Reanimeren, of toch maar niet?

29-09-2017

Een verpleegkundige heeft de zorg voor een patiënt met uitgezaaide darmkanker. De behandeling van de patiënt is steeds gericht op genezing. Er was geen behandelbeperking, maar juist een volledig (reanimatie-)beleid afgesproken.
Tijdens een avonddienst collabeert de patiënt op de postoel. De verpleegkundige roept haar collega’s om hulp. De te hulp gesnelde collega’s vragen de verpleegkundige of patiënt gereanimeerd moet worden, waarop ontkennend wordt geantwoord. De patiënt wordt in bed geholpen en overlijdt korte tijd later.

 

De IGZ klaagt. De verpleegkundige verweert zich met de stelling dat reanimatie niet zinvol was en er slechts toe zou leiden dat de patiënt door aspiratie van sondevoeding op een verschrikkelijke wijze zou overlijden.

De verpleegkundige erkende willens en wetens in strijd te hebben gehandeld met de afspraken in het medisch dossier en daarmee ook in strijd met de geldende protocollen en richtlijnen.

 

Het tuchtcollege stelt vast dat er voor de verpleegkundige geen enkele reden was om niet te reanimeren. Het nalaten om over te gaan tot reanimatie wordt de verpleegkundige zwaar aangerekend, nu zij de patiënt daarmee iedere kans op overleven heeft ontnomen. De verpleegkundige heeft geen arts geraadpleegd, ook niet achteraf. Het was, aldus het tuchtcollege, niet aan de verpleegkundige om zelfstandig en zonder enig overleg af te wijken van het met de patiënt afgesproken behandelbeleid.

 

De verpleegkundige heeft door haar eigenmachtig optreden de grenzen van haar bevoegdheid als verpleegkundige ver overschreden, aldus het tuchtcollege.

Het tuchtcollege acht de kans op herhaling zeer groot en komt tot de conclusie dat (toekomstige) patiënten beschermd moeten worden.

 

Nu de verpleegkundige ook haar collega’s onjuist over het reanimatiebeleid heeft geïnformeerd en slechts zeer summier aantekeningen in het medisch dossier heeft gemaakt, terwijl zij op geen enkele wijze enige mate van zelfreflectie heeft getoond, gaat het tuchtcollege over tot het opleggen van de meest ultieme maatregel, te weten doorhaling van de inschrijving in het BIG-register.

Door deze maatregel mag de aangeklaagde de beschermde beroepstitel van verpleegkundige niet meer voeren en ook niet meer als zodanig werkzaam zijn.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat een medisch beoefenaar zich er steeds van bewust moet zijn binnen zijn of haar toekomende bevoegdheden en bekwaamheden te handelen en dat het (ver) overschrijden daarvan tot (ernstige) tuchtrechtelijke consequenties kan leiden.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 871