Schade regelen onder opschortende voorwaarde

22-06-2015

In sommige (letselschade-)zaken treffen partijen een regeling waarbij een voorbehoud wordt gemaakt voor onzekere, toekomstige schade.

 

In een zaak die bij het Hof Den Bosch speelde was een 19-jarige, eerstejaars tandheelkundestudent in 1980 betrokken geraakt bij een verkeersongeval waarbij hij letsel opliep aan de rechterknie. Aansprakelijkheid werd door de verzekeraar erkend. Partijen sloten vervolgens in 1985 een vaststellingsovereenkomst, waarbij kwijting werd verleend. Van de kwijting werden echter uitgezonderd de financiële gevolgen die zouden voortvloeien uit een belangrijke afwijking ten opzichte van de situatie zoals die in 1982 door een medisch deskundige was vastgesteld. Nadat de inmiddels afgestudeerde en als tandarts praktiserend benadeelde in 2007 toenemende knieklachten had gekregen en door zijn AOV-verzekeraar voor 25-35% arbeidsongeschikt was verklaard, meldde de tandarts zich in 2008 via zijn advocaat bij de verzekeraar met een beroep op de opschortende voorwaarde in de vaststellingsovereenkomst. Er ontstond vervolgens een discussie tussen partijen over de vraag of de vordering van de tandarts was verjaard op grond van de zogeheten 20-jaarstermijn van art. 3:307 lid 2 BW. Dit artikel bepaalt dat een vordering tot nakoming van een verbintenis ‘in elk geval’ verjaart door verloop van 20 jaar na aanvang van de dag waarop de vordering ‘op zijn vroegst’ kan worden opgeëist. Volgens het hof volgt uit de Parlementaire Geschiedenis van art. 3:307 BW dat de vervulling van de opschortende voorwaarden niet alleen bepalend is voor de opeisbaarheid van de vordering, maar ook voor de aanvang van de 20-jaarstermijn. Op grond van de vaststellingsovereenkomst en het daarin opgenomen voorbehoud is de 20-jaarstermijn volgens het hof gaan lopen vanaf de dag dat de tandarts in 2007 bekend werd met de schade. Eerst op dat moment was de vordering voor de tandarts ‘op zijn vroegst opeisbaar’. Deze uitspraak laat zien dat het niet alleen van belang is om een voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst nauwkeurig te formuleren, maar het evenzeer van belang is om te bewaken wanneer de verjaringstermijn gaat lopen en wanneer dus actie moet worden ondernomen. Dit speelt zeker in oude (en vaak inmiddels gearchiveerde) zaken.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 871