Lopende DBC’s kunnen wèl worden verpand

20-11-2017

Op 17 november 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een geschil dat was ontstaan naar aanleiding van het faillissement van een instelling voor tweedelijns GGZ-zorg. Het geschil had betrekking op de vraag of nog niet afgeronde DBC’s in de faillissementsboedel vallen of door middel van verpanding voorafgaand aan het faillissement door een pandhouder kunnen worden uitgewonnen.

 

Better Life B.V. hield zich bezig met tweedelijns GGZ-zorg, met name op het gebied van ADHD-behandelingen. Better Life had een contract gesloten met Fa-med, aan wie zij het declareren van de verleende zorg had uitbesteed. Tegenover de verplichting van Fa-med om de te declareren omzet aan Better Life voor te financieren, had zij een pandrecht bedongen op alle nog niet afgeronde DBC’s. Toen Better Life failliet ging stelde de curator zich echter op het standpunt dat onderhanden DBC’s niet vatbaar zijn voor verpanding, omdat zij volgens de declaratieregels pas mogen worden gedeclareerd nadat het hele behandeltraject is voltooid en de DBC is afgesloten. De opbrengst van deze DBC's zou daarom uiteindelijk in de boedel moeten vallen. Partijen hebben over deze kwestie uiteindelijk tot aan de hoge Raad geprocedeerd.

 

In eerste aanleg gaf de rechtbank Fa-med gelijk. De rechtbank overwoog dat het DBC-systeem weliswaar regelt wat, hoe en wanneer er gedeclareerd mag worden, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat er wel al een vorderingsrecht ontstaat wanneer er een geneeskundige behandelingsovereenkomst is gesloten en ter uitvoering daarvan al enige werkzaamheden zijn verricht. Het feit dat de vorderingen dus nog niet gedeclareerd mogen worden, betekent niet dat zij ook nog niet kunnen zijn ontstaan.

 

Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en gaf de curator gelijk. Het hof overwoog dat de zorgdeclaraties voortkwamen uit een tussen Better Life en de zorgverzekeraars gesloten overeenkomst, waarin de voorwaarden waren geregeld waaronder Better Life aanspraak kon maken op betalingen van de zorgverzekeraars. In die overeenkomst was niet afgeweken van de regelgeving van de NZa met betrekking tot de wijze en het tijdstip van het in rekening brengen van DBC’s. Het hof was op basis hiervan van oordeel dat partijen de regelgeving van de NZa als het ware stilzwijgend tot onderdeel hadden gemaakt van hun contractuele afspraken. Better Life had op datum faillissement met betrekking tot de nog niet gesloten DBC’s niets van de zorgverzekeraars te vorderen, zodat er ook niets verpand had kunnen worden, aldus het Hof.

 

Fa-med stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft in die zaak nu uitspraak gedaan. De Hoge Raad heeft op zijn beurt het arrest van het Hof vernietigd. De Hoge Raad sluit zich in grote lijnen aan bij de overwegingen van de rechtbank. De Hoge Raad overweegt dat de overeenkomst tussen Better Life en de zorgverzekeraars geen ‘zorgovereenkomst’ was, waarbij de zorgverzekeraar in de plaats van de patiënt optreedt als debiteur van de declaratie. Er was slechts sprake van een ‘betaalovereenkomst’, op grond waarvan de patiënt formeel de debiteur blijft, ook al betaalt de zorgverzekeraar rechtstreeks aan de zorgaanbieder. In deze situatie dient dus gekeken te worden naar de afspraken die zijn gemaakt tussen zorgaanbieder en patiënt, in de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

 

De Hoge Raad concludeert dat de wetgever kennelijk bewust niet de mogelijkheid heeft uitgesloten dat, wanneer een behandeling nog niet is voltooid, tussentijds wel al een vordering op de patiënt kan ontstaan. Het is volgens de Hoge Raad dan ook redelijk dat, wanneer er al verrichtingen in het kader van de behandeling hebben plaatsgevonden die op zichzelf op geld waardeerbaar zijn, op dat moment al een vordering op de patiënt ontstaat. Die vordering is vervolgens ook vatbaar voor verpanding. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar een ander Hof voor verdere afdoening. Dit Hof zal moeten onderzoeken welke concrete verrichtingen in de geopende DBC’s al waren verricht, op de datum van het faillissement van Better life.

 

Deze uitspraak van de Hoge Raad betekent in elk geval dat de DBC-systematiek op zichzelf geen afbreuk doet aan de mogelijkheden voor zorginstellingen om externe financiering aan te trekken. Dat is terecht, aangezien de wetgever een dergelijk gevolg van het DBC-systeem nooit heeft beoogd. In het huidige zorgstelsel, waarin zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun voortbestaan, is de beschikbaarheid van externe financiering (waarbij doorgaans zekerheden zoals verpanding worden bedongen) bovendien van groot belang.

 

Dit belang zou overigens evenzeer aan de orde zijn in de situatie dat er, anders dan in deze zaak het geval was, wel een zorgovereenkomst is gesloten tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar.

 

klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad.   

 

Mr. Jurriaan Verduijn

gj.verduijn@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 813