Ondernemers en rechtsvorm: eens gekozen, blijft gekozen.

08-01-2018

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft onderzoek gedaan naar de belastingdruk van degenen die voor de inkomstenbelasting (ib) als ondernemers kwalificeren (ib‐ondernemers) en directeur‐grootaandeelhouders (dga’s), op basis van gegevens tussen 2007 en 2014. In december 2017 zijn de resultaten in een Policy Brief gepubliceerd. De Policy Brief geeft onder meer interessante inzichten in de motieven die aan de keuze voor een bepaalde rechtsvorm ten grondslag liggen. Een van de conclusies: de eerste keuze voor een rechtsvorm lijkt veelal de definitieve.

 

In de Policy Brief zijn de volgende conclusies gepresenteerd:

 

  • ib‐ondernemers en dga’s en hun ondernemingen zijn heel verschillend. Dga’s zijn vaker man en gemiddeld ouder dan ib‐ondernemers. De persoonlijkheidskenmerken van beide typen ondernemers verschillen en de ondernemingen zijn veelal in verschillende sectoren actief. In de financiële dienstverlening en de zakelijke dienstverlening is een bv de standaard rechtsvorm terwijl dat in sectoren als de landbouw, zorg, cultuur en sport juist niet het geval is. Daarnaast is het gemiddeld inkomen van dga’s een stuk hoger dan dat van ib‐ondernemers;

 

  • er zijn veel factoren die de keuze voor de rechtsvorm bepalen. Een bv is aantrekkelijk vanwege de beperkte persoonlijke aansprakelijkheid. Daarom kiezen bijna alle ondernemingen in de financiële dienstverlening voor deze rechtsvorm. De regels over bedrijfsopvolging en ‐beëindiging zijn ook verschillend, wat een reden kan zijn om voor een bepaalde rechtsvorm te kiezen. Bij een bv is het vaak eenvoudiger om belastingheffing in box 2 over de tijd uit te smeren of uit te stellen. De oprichtingskosten en jaarlijkse kosten van een bv zijn hoger dan die van een ib‐onderneming. Ook de opbouw van een pensioen kon in het verleden reden zijn om voor een bv te kiezen. Daarnaast is er een aantal fiscale faciliteiten waardoor voor lage winstinkomens het ib‐stelsel aantrekkelijk is en voor hoge inkomens de vennootschapsbelasting bij de bv. Een precieze grens is niet te trekken en is zeer afhankelijk van onder andere de (gewenste) hoogte van de uitkering van de winst en de hoogte van het gebruikelijk loon;

 

  • de verschillen in belastingdruk en netto inkomen zijn vaak geen reden om van rechtsvorm te wisselen. De eerste keuze lijkt veelal de definitieve. Dat kan ook komen omdat in de jaren tussen 2007 en 2014 de verschillen in belastingdruk tussen dga’s en ib‐ondernemers min of meer constant zijn gebleven. Alleen voor hogere winstinkomens vanaf 75 duizend euro switchen meer ib‐ondernemers naar een bv, maar zelfs dat aantal is beperkt in het licht van het fiscale voordeel. Het CPB vond wel een sterke gedragsprikkel bij dividenduitkeringen in de jaren 2007‐2014. In die jaren is het box 2‐tarief tijdelijk 22% in plaats van 25% en dan keert de dga vanuit de bv veel meer dividend uit aan zichzelf.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845