Raad van State laat bevel tegen tandarts in stand

28-02-2012

De Raad van State heeft het beroep van een tandarts tegen een door de Inspecteur voor de Gezondheidszorg afgegeven bevel ongegrond verklaard. Bij besluit van 26 augustus 2009 had de Inspecteur aan de tandarts het bevel gegeven om met onmiddellijke ingang de praktijkvoering als tandarts te staken en gestaakt te houden totdat uit inspectieonderzoek zou zijn gebleken dat voor de praktijkvoering in het algemeen en de praktijkhygiëne in het bijzonder werd voldaan aan de vigerende beroepsnormen. Voorts heeft de Inspecteur dit bevel openbaar gemaakt.Op 26 augustus 2009 had de Inspecteur naar aanleiding van een melding onaangekondigd een onderzoek ingesteld in de tandartspraktijk van de tandarts, die op dat moment in Spanje verbleef, ter beoordeling, of deze praktijk voldeed aan de voorwaarden van verantwoorde zorg. Tijdens dit onderzoek heeft de Inspecteur een aantal tekortkomingen in de praktijkvoering geconstateerd, die een ernstig gevaar vormen voor de patiëntveiligheid. Daarop heeft de Inspecteur heeft het bevel gegeven.

 

Op 30 oktober 2009 heeft de inspecteur na visitatiebezoeken op 10 oktober 2009 en 14 oktober 2009, waaruit was gebleken dat de praktijk van de tandarts weer verantwoorde zorg kon leveren, het bevel opgeheven.

 

De tandarts heeft bezwaar gemaakt tegen het bevel en tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank, maar tevergeefs. Vervolgens wendde de tandarts zich tot de Raad van State. De tandarts betoogt daar dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur zich op het standpunt kon stellen dat het nemen van maatregelen spoedeisend was en hij op grond daarvan in redelijkheid kon overgaan tot directe sluiting van de praktijk. Hij voert daartoe aan dat de praktijk reeds was gesloten, eventuele afspraken konden worden afgezegd en een gedeelte van de geconstateerde tekortkomingen op korte termijn kon worden verholpen, zodat geen spoedeisend belang aanwezig was op grond waarvan tot directe sluiting kon worden overgegaan en het sluitingsbevel derhalve niet proportioneel was. Als hem een termijn als bedoeld in artikel 87a van de Wet BIG was gegund, had hij verbeteringen kunnen aanbrengen.

 

De tandarts wijst erop dat in een ander, volgens hem vergelijkbaar geval, dat Tandzorg Assen BV betrof, de tandarts conform vast beleid van de Inspecteur de mogelijkheid heeft gekregen om de praktijkvoering te verbeteren. Nu de situatie niet spoedeisend was, was er volgens de tandarts ook geen aanleiding voor de Inspecteur om de afwijkende procedure van artikel 17 van de Leidraad te volgen en van horen af te zien. Voor zover het met hem gevoerde telefoongesprek moet worden aangemerkt als horen, is hem in dat gesprek in ieder geval geen aanbod van een vrijwillige beroepsbeperkende maatregel gedaan, aldus de tandarts.

 

De Raad van State overweegt vervolgens:

Bij het onderzoek in de tandartspraktijk van de tandarts op 26 augustus 2009 heeft de inspecteur tekortkomingen in de infectiepreventie geconstateerd. [appellant] heeft deze constatering niet bestreden. Naar het oordeel van de inspecteur hielden die tekortkomingen een ernstig gevaar in voor de patiëntveiligheid, waardoor geen verantwoorde zorg als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet BIG kon worden geleverd.

