Klacht over eerdere verklaring bij Tuchtcollege

04-03-2017

Klagers hebben soms moeite zich neer te leggen bij een uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTC). Een nieuwe tuchtprocedure kan dan een vervolg zijn, maar dat roept verschillende vragen op, zo illustreert een recente uitspraak van Regionaal Tuchtcollege te Zwolle van 27 februari jl.

 

Wat ging er aan vooraf?

Verweerder heeft als medisch adviseur bij een instantie die indicatiebesluiten neemt, een medisch advies uitgebracht. Dit advies vormde de basis voor het besluit dat klager niet langer aanspraak had op AWBZ-zorg. In de eerste  tuchtprocedure had klager als kernverwijt aangevoerd, dat de medisch adviseur onvoldoende informatie had ingewonnen en dat hij op grond van de (wel) beschikbare medische stukken niet tot de conclusie kon komen dat klager behandelbaar was. Het RTG verklaarde de klacht ongegrond en het CTG heeft het beroep van klager verworpen (ECLI:NL:TGZCTG:2016:305).

In de hier aan de orde zijnde (tweede) tuchtprocedure verwijt klager de medisch adviseur dat hij bij het Centraal Tuchtcollege een vals verklaring heeft afgelegd door in strijd met de waarheid te verklaren dat hij beschikte over een afgeronde verklaring van een psychiater. Het RTG diende te beoordelen of klager ontvankelijk was in zijn klacht.

 

Ontvankelijk of ne bis in idem?

Bij de beantwoording van deze vraag verwees het RTG in r.o. 5.1 naar een beslissing d.d. 12 januari 2016 (ECLI:NL:TGZCTG:2016:37), waarin het CTG heeft bepaald dat een klager ontvankelijk kan worden verklaard in zijn klacht, indien deze aan de orde stelt dat opzettelijk in strijd met de waarheid in een eerdere tuchtprocedure een verklaring is afgelegd omtrent de wetenschap die een arts heeft met betrekking tot de behandeling van een patiënt. Het RTG overwoog in r.o. 5.2 dat het in dit geval niet ging om een verklaring over de behandeling van de gezondheidstoestand van een patiënt, maar om een verklaring over de informatie waarover de medisch adviseur beschikte voor het opstellen van het medisch advies, hetgeen ook in de eerste tuchtprocedure al de kern van de klacht was. Het RTG overwoog in r.o. 5.2 dat het voorgaande reeds tot niet-ontvankelijkheid moet leiden. Interessant is de overweging die daar op volgt:

“(..) In beginsel dient hetgeen een verweerder bij een tuchtrechtelijke zitting naar voren brengt binnen die procedure te worden beoordeeld. Leugenachtige of onjuiste verklaringen kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de gegrondheid van de klacht en, bij gegrondverklaring, de zwaarte van de maatregel. Een klager kan daartoe hetgeen de ander heeft aangevoerd zijnerzijds gemotiveerd bestrijden.”

 

Nu klager niet op de zitting van het CTG was verschenen, overwoog het RTG dat het beginsel van ne bis in idem prevaleert. Het RTG verklaart klager niet-ontvankelijk is zijn klacht.

 

Waardering van verklaringen in beginsel in dezelfde tuchtprocedure

Deze uitspraak van het RTC Zwolle (ECLI:NL:TGZRZWO: 2017:49)
onderstreept het belang voor klagers om alle revelante aspecten van de zaak in de tuchtprocedure naar voren te brengen. Indien een klager dat niet doet, brengt het beginsel van ne bis in idem met zich dat een klager hetzelfde tuchtrechtelijk handelen niet nogmaals in een nieuwe tuchtprocedure aan de orde kan stellen. De vervolgoverweging van het RTG dat – samengevat – de bewijskracht van verklaringen in beginsel in de betreffende tuchtprocedure moet worden beoordeeld vindt steun in de civiele jurisprudentie, waarin is bepaald dat een verklaring van een arts bij de beoordeling van het geschil kan worden betrokken en dat de waardering van de verklaring eerst aan de orde komt bij de waardering van het eventueel over en weer geleverde bewijs. 

 

Mr. Merlijn Christe

m.christe@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862