Schadevergoeding na een (verkeers)ongeval

21-06-2017

Als je slachtoffer bent geworden van een (verkeers)ongeval, waarvoor de andere partij aansprakelijk is, dient alle met dat ongeval samenhangende schade te worden vergoed. Dat betekent dat je niet alleen een vergoeding voor immateriƫle schade (smartengeld) ontvangt, maar ook een vergoeding voor alle materiƫle schades, waaronder bijvoorbeeld de schade vanwege het niet meer (volledig) kunnen werken, de kosten van huishoudelijke hulp en kosten van (para)medische hulp (denk aan fysiotherapie).

 

Soms is tussen slachtoffer en veroorzaker van het ongeval in geschil, hoe de schade geduid moet worden. Dat kan namelijk gevolgen hebben voor de vraag of en in hoeverre de schade wel vergoed moet worden. Een voorbeeld hiervan is een recente uitspraak van 6 juni 2017 van de Rechtbank Den Haag. Het volgende was aan de hand.

 

Een alleenstaande vrouw, zonder kinderen, werd op haar fiets geschept door een bij Univé verzekerde auto met aanhangwagen. Zij liep blijvend letsel op. Univé heeft aansprakelijkheid erkend.

 

Nu is deze vrouw geboren en getogen en overigens nog steeds woonachtig op een boerderij, die zij zelfstandig exploiteert. Het gaat om een boerderij van 6 hectare weiland met gebouwen, 8 koeien, 35 geiten, 7 schapen, 50 kippen, 40 Kaapse loopeenden en een groentetuin. De boerderij heeft geen economische opbrengst, behoudens voor eigen gebruik. Sinds het ongeval is zij niet meer in staat zelfstandig de boerderij te exploiteren. Zij heeft hulp ingeschakeld van een bekende uit haar netwerk, een man van 78 jaar oud, die haar ongeveer 20 uur per week helpt tegen een vergoeding van € 8,50 per uur (ongeveer € 8.000 per jaar).

 

In geschil is of de kosten van inschakeling van deze man gekwalificeerd moeten worden als zuivere vermogensschade, zoals het slachtoffer stelt, dan wel als ander nadeel, zoals Univé stelt. Het onderscheid is belangrijk, aangezien deze schadecomponenten door andere regels worden beheerst, waarbij vermogensschade in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking komt, terwijl ander nadeel uitsluitend wordt vergoed voor zover dat billijk is.

 

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de kosten als vermogensschade dienen te worden gekwalificeerd. Het gaat om kosten ter beperking van de immateriële schade van het slachtoffer. De boerderij is haar levensdoel en de Rechtbank kan niet anders constateren dan dat de boerderij ten diepste en onlosmakelijk met haar verbonden is: zij ‘is’ de boerderij. Zij heeft haar zelfstandigheid gedeeltelijk moeten inleveren en ervaart het standpunt van Univé dat de boerderij in omvang zou moeten worden ingekrompen als een straf voor iets wat de veroorzaker van het ongeval haar heeft aangedaan.

 

Het slachtoffer moet de kosten van de extra hulp maken ter voorkoming van (verdere) geestelijke pijn vanwege het lichamelijk letsel. Op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder a, BW komen de desbetreffende kosten dan ook in beginsel (als vermogensschade) voor vergoeding in aanmerking.

 

Maar let op: de Rechtbank oordeelt verder dat dit tegelijkertijd meebrengt dat de hoogte van de door Univé als vermogensschade te vergoeden kosten begrensd is: de schade bestaande uit kosten ter beperking van immateriële schade kan uit haar aard niet de immateriële schade overstijgen. In zoverre doet de kwalificatie van de gestelde schade (vermogensschade of ander nadeel) voor de uitkomst van de vergoeding, die Univé moet voldoen, in dit geval dus helemaal niet ter zake.

 

Een uitspraak, die de kool en de geit spaart? Het slachtoffer ontvangt van Univé een bedrag van € 50.000.

 

Mr. Danielle Zwartjens

d.zwartjens@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 816