 

De inspecteur heeft tijdens dit onderzoek telefonisch gesproken met [appellant]. Niet is gebleken dat [appellant] in dat gesprek zijn zienswijze niet naar voren heeft kunnen brengen. In het inspectierapport van 13 november 2009 is vermeld dat de inspecteur tijdens dat gesprek het aanbod heeft gedaan voor een afspraak over een vrijwillige tijdelijke beroepsbeperkende maatregel. Het aanbod strekte er volgens het inspectierapport toe dat de inspecteur tot 31 augustus 2009 zou wachten met het geven van een bevel in het kader van artikel 87a van de Wet BIG, op voorwaarde dat in de tussentijd geen patiënten in de praktijk zouden worden behandeld. De geplande afspraken van de patiënten van de mondhygiënist op 26 augustus en van de patiënten van de waarnemend tandarts op 28 augustus 2009 zouden moeten worden afgezegd. De rechtbank heeft in de enkele ontkenning van [appellant] terecht geen grond gevonden om aan te nemen dat, anders dan in het inspectierapport is vermeld, het aanbod niet is gedaan. [appellant] heeft dit aanbod voor een vrijwillige tijdelijke beroepsbeperkende maatregel volgens het inspectierapport niet aanvaard.

 

Gelet op het directe besmettingsgevaar en de afspraken met patiënten die bij de mondhygiënist op diezelfde dag en bij de waarnemend tandarts op 28 augustus 2009 stonden gepland, kon de inspecteur zich op het standpunt stellen dat directe sluiting van de praktijk noodzakelijk was. [appellant] heeft niet toegelicht waarom de sluiting van Tandzorg Assen BV een vergelijkbaar geval betrof, zodat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds daarom niet kan slagen.

 

Voorts kon de inspecteur wegens de noodzaak tot directe sluiting afwijken van de gangbare procedure als beschreven in artikel 17 van de Leidraad en hoefde het horen, voor zover al niet gebeurd in het eerdere telefonische onderhoud, niet te worden uitgesteld totdat [appellant] op 31 augustus 2009 in Nederland was teruggekeerd.

Derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de inspecteur in redelijkheid het bevel tot directe sluiting van de tandartspraktijk kon geven.

Het betoog faalt.

 

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inspecteur het sluitingsbevel openbaar kon maken. Hij voert daartoe aan dat dit een disproportionele maatregel is geweest, omdat de patiëntveiligheid niet in gevaar was, de tekortkomingen konden worden opgeheven en het sluitingsbevel tot omzetschade heeft geleid. Ook voert hij aan dat hij door de openbaarmaking van het sluitingsbevel in zijn goede naam is aangetast, alsmede dat het bevel een sanctie met een punitief karakter is waarvoor de wettelijke basis ontbreekt en dat derhalve in strijd is met artikel 6, tweede lid, van het EVRM.

 

2.4.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201002051/1/H3 overweegt de Afdeling dat het sluitingsbevel een bevoegd genomen besluit is in het kader van een aan de inspecteur door de wetgever toegekende taak om toezicht te houden op de naleving van regelgeving en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding van die regelgeving. In het kader van deze toezichthoudende taak past dat sluitingsbevelen worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak.

Ook in het geval van spontane openbaarmaking is echter een nadere afweging van belangen geboden. Deze nadere afweging houdt in dit geval in dat het algemene belang dat door openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van [appellant] geen onevenredige nadeel te lijden als gevolg van de openbaarmaking, waarbij aan het algemeen belang om bovengemelde reden een groot gewicht moet worden toegekend. Van een onevenredige benadeling zal in een geval als het onderhavige naar het oordeel van de Afdeling sprake kunnen zijn als het sluitingsbevel in rechte geen stand houdt en derhalve ten onrechte publiekelijk kenbaar is gemaakt dat tekortkomingen in de infectiepreventie zijn geconstateerd die een ernstig gevaar voor de patiëntveiligheid inhouden. Of sprake is van onevenredige benadeling hangt dan af van een oordeel over de rechtmatigheid van het sluitingsbevel.

 

Zoals onder 2.3.1 is overwogen, is het sluitingsbevel rechtmatig gegeven wegens ernstige tekortkomingen die kunnen leiden tot besmettingsgevaar bij patiënten, zodat reeds daarom van onevenredige benadeling in dit geval geen sprake is.

 

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de openbaarmaking van het sluitingsbevel nodig is om patiënten en collega-tandartsen over de sluiting te informeren, onder meer in verband met het ontbreken van spoedvoorzieningen. Daarmee heeft de openbaarmaking een informatief karakter voor patiënten en collega-tandartsen en is het geen sanctie met een punitief karakter, zodat artikel 6, tweede lid, van het EVRM hier toepassing mist.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. Ernst de Jong

ejc.dejong@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 818