Niet zwanger, toch zwanger; klacht eerst gegrond, later ongegrond

02-03-2015

Een vrouw, moeder van vier kinderen, meldt zich bij de huisarts. Zij is twee maanden over tijd, denkt zwanger te zijn en als dat zo is, dan wil zij een abortus. De huisarts laat een hcg-test (zwangerschapstest) uitvoeren door de assistente. Deze blijkt negatief, althans geeft de assistente dat door aan de arts, die op zijn beurt dat aan de vrouw laat weten. Voorts zegt de arts dat het uitblijven van de menstruatie andere oorzaken kan hebben. Later blijkt de vrouw toch zwanger, op dat moment al 26 weken. Abortus was niet meer aan de orde. De vrouw heeft de zwangerschap voldragen en is bevallen.
       
De vrouw dient een klacht in tegen de arts bij de tuchtrechter. Zij verwijt de arts onzorgvuldig handelen door een onjuiste en/of onvolledige diagnose te stellen.

 

Het Regionaal Tuchtcollege overweegt: .

'Nu klaagster, die destijds al vier kinderen had, zowel bij haar bezoek aan de arts op 6 juni 2012 als in het telefoongesprek met de assistente op 4 juni 2012 heeft gezegd dat zij dacht zwanger te zijn en een eventuele zwangerschap te willen afbreken door middel van abortus, zou een eventuele onterechte negatieve uitslag van de zwangerschapstest zeer ernstige gevolgen voor klaagster kunnen hebben. Daarom had de arts naar het oordeel van het College niet mogen volstaan met het uitvoeren van de zwangerschapstest. Een lege artis uitgevoerde zwangerschapstest in een monster van de eerste ochtendurine kent een betrouwbaarheidspercentage van 99%. Het valt niet uit te sluiten dat de omstandigheden waaronder de test bij klaagster is afgenomen en uitgevoerd tot een (veel) lager betrouwbaarheidspercentage heeft geleid. De arts had in dit geval lichamelijk onderzoek (vaginaal toucher) bij klaagster moeten verrichten. Daarbij had hij de zwangerschap, gelet op de duur ervan, kunnen voelen. In geval van twijfel over het al dan niet zwanger zijn van klaagster had de arts ervoor moeten kiezen klaagster door te sturen naar een gynaecoloog of verloskundige. Een andere mogelijkheid zou zijn geweest dat de arts op korte termijn, dat wil zeggen binnen enkele dagen, een nieuw consult met klaagster had ingepland. Dan had de zwangerschapstest herhaald kunnen worden.

Het verweer van de arts dat klaagster tegenover hem geen uitlatingen deed die erop wezen dat de uitslag van de zwangerschapstest niet zou kloppen, in welk geval hij wel aanvullend onderzoek zou hebben verricht, verwerpt het College. Klaagster heeft reeds voordat de uitslag van de zwangerschapstest bekend was voldoende zwaarwegende factoren kenbaar gemaakt die, ongeacht de reactie van klaagster op de negatieve zwangerschapstest, aanleiding hadden moeten geven tot het doen van lichamelijk onderzoek of het maken van een nieuwe afspraak op korte termijn.
 

De arts heeft vervolgens als verweer aangevoerd dat hij klaagster heeft aangegeven dat zij bij het uitblijven van haar menstruatie over een maand terug moest komen. Klaagster ontkent dat dit haar is gezegd. De vraag of dit al dan niet gezegd is, is voor het oordeel van het College niet doorslaggevend. Zelfs al zou de arts dit tegen klaagster hebben gezegd dan acht het College dit advies in de gegeven omstandigheden niet juist. Als een maand na het eerste consult alsnog zou blijken dat klaagster zwanger zou zijn, dan zou zij alsnog een abortus hebben moeten ondergaan. Door een maand te wachten zou de zwangerschap reeds in een verder gevorderd stadium zijn, hetgeen een abortus meer belastend zo niet onmogelijk zou hebben gemaakt.'

 

Het Regionaal Tuchtcollege legt aan de arts een waarschuwing op.

 

Het Centraal Tuchtcollege ziet het echter anders en overweegt:

 

'Uit het relaas van de  huisarts, de notities in het huisartsenjournaal en de logginggegevens, tegenover de enkele betwisting door klaagster, blijkt genoegzaam dat de huisarts klaagster op 6 juni 2012 heeft geadviseerd een maand af te wachten en terug te komen als de menstruatie zou uitblijven.
Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat een huisarts in het algemeen mag afgaan op de uitslag van een hcg-test aangezien deze test als 99% betrouwbaar wordt gezien. Bijzondere omstandigheden kunnen voor een huisarts aanleiding vormen om te besluiten tot het verrichten van nader onderzoek. Het doorsturen naar een gynaecoloog of verloskundige is bij een negatieve uitslag van een hcg-test in beginsel niet aangewezen.
In het onderhavige geval was op 6 juni 2012 sprake van een negatieve uitslag van de hcg-test. Dat er redenen waren om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de test is niet gebleken. Er waren voorts geen bijzondere omstandigheden aan de orde op grond waarvan de huisarts nader onderzoek had moeten verrichten bij klaagster, laat staan dat hij klaagster had moeten doorsturen naar een gynaecoloog of verloskundige. Dat klaagster reeds vier kinderen had en een abortus wenste als zij zwanger zou zijn maakt dit niet anders: de uitslag van de hcg-test wees er immers niet op dat klaagster zwanger was. De huisarts heeft vervolgens juist en zorgvuldig gehandeld met zijn advies aan klaagster om het een maand aan te zien en terug te komen als de menstruatie zou uitblijven. Dat klaagster niet naar dit advies heeft gehandeld, kan de huisarts niet worden verweten.

 

Het Centraal Tuchtcollege is dan ook van oordeel dat de huisarts, gegeven de omstandigheden, zorgvuldig heeft gehandeld, niet in de zorg ten opzichte van klaagster is tekort geschoten en dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Het beroep van de huisarts wordt gegrond verklaard en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege wordt vernietigd.'

 

Lees hier de gehele uitspraak.

 

Mr. Ernst de Jong

ejc.dejong@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 818