Hoge Raad: twee uitspraken over de zwaarste schuldvorm ‘roekeloosheid’.

28-10-2013

Op 15 oktober 2013 heeft de Hoge Raad in twee verkeersstrafzaken (ECLI:NL:HR:2013:959 en ECLI:NL:HR:2013:964) geoordeeld over de vraag of de zwaarste schuldvorm, roekeloosheid, door het Hof kon worden aangenomen. In cassatie laat de Hoge Raad de ene uitspraak in stand, maar vernietigt de andere vanwege een tekortschietende bewijsvoering van het Hof.

 

In artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: ‘WVW’) is bepaald dat het een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden is zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Op grond van artikel 175 WVW kan de gevangenisstraf twee maal zo hoog uitvallen als sprake is van de zwaarste schuldvorm, te weten roekeloosheid (in tegenstelling tot in het geval van ‘aanmerkelijke schuld’).


In beide zaken herhaalt de Hoge Raad de toepasselijke overwegingen uit zijn arrest van 2 mei 2012, ECLI:NL:HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2016, NJ 2012/488) voor het vaststellen van de mate van schuld en het motiveren van de bewezenverklaring van roekeloosheid. Kern is dat de mate van schuld dient te worden bepaald met inachtneming van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De mate van schuld mag niet worden afgeleid uit (slechts) de ernst van de gevolgen. Voor de bewezenverklaring dat sprake is van roekeloosheid geldt dat de rechter daaraan in zijn motivering nadere aandacht dient te geven. Van roekeloosheid zal immers slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat ‘roekeloosheid’ in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" – in de betekenis van “onberaden" – wordt verstaan.
 

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter volgens de Hoge Raad zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Volgens de Hoge Raad volstaat niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in artikel 175 lid 3 WVW genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen (bijvoorbeeld te hard rijden, rijden onder invloed van alcohol of geen voorrang verlenen).

 

In de zaak ECLI:NL:HR:2013:959 is de Hoge Raad van mening dat het Hof heeft voldaan aan deze motiveringsplicht. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid dat het Hof in het bijzonder acht heeft geslagen op het samenstel van gedragingen van de verdachte, welk samenstel eruit bestaat dat de verdachte, kort gezegd, als bestuurder van een motorrijtuig, nadat hij met een andere bestuurder, te midden van medeweggebruikers, in een 'kat- en muisspel' verwikkeld was geraakt, met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur door rood licht een kruispunt is opgereden. Aldus heeft het Hof in zijn bewijsvoering tot uitdrukking gebracht dat zich hier een uitzonderlijk geval zoals hiervoor genoemd voordoet.

 

In de zaak ECLI:NL:HR:2013:964 oordeelt de Hoge Raad dat het Hof juist tekort is geschoten in haar bewijsvoering. De door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden dat de verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising - met voor hem groen licht uitstralende verkeerslichten - is opgereden, terwijl het alcoholgehalte in zijn bloed 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg, zouden volgens de Hoge Raad toereikend kunnen zijn voor het oordeel dat de verdachte, zoals eveneens is tenlastegelegd, ‘in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam’ heeft gereden, maar zij zijn niet zonder meer toereikend voor het oordeel van het Hof dat de verdachte ‘roekeloos’ in de zin van art. 6 in verbinding met art. 175 WVW 1994 heeft gereden.

 

Aldus heeft het Hof volgens de Hoge Raad in eerstgenoemde uitspraak aan haar motiveringsplicht voldaan door het benoemen van méér dan enkel gedragingen die krachtens artikel 175 lid 3 WVW zelfstandig tot verhoging van het strafmaximum kunnen leiden, hetgeen niet het geval is in laatstgenoemde uitspraak.

 

Zeer benieuwd tot welke schuldvorm het Hof komt na terugwijzing. Wordt vervolgd…

 

Klik op onderstaande links voor de volledige uitspraken van de Hoge Raad:
- ECLI:NL:HR:2013:959;
- ECLI:NL:HR:2013:964.
 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845