Opzegging zorgovereenkomst met woonruimte: geen huurbescherming, gewichtige redenen vereist.

14-10-2012

Op 16 mei 2012 heeft de Voorzieningenrechter te Utrecht geoordeeld over de opzegging van een overeenkomst door een zorginstelling met een van haar cliënten (hierna: eiseres). De overeenkomst had betrekking op geïndiceerde ABWZ-zorg met gebruikmaking van een chalet op het terrein van de zorginstelling. Omdat eisers zich al enige tijd had schuldig gemaakt aan wangedrag en vervolgens door de politie wegens diefstal(len) op het zorgterrein werd aangehouden, heeft de zorginstelling eiseres per direct de toegang tot het chalet ontzegd en de overeenkomst met inachtneming van één maand opgezegd. In kort geding heeft eisers deze ontzegging en opzegging aangevochten.

 

De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een gemengde overeenkomst, waarbij zowel woonruimte als diensten en goederen — samen aangeduid als “zorg” — werden verstrekt en voorts, dat deze zorg (slechts) werden verstrekt op basis van een indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg in het kader van benodigde AWBZ-zorg. Aldus overheerst het verzorgingselement in de tussen partijen bestaande gemengde overeenkomst en zijn om die reden de huurbeschermingsbepalingen niet van toepassing. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat een zorgovereenkomst (inclusief de woonvoorziening) slechts opzegbaar is indien daarvoor gewichtige redenen bestaan. De zorginstelling dient bovendien bij de (aanloop naar de) opzegging de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen.

 

De voorzieningenrechter oordeelt dat voor de opzegging voldoende gewichtige redenen bestonden. In dit verband is van belang dat de zorginstelling gedurende een aantal jaren de benodigde zorg aan eiseres heeft aangeboden en zich daarbij ook voldoende heeft ingespannen eiseres te bewegen om die zorg te ontvangen. Eiseres heeft die zorg echter (onvoldoende) aanvaard. Met inachtneming van bovendien het wangedrag van eiseres (waaronder overlast, vervuiling en mogelijk diefstal) is de opzegging dan ook rechtsgeldig geweest.

 

Voorts oordeelt de voorzieningenrechter dat de zorginstelling voldoende zorgvuldig is geweest door eiseres passende zorgalternatieven aan te bieden en te waarschuwen voor de consequenties van het wangedrag van eiseres. Wel vindt de voorzieningenrechter de gehanteerde opzegtermijn van een maand te kort om ervoor te zorgen dat er na de beëindiging van de zorg door de zorginstelling aansluitend andere passende zorg voor eiseres beschikbaar is. Daarvoor vindt de voorzieningenrechter van belang dat partijen de maand (mede) hebben benut om te spreken over het voorkomen van een beëindiging van de zorgovereenkomst waardoor eiseres zich nog niet heeft verdiept, dan wel heeft kunnen verdiepen in het regelen van andere zorg en voorts, dat de door de zorginstelling genoemde zorgalternatieven aan eiseres zijn aangeboden in een periode dat de beëindiging van de zorgovereenkomst nog niet (concreet) aan de orde was. De opzegtermijn dient derhalve te worden verlengd met zes weken. Een terugkeer van eiseres naar het chalet vindt de voorzieningenrechter niet verantwoord.

 

Vindplaats uitspraak: NJF 2012/297.

 


 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845