Vergoeding positief contractsbelang bij afgebroken onderhandelingen afgewezen

09-02-2012

In zijn arrest van 7 februari 2012 heeft het Gerechtshof ‘s-Gravenhage (LJN: BV2877) de gevorderde vergoeding van het positef contractsbelang vanwege afgebroken onderhandelingen afgewezen.
Voor een dergelijke vergoeding dient sprake te zijn van uitzonderlijke omstandigheden. Die omstandigheden zijn niet gebleken.

 

In deze zaak gaat het om afgebroken onderhandelingen inzake een overeenkomst tot het bouwen van een website.

Appellant had op verzoek van de Stichting (een goede-doelen-stichting, die, zoals appellant bekend was, voor de financiering afhankelijk was van subsidies en sponsoring door derden) een definitieve offerte uitgebracht voor de bouw van de website. Na ontvangst van deze offerte heeft de Stichting per ommegaande per mail aan appellant bericht dat de Stichting het project aan financiers zou voorleggen en dat appellant op de hoogte zou worden gehouden van de ontwikkelingen.

 

Vervolgens heeft de Stichting aan appellant bericht dat de kans groot wordt geacht dat het een 'go' wordt en dat de donaties goed lopen. De voorzitter van de Stichting gaf als zijn inschatting dat de Stichting aan appellant zal gaan vragen rekening te houden met de bouw van de site in de periode september/oktober.

 

Toen de subsidie en financiering (grotendeels) rond waren heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen de Stichting, appellant, de beheerder van de website en de tekenaar. Vervolgens heeft de Stichting aan appellant bericht dat er twee gegadigden voor het bouwen van de site over waren, onder wie appellant. Uiteindelijk heeft de Stichting aan appellant laten weten dat de keuze op een ander was gevallen. Daarop heeft appellant een procedure tegen de Stichting aanhangig gemaakt en een schadevergoeding gevorderd ter hoogte van het geoffreerde bedrag minus de bespaarde kosten.

 

De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand was gekomen. Om deze reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het gevorderde offertebedrag toe te wijzen. Wel heeft de Stichting volgens de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van appellant en het mede door haar bij hem opgewekte vertrouwen op onaanvaardbare wijze beschaamd. Vaststaat dat appellant € 1.500,- aan kosten heeft gemaakt voor het maken en aanpassen van de offerte en het bijwonen van meetings. Dit bedrag wijst de rechtbank als vergoeding voor het "negatief contractsbelang" toe.

 

In hoger beroep klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat geen overeenkomst tot stand is gekomen. Het hof wijst de grief van appellant echter af en bekrachtigt het oordeel van de rechtbank. De omstandigheid dat de offerte (het aanbod) tot stand is gekomen na diverse besprekingen waarin tot in detail is gesproken over de uit te voeren werkzaamheden, waarna appellant een offerte heeft gemaakt met een zeer scherpe prijsstelling, doet niet af aan het feit dat het nog steeds (slechts) om een 'aanbod' ging (in de zin van artikel 6:217 BW), welk aanbod moet worden aanvaard wil een overeenkomst tot stand komen. Een aanvaarding door de Stichting van dit aanbod heeft niet uitdrukkelijk plaats gehad. 

 

Het hof volgt ook de stelling van appellent niet dat hij uit de gedragingen van de Stichting redelijkerwijs heeft mogen begrijpen (in de zin van artikel 3:35 BW) dat zijn offerte was aanvaard, onder voorbehoud van financiering. In dit verband acht het hof met name van belang dat:

1. voor partijen duidelijk was dat het project (de website) zonder financiering niet door kon gaan en dat (daarom) in de financieringsfase (vrijwel) alle aandacht daarop was gericht;

2. voor zowel de Stichting als voor appellant duidelijk was dat zijn offerte nodig was om als basis te dienen voor de aanvraag van subsidie;

3. de tekst van een bepaald e-mailbericht een aanwijzing vormt dat nog niet vast stond wie de site ging bouwen.

 

Op grond van voornoemde omstandigheden strandt de vordering van appellant tot vergoeding van het gestelde positief contractsbelang (gederfde