Medisch beroepsgeheim na overlijden

01-08-2017

Het medisch beroepsgeheim zorgt na overlijden van een patiënt niet zelden voor lastige situaties tussen zorgaanbieders en de familie van de patiënt. In deze zaak vroegen de ouders van een door zelfdoding overleden (volwassen) dochter de (voormalig) behandelend ggz-instelling om het medisch dossier van hun dochter. De ouders twijfelden aan het handelen van de ggz-instelling, omdat de behandelend psychiater en een onafhankelijke psychiater vlak voor het overlijden van hun dochter nog oordeelden dat een gedwongen opname (op dat moment) niet geïndiceerd was.

 

Nadat de ggz-instelling afgifte van het dossier weigerde, verzochten de ouders de rechter om de instelling op straffe van een dwangsom te veroordelen het medisch dossier van hun dochter af te geven. Hoewel hun dochter bij leven geen toestemming had gegeven voor inzage in haar medisch dossier, moest volgens de ouders na haar overlijden worden aangenomen dat zij geen bezwaar tegen inzage of afgifte aan haar ouders zou hebben gehad. Ter onderbouwing van hun vordering wezen de ouders op de goede band die zij met hun dochter hadden, hun belang om de kosten van de uitvaart te kunnen claimen en de door hen ondervonden affectieschade.

 

Verweer

Als verweer voerde de ggz-instelling (o.a.) aan dat het medisch beroepsgeheim (artikel 7:457 BW) aan afgifte van het medisch dossier in de weg staat. Volgens de instelling eindigt het medisch beroepsgeheim niet na de dood van de patiënt, omdat voorkomen moet worden dat patiënten geen hulp zouden zoeken of informatie zouden achterhouden uit vrees voor openbaarmaking van hun gegevens na de dood. Daarnaast stelde de instelling dat (in dit geval) geen plaats was voor het aannemen van veronderstelde toestemming van de dochter, omdat daartoe onvoldoende concrete, eenduidige en consistente feiten en omstandigheden waren aangevoerd.

 

Beoordeling

De rechtbank oordeelde dat alleen onder uitzonderlijke omstandigheden aan kan worden genomen dat een overleden patiënt toestemming voor inzage in het medisch dossier zou hebben gegeven, en dat daar in deze kwestie geen sprake was. Een belangrijke reden daarvoor zag de rechter in het feit dat de dochter, in de fase waarin zij bij de ggz-instelling onder behandeling was, meerdere keren uitdrukkelijk bij haar behandelend psychiater had aangegeven dat zij niet wilde dat haar ouders bij haar behandeling betrokken zou worden. Volgens de rechtbank dient onder behandeling ook te worden verstaan dossiervoering, en impliceerde de wens van de dochter dat zij geen toestemming zou hebben gegeven voor inzage door haar ouders in het dossier. Ook oordeelde de rechter dat de ouders geen dragende feiten en omstandigheden aanvoerden, anders dan de goede band met hun dochter (op basis waarvan echter niet zomaar veronderstelde toestemming kan worden vastgesteld). Tot slot besloot de rechtbank dat de omstandigheid dat de ouders bij gebreke aan inzage in het medisch dossier met voor hen pijnlijke en moeilijke vragen blijven zitten, niet tot een ander oordeel mag leiden, omdat dat tot onzekerheid kan leiden bij patiënten die nu en in de toekomst een medische behandeling nodig hebben.

 

Conclusie

Uit deze uitspraak blijkt eens te meer dat de ‘drempel’ voor het aannemen van veronderstelde toestemming (na overlijden) voor inzage in een medisch dossier hoog ligt. Er moeten op zijn minst concrete (en dragende) feiten en omstandigheden worden aangevoerd op basis waarvan (onmiskenbaar) blijkt dat de patiënt in kwestie toestemming voor inzage in het medisch dossier zou hebben gegeven.

 

Mr. Sofie Steen

sm.steen@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 800