Hoge Raad: informeer Bopz-patiënt over termijn van dwangbehandeling

27-04-2017

Op 14 april 2017 heeft de Hoge Raad een duidelijk arrest gewezen over de kennisgeving die vooraf moet gaan aan het toepassen van dwangbehandeling bij Bopz-patiƫnten.

 

Aanzegging van dwangbehandeling

De klaagster in kwestie is met een rechterlijke machtiging opgenomen in een Bopz-instelling. Daar heeft zij op 26 mei 2016 een ‘meldingsformulier dwangbehandeling’ ontvangen. Op het formulier werd haar dwangbehandeling door middel van anti-psychotische medicatie aangezegd, met als startdatum 1 juni 2016. Het formulier vermeldde geen einddatum.

 

Wet Bopz

Op grond van het tweede lid van artikel 38c Wet Bopz kan dwangbehandeling uitsluitend plaatsvinden na een schriftelijke beslissing van de behandelaar. De behandelaar moet in de beslissing vermelden voor welke termijn de gedwongen behandeling wordt toegepast. De termijn is zo kort mogelijk en is maximaal drie maanden. Daarnaast is de zorginstelling op grond van artikel 40a Wet Bopz verplicht om de patiënt schriftelijk te informeren over de gronden voor de dwangbehandeling, de mogelijkheid om de patiëntvertrouwenspersoon in te schakelen en de mogelijkheid om gebruik te maken van de klachtenprocedure.

 

Klachtencommissie en rechtbank

Klaagster kon zich niet met de beslissing tot dwangbehandeling verenigen en wendde zich tot de klachtencommissie en vervolgens (na ongegrondverklaring door de klachtencommissie) tot de rechtbank. Ook de rechtbank verklaarde haar klachten ongegrond.

Met betrekking tot het ontbreken van een termijn in de beslissing tot dwangbehandeling overwoog de rechtbank dat er (zoals klaagster aanvoerde) inderdaad sprake was van een aan de kennisgeving klevend formeel gebrek. Aan deze schending van artikel 38c lid 2 Wet Bopz moest volgens de rechtbank echter niet de conclusie worden verbonden dat de beslissing van de behandelaar onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat de toepassing van de dwangbehandeling onrechtmatig was. Daarbij overwoog de rechtbank  dat de dwangbehandeling in dit geval (overeenkomstig de maximale termijn van artikel 38c Wet Bopz) drie maanden had geduurd. Om die reden meende de rechtbank dat klaagster niet in haar belangen was geschaad door het aan de beslissing tot dwangbehandeling klevende gebrek

                                                                                           

Oordeel Hoge Raad

In cassatie wordt bestreden dat klaagster niet in haar belangen is geschaad en wordt gewezen op een eerder arrest van de Hoge Raad. Daarin overwoog de Hoge Raad (onder meer) dat in het vereiste dat een dwangbehandeling ‘zo kort mogelijk is’, besloten ligt dat de arts die de beslissing tot dwangbehandeling neemt een zorgvuldige afweging maakt, ook ten aanzien van de duur van de behandeling.

Volgens de Hoge Raad strekt het tweede lid van artikel 38c Wet Bopz (de verplichte kennisgeving) er mede toe te voorkomen dat de patiënt in onzekerheid verkeert overde door de behandelaar voorgenomen duur van de dwangbehandeling. Oftewel: de patiënt heeft er wel degelijk belang bij dat de duur van de dwangbehandeling wordt vermeld in de schriftelijke kennisgeving van de voorgenomen behandeling.

Volgens de Hoge Raad wordt de onzekerheid die ontstaat wanneer geen einddatum in de kennisgeving vermeld wordt niet weggenomen door de omstandigheid dat dwangbehandeling volgens de Wet Bopz niet langer dan drie maanden mag duren. De rechtbank had volgens de Hoge Raad de daarop betrekking hebbende klacht van klaagster dan ook gegrond moeten verklaren.

 

Met het arrest bevestigt de Hoge Raad het belang van de (formele) eisen die de Wet Bopz stelt aan schriftelijke beslissingen rondom dwangbehandeling. 

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. Sofie Steen

sm.steen@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 800