Verantwoordelijkheid opleider en wijze van communiceren

05-01-2016

In een recente uitspraak van het RTC Amsterdam stond centraal (1) de verantwoordelijkheid van de opleider voor zijn opleideling en (2) de communicatie tussen huisarts en patiƫnt.

 

Klager werd met buikkampen in juni 2014 op een consult gezien door een huisarts die op dat moment bijna een jaar in opleiding was. Op dat moment werd gedacht aan een mogelijke buikgriep. Het vervolgbeleid besprak de opleideling met verweerder (lees: zijn opleider). Klager werd gerustgesteld en naar huis gestuurd.

 

Een dag later heeft klager de HAP en spoedeisende hulp bezocht, waarbij de diagnose blindedarmontsteking is gesteld. Klager is daarop geopereerd. Na thuiskomst uit het ziekenhuis heeft verweerder enkele malen getracht klager telefonisch te bereiken, zonder succes.

 

In de tuchtprocedure werd verweerder een drietal verwijten gemaakt: 1) verweerder is tijdens het consult niet persoonlijk naar klager komen kijken, 2) verweerder heeft onvoldoende toezicht gehouden op zijn opleideling en 3) verweerder heeft als huisarts na de ziekenhuisopname geen contact met klager opgenomen.

 

Volgens de geldende rechtsleer overweegt het college over de eerste twee klachtonderdelen:

"Bij de beoordeling van de vraag welke handelingen in welke fase van de opleiding overgelaten kunnen worden aan een (huis)arts in opleiding om verricht te worden onder het toeziend oog van de opleider, dan wel aan hem overgedragen kunnen worden, waarbij de opleider als achterwacht op afroep beschikbaar is, moet een doorslaggevende rol worden toegekend aan de inschatting die de opleider mag hebben van de ervaring en vaardigheid van de (huis)arts in opleiding. Een en ander heeft tot gevolg dat bij aanvang van de opleiding een aanzienlijk deel van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de arts in opleiding op de schouders van de opleider c.q. de supervisor drukt, terwijl naarmate er meer aan de (huis)arts in opleiding kan worden toevertrouwd de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid gaandeweg wordt gedeeld tussen opleider/supervisor en (huis)arts in opleiding (zie CTG 6 juni 2013, ECLI:NL:TGZCTG: 2013:YG 2967).

In het onderhavige geval had E gewerkt op de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis, was hij bijna een jaar werkzaam als huisarts in opleiding en deed hij zelfstandig consulten. Hij kon daarbij zo nodig zijn opleider raadplegen, zoals hij in dit geval ook heeft gedaan. Gebleken is dat verweerder en E -onder meer -  het vervolgbeleid ten aanzien van het beloop van klagers ziekte hebben besproken nog tijdens het consult, en dat dit beleid ook is uitgevoerd.

Naar het oordeel van het college was er op het moment van het consult onvoldoende reden voor verweerder om te twijfelen aan het handelen van E en was het, mede gezien het gesprek tussen hen beiden waarbij diens onderzoek, bevindingen en het vervolgbeleid zijn besproken, niet noodzakelijk om op het moment van het consult klager zelf te beoordelen. Ter zitting hebben klagers desgevraagd aangegeven dat zij daar zelf tijdens dit consult ook niet om hebben verzocht. Het vervolgbeleid – het telefonisch volgen van de toestand van klager - is uitgevoerd. Dit brengt met zich mee dat evenmin kan worden geoordeeld dat verweerder onvoldoende toezicht heeft gehouden op het handelen van E."

 

Wel is het college van oordeel dat de communicatie zijdens verweerder zeker geen schoonheidsprijs verdient. Verweerder had na de operatie meer en eerder aandacht aan klager moeten besteden, mogelijk met een huisbezoek. Het college acht het invoelbaar dat deze gang van zaken door klagers als teleurstellend werd ervaren. Maar deze attitude getuigt niet van een medisch tekortschieten, zodanig dat verweerder daarvan een tuchtrechtelijk verwijt zou zijn te maken.

 

Klik hier voor de uitspraak.


 

 

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862