Lid Raad van Bestuur tuchtrechtelijk aansprakelijk?

05-02-2016

Het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam heeft op 24 november 2015 uitspraak gedaan in een zaak waarin aan de orde was in hoeverre het handelen of nalaten van een leidinggevende of coördinerende BIG-geregistreerde onder de tweede tuchtnorm (artikel 47 eerste lid onder b, Wet BIG) valt.

 

De klagers in deze kwestie waren de nabestaanden van een patiënt die daags na opname in een ziekenhuis was overleden. De verweerder, BIG-geregistreerd als medisch specialist, was ten tijde van deze gebeurtenis voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis waar de patiënt werd opgenomen.

 

De verweerder voert ten eerste ontvankelijkheidsverweer: volgens verweerder zijn de nabestaanden geen directe belanghebbenden en hebben de klachten betrekking op zijn managementtaken, ten aanzien waarvan hij een grote mate van beleidsvrijheid geniet. Ook hebben de klachten volgens verweerder geen betrekking op het deskundigheidsgebied van een arts. Het tuchtcollege wijst deze verweren af: ook nabestaanden kunnen rechtstreeks belanghebbende zijn, mits van een veronderstelde toestemming (van de patiënt) is gebleken. Dit wordt in deze kwestie niet in twijfel getrokken. Daarnaast zijn de klachten van de nabestaanden zodanig geformuleerd dat zij in het kader van de individuele gezondheidszorg geplaatst kunnen worden.

 

Vervolgens toetst het college of de klachten betrekking hebben op een handelen of nalaten van verweerder als arts, dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van goede zorg, de zogeheten ‘tweede tuchtnorm’. Ook toetst het college of verweerder handelde in de hoedanigheid ter zake waarvan hij een registratie heeft verkregen. Oftewel: voorwaarde voor tuchtrechtelijke beoordeling is dat de beroepsbeoefenaar zich heeft begeven op het deskundigheidsterrein dat bij zijn titel hoort. Het college merkt op dat het in dit verband niet gaat om een eventuele specialistentitel, maar om de algemene artsentitel.

 

Het college overweegt ten aanzien van het eerstgenoemde dat een BIG-geregistreerde óók in diens coördinerende en/of leidinggevende functie onder de tweede tuchtnorm valt, mits er sprake is van voldoende weerslag van het handelen of nalaten op de individuele gezondheidszorg. Met deze laatste eis moet voorkomen worden dat leidinggevende BIG-geregistreerden (te) snel worden aangesproken voor keuzes waarvoor zij in beginsel beleidsvrijheid hebben, ook al hebben die keuzes gevolgen voor de individuele gezondheidszorg.

 

Ten aanzien van het tweede oordeelt het college: “Het door klagers aan verweerder verweten niet adequate en niet zorgvuldige gedrag betreft immers gedrag dat weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Bovendien gaat het om gedragingen die in het algemeen ook op het terrein liggen waarop verweerder de deskundigheid bezit waarvoor hij (als arts) in het BIG-register als bedoeld in artikel 3 Wet BIG is ingeschreven; het gaat – kort samengevat – om dossiervoering, het bieden van verantwoorde zorg, waaronder patiëntveiligheid, protocollering, het adequaat reageren op incidenten en calamiteiten, het omgaan met nabestaanden van een in het (eigen) ziekenhuis overleden patiënt en het waarborgen van het beroepsgeheim. Het verweer van verweerder op dit punt slaagt dus niet.”

De klacht wordt zodoende ontvankelijk verklaard. Vervolgens komt het college toe aan inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen, waarbij het aan komt op de vraag “of verweerder […] al datgene heeft gedaan wat in de gegeven omstandigheden van hem op grond van zijn deskundigheid als arts in het belang van een goede uitoefening van gezondheidszorg verwacht mocht worden.” Het college beantwoord deze vraag positief en verklaart alle klachten ongegrond.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. Sofie Steen

sm.steen@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 800