende advocaat geen maatregel-verzwarende consequenties aan:


“Het staat een verweerder […] vrij verweer te voeren zoals hem dat goeddunkt zonder dat hij bevreesd hoeft te zijn voor verzwaring van de maatregel.”


Deze overweging is goed te plaatsen tegen de achtergrond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Artikel 6 EVRM, dat naar algemene opvattingen ook toepassing heeft in tuchtprocedures, bepaalt dat een proces eerlijk moet zijn vormgegeven. Daaruit vloeit ook de opvatting voort dat een beroepsbeoefenaar zijn verweer moet kunnen inrichten zoals hem dat wenselijk voorkomt. Als tuchtrechters een door de hulpverlener gevoerd verweer - inhoudende dat hijzelf niet meent laakbaar te hebben gehandeld – in de regel zouden afstraffen door een zwaardere maatregel op te leggen omdat die hulpverlener (daarom) geen inzicht zou hebben getoond in het laakbare karakter van zijn handelen, dan zou (de inrichting van) een vrije verdediging feitelijk illusoir zijn en op gespannen voet met artikel 6 EVRM staan.

 

Slot
Het is te hopen dat medische tuchtcolleges zich rekenschap geven van de overweging van het Hof van Discipline. Ook is te hopen dat tuchtcolleges de omstandigheid dat een hulpverlener verweer voert zoals hem dat uitkomt, alleen in bijzondere gevallen kwalificeren als een ‘gebrek aan zelfreflectie’ als gevolg waarvan zij de op te leggen tuchtmaatregel verzwaren. Dat zal het fundamentele recht op een vrije verdediging van de hulpverlener ten goede komen.

 

Mr. Maurice Mooibroek

mf.mooibroek@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 212 28 16