Hoofdelijke aansprakelijkheid voor misleidende zorgdeclaraties

12-12-2017

Verschillende zorgverzekeraars aangesloten bij VGZ hebben de door een kliniek verleende zorg aan verzekerden vergoed, op basis van door deze kliniek uitgeschreven declaraties. Op deze declaraties was Y als zorgverlener vermeld, terwijl X de behandelingen daadwerkelijk bleek te hebben verricht. X en Y exploiteerden de kliniek in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). Rechtbank Noord-Holland heeft de vof alsook X en Y op 8 december 2017 hoofdelijk tot vergoeding van de schade van VGZ veroordeeld. Hieronder een toelichting op deze uitspraak.

 

Geen aangewezen zorgaanbieder

Het ging in deze zaak om verlening van alternatieve zorg. VGZ vergoedt deze kosten op basis van een aanvullende verzekering, mits de zorg is verleend door zogenaamde ‘aangewezen zorgaanbieders’. Deze zorgaanbieders staan vermeld in een via internet te raadplegen zorggids, die jaarlijks geactualiseerd wordt. Gelet op het grote aantal therapeuten dat werkzaam is in de alternatieve zorg heeft VGZ ervoor gekozen om geen contracten te sluiten met individuele therapeuten, maar maakt zij samenwerkingsafspraken met koepelorganisaties in de sector.

 

Van de twee zorgverleners was Y aangesloten bij beroepsorganisatie VBAG en X bij beroepsorganisatie NOAG. In de jaren 2011 tot en met 2013 waar het in deze zaak om draait, behoorde de VBAG tot de (door VGZ) aangewezen zorgaanbieders, maar de NOAG niet. Kortom: uitsluitend behandelingen van Y kwamen in die jaren voor behandeling in aanmerking, niet die van X.

 

Declaraties onrechtmatig

De rechtbank neemt vrij eenvoudig aan dat X en Y onrechtmatig tegenover VGZ hebben gehandeld. VGZ kon uit de declaraties, nadat de gegevens van X daarvan waren verwijderd, op geen enkele manier opmaken dat de gedeclareerde behandelingen in een groot aantal gevallen door een ander dan Y waren uitgevoerd. Op de declaraties waren alleen de naam, de AGB (Algemeen Gegevens Beheer)-code en de beroepsorganisatie van Y vermeld.

 

X betoogde onder meer dat behandelingen van beide vennoten volledig uitwisselbaar waren en dat alle behandelingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid vielen, zodat behandelingen uitgevoerd door de ene vennoot op naam van de andere vennoot gedeclareerd mochten worden. De rechtbank verwerpt (ook) dit verweer en overweegt daarbij dat het zorgverzekeraars als VGZ vrijstaat om, ter bevordering van de kwaliteit van de bij hen gedeclareerde zorgverrichtingen, alleen tot vergoeding daarvan over te gaan indien de zorg is verleend door gekwalificeerde en/of gecertificeerde zorgverleners, en dat het haar, X , niet vrijstaat om een dergelijk door zorgverzekeraars op goede gronden ontwikkeld beleid te doorkruisen.

 

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De rechtbank veroordeelt zowel de (inmiddels ontbonden) vof als beide vennoten tot vergoeding van de schade van VGZ, op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel. In dit wetsartikel (uit het jaar 1826) is bepaald dat ‘elk der vennooten wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk is verbonden’.

 

Bij ‘verbintenissen der vennootschap’ gaat het niet alleen om contractuele verplichtingen van de vof, maar kunnen ook vennoten jegens een derde aansprakelijk zijn wegens onrechtmatig handelen van de vof. In dit laatste geval is bepalend of het onrechtmatig handelen van de vennootschap heeft plaatsgevonden bij de uitoefening van de normale vennootschappelijke activiteiten en in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de vennootschap heeft te gelden. Het vervaardigen en verzenden van nota’s op naam van de vof acht de rechtbank naar verkeersopvattingen bij uitstek behoren tot de normale vennootschappelijke werkzaamheden. Zowel de vof als de vennoten worden dan ook hoofdelijk aansprakelijk geacht voor de schade als gevolg van de onjuiste nota’s.

 

Deze gezamenlijke aansprakelijkheid acht de rechtbank ook op zijn plaats nu volstrekt onduidelijk is gebleven wie de hand heeft gehad in de gewijzigde opmaak van de nota’s van de kliniek (X en Y spreken elkaar tegen; een concreet bewijsaanbod is niet gedaan) en of de andere vennoot hiervan op de hoogte was. Bovendien was er, anders dan Y stelt, in elk geval in financieel/administratief opzicht sprake van een nauwe samenwerking tussen de vennoten: er was sprake van een gezamenlijke financiële administratie waarin alle nota’s werden verwerkt en van een gezamenlijke bankrekening waarop alle betalingen van die nota’s binnenkwamen en voorts werd de winst van de vennootschap bij helfte tussen de vennoten gedeeld.

 

Overigens zou de omstandigheid dat een van de vennoten mogelijk pas (veel) later bekend is geworden met de gewijzigde lay-out van de nota’s haar geenszins verontschuldigen, omdat van elk van de vennoten verwacht mag worden dat zij zicht houdt op het financiële reilen en zeilen van de onderneming en zich daarover geregeld laat informeren (door de andere vennoot en zo nodig door de boekhouder). Een vennoot die zich in dit opzicht te passief opstelt kan zich naderhand niet beroepen op onbekendheid met de financiële gang van zaken.

 

Onderling verhaal X en Y?

X en Y (inmiddels gebrouilleerd) hadden elkaar ook nog ‘in vrijwaring opgeroepen’, hetgeen tot gevolg zou kunnen hebben dat, mocht een van hen worden veroordeeld om de schade aan VGZ te vergoeden, de ander gehouden is om de schade (geheel of gedeeltelijk) voor haar rekening te nemen. In dit verband had Y zich beroepen op een bepaling uit de vennootschapsakte met X. Y stelde zich op het standpunt dat X op grond van die bepaling gehouden zou zijn haar ‘te vrijwaren’, omdat X de kliniek alleen had voortgezet. De rechtbank gaat niet in deze redenering van Y mee. De contractuele bepaling zag namelijk op voortzetting van bedrijfsverplichtingen die betrekking hebben op zaken en vermogensrechten waarvan de eigendom door de voortzettende vennoot is verkregen en niet op een vrijwaringsverplichting voor de voortzettende vennoot in geval van een aansprakelijkstelling, door een derde uit hoofde van onrechtmatige daad.

 

Conclusie  

Uiteraard bevestigt deze uitspraak primair het belang van inachtneming van declaratievoorschriften. Niettemin nodigt deze zaak ook uit tot nadenken over het effect van een gekozen rechtsvorm en gemaakte afspraken over (beëindiging van) samenwerking bij schade. Aansprakelijkheid van vennoten bij een vof is regel, van bestuurders (en aandeelhouders) bij een rechtspersoon (zoals een bv of nv) uitzondering. En wordt (toch) gekozen voor samenwerking binnen een vof, dan kunnen onderlinge verhaalsmogelijkheden (of belemmeringen) in beginsel vrijelijk worden afgesproken, zoals een vrijwaring voor óók onrechtmatig handelen van een medevennoot. Kortom: anticipeer bij samenwerking ook op mogelijke aansprakelijkstellingen.

 

Klik hier voor de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 8 december 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9931). 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845