Spreken is zilver, maar is zwijgen voor de arts lijfsbehoud?

09-05-2018

Hoe gaat de tuchtrechter om met een klacht over schending van het beroepsgeheim?

 

Een verzekeringsarts heeft een spreekuurcontact met een ziekgemelde administratief medewerker.

In de uitnodiging voor een beoordeling van de re-integratie inspanningen (RIV-toets) en een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van de WIA staat onder meer dat de arts de medische klachten gaat bespreken.

De medewerker neemt zijn re-integratiecoach mee naar het spreekuur. De medewerker beklaagt zich na het gesprek bij de tuchtrechter. De klacht houdt in dat de verzekeringsarts haar beroepsgeheim heeft geschonden door zijn ziektebeeld – de HIV status – in het bijzijn van de begeleider te bespreken.

 

Het tuchtcollege stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:457 BW dient de hulpverlener ervoor te zorgen dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt worden verstrekt. Met het belang van geheimhouding mag niet lichtvaardig worden omgesprongen. De geheimhouding beoogt immers niet alleen de belangen van de patiënt te beschermen. Het dient ook het (algemeen) maatschappelijk belang van de toegankelijkheid van de zorg; een ieder moet zich vrijelijk tot hulpverleners kunnen wenden zonder ervoor beducht te hoeven zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens met derden worden gedeeld. Als één van de uitzonderingen op het beroepsgeheim geldt dat de patiënt toestemming heeft gegeven tot het verstrekken van gegevens aan anderen. De wet schrijft niet voor op welke wijze deze toestemming moet worden gegeven.

 

Vervolgens overweegt het tuchtcollege dat een medisch onderzoek zonder uitwisseling van medische gegevens niet goed denkbaar is. In het geval dat een patiënt iemand meeneemt naar een medisch onderzoek zal deze persoon deelgenoot worden van de uitwisseling van medische gegevens van die patiënt. Onder normale omstandigheden mag worden verondersteld dat de patiënt zich dit realiseert. Neemt de patiënt iemand mee naar het onderzoek dan mag in beginsel impliciete toestemming voor het delen van relevante medische gegevens worden aangenomen. Dit valt binnen de verantwoordelijkheid van de patiënt. Er bestaat geen tuchtrechtelijke norm om in die gevallen waarbij een patiënt een begeleider meeneemt naar een medisch onderzoek toestemming aan de patiënt te vragen voor het delen van medische informatie.

Alles afwegende komt het tuchtcollege tot de conclusie dat de verzekeringsarts uit mocht gaan van impliciete toestemming van de medewerker om diens ziektebeeld in het bijzijn van de begeleider te bespreken.

De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat wanneer een patiënt zich naar een consult laat vergezellen door een derde, zorgverleners zich bewust moeten zijn van het beroepsgeheim. Als een patiënt een derde meeneemt dan mag in het algemeen worden uitgegaan van impliciete of veronderstelde toestemming voor het uitwisselen van medische gegevens. Als een arts echter op safe wil spelen is het verstandig om voor aanvang van het consult expliciet aan de patiënt te vragen of hij/zij ermee instemt dat medische gegevens – zeker als dat gevoelige gegevens zijn – in het bijzijn van een begeleider worden besproken. Ook in dit opzicht is voorkomen beter dan genezen.

 

De uitspraak treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866