Niet-onderhandelbaar standaardcontract is toelaatbaar

22-10-2013

Veel zorgaanbieders zijn de laatste jaren geconfronteerd met niet-onderhandelbare standaardcontracten van zorgverzekeraars. Als een dergelijk “slikken-of-stikken” contract gepaard gaat met een verlaging van de tarieven, stuit dit in de regel op veel weerstand. Regelmatig vragen zorgaanbieders zich dan af of de inkoopmacht van de zorgverzekeraars in combinatie met de onwil om inhoudelijk te onderhandelen, niet in strijd is met het mededingingsrecht.

 

Op grond van de wet bestaat er geen individuele onderhandelingsplicht voor de zorgverzekeraar met het oog op het aangaan van contracten met de zorgaanbieders. De Hoge Raad heeft op 8 april 2005 (zie ECLI:NL:HR:AS2706) reeds een arrest gewezen, waarin is geoordeeld, dat noch de algemene beginselen van het verbintenissenrecht noch het mededingingsrecht of de in 2003 geldende zorgwetgeving er op zichzelf aan in de weg hoefden te staan dat een ziektekostenverzekeraar een groep zorgaanbieders een niet-onderhandelbaar aanbod deed.

 

Ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft in een uitspraak van 24 november 2009 (zie ECLI:NL:CBB:2009:BK5722), samengevat geoordeeld, dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (thans Autoriteit Consument & Markt) naar aanleiding van een klacht van de Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten tegen zorgverzekeraar Menzis zonder nader onderzoek heeft mogen concluderen dat de enkele aanbieding van een niet-onderhandelbaar standaardcontract onvoldoende aanwijzing opleverde voor een verstoring van de markt voor mondhygiënische zorg. Slechts bijkomende omstandigheden hadden ertoe kunnen leiden dat nader onderzoek noodzakelijk werd.

 

Dat het doen van een niet-onderhandelbaar aanbod door een ziektekostenverzekeraar aan een of meer zorgaanbieders in beginsel toelaatbaar is, is op 1 oktober 2013 nogmaals bevestigd door het CBB (ECLI:NL:CBB:2013:180). Twee huisartsen uit Castricum (Noord-Holland) hadden de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) verzocht maatregelen te treffen tegen UVIT (een combinatie van zorgverzekeraars), vanwege de herhaalde weigering van UVIT met hen in gesprek te gaan, en/of te onderhandelen over huisartsgeneeskundige ontwikkelingen en het eenzijdig aanbieden van een overeenkomst en de aankondiging van het stoppen van betalingen indien de overeenkomst niet zou worden ondertekend. De huisartsen waren van mening dat UVIT over aanmerkelijke marktmacht (AMM) beschikt en dat zij haar machtspositie jegens hen heeft misbruikt.

 

Nadat de NZa, onder verwijzing naar haar prioriteringsbeleid ter uitvoering van de artikelen 48 en 49 Wet marktordening gezondheidszorg, dat is neergelegd in de Beleidsregel Aanmerkelijke Marktmacht in de zorg, weigerde om een onderzoek naar UVIT te starten, waren de huisartsen in hoger beroep gegaan bij het CBB. Het CBB bekrachtigde het besluit van de NZa en overwoog daarbij dat uitgaande van de leidende rol die de wetgever de zorgverzekeraar bij de inkoop van zorg heeft toebedacht, deze bij zijn aanbod aan de zorgaanbieder desgewenst mag uitgaan van een standaardpakket dat hij de consument wil aanbieden. De zorgaanbieder kan dit aanbod accepteren, maar gezien de in dit opzicht bestaande contractsvrijheid, ook weigeren.
 

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868