Terugkomen op toedracht: verzekeraar niet gebonden aan erkenning van aansprakelijkheid

23-04-2018

De Hoge Raad heeft op 20 april 2018 [1] het oordeel van het Gerechtshof Den Haag [2] dat Nationale-Nederlanden niet gebonden was aan een gedane erkenning van aansprakelijkheid in stand gelaten.

 

Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag. Een vrouw had letsel opgelopen aan haar linker pink. Zij stelde dat de verzekerde van Nationale-Nederlanden op het strand een balletje in haar richting had gegooid en dat bij het afweren het balletje tegen haar pink kwam, waardoor zij letsel aan de pink heeft opgelopen. De toedracht werd bevestigd door de verzekerde van Nationale-Nederlanden.

 

Nationale-Nederlanden heeft vervolgens op basis van de verklaringen zonder voorbehoud aansprakelijkheid voor het letsel erkend en een bedrag van € 23.174,20 als voorschot betaald. Nadien heeft de verzekerde verschillende tegenstrijdige verklaringen afgelegd - aan de politie, verzekeraar, onderzoekers van CED Forensic B.V. en tijdens de deelgeschilprocedure - en heeft de vrouw verklaard niet te hebben gezien wie het balletje gooide.

 

Het hof is van oordeel dat het onder de genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Nationale-Nederlanden aan haar aanvankelijke erkenning van aansprakelijkheid wordt gehouden.

 

Het oordeel dat een verzekeraar in de gegeven omstandigheden niet gebonden is aan een gedane erkenning van aansprakelijkheid wijkt af van het uitgangspunt dat het een aansprakelijkheidsverzekeraar niet vrij staat om terug te komen van een jegens een derde gedane erkenning dat zijn verzekerde jegens die derde aansprakelijk is.

 

Een verzekeraar is echter niet aan haar erkenning gebonden als komt vast te staan dat zij tot die erkenning is gekomen onder invloed van bedrog (artikel 3:44 BW), aangezien het dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij aan zijn erkenning wordt gehouden (zie Gerechtshof Den Haag 29 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2546).

 

Het cassatieberoep werd verworpen op grond van artikel 81 lid 1 RO [3].

 

 

[1] Hoge Raad, 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:646.

[2] Gerechtshof Den Haag, 12 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3604.

[3] De klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

 

Mr. Marjolijn Gregoor

ma.gregoor@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 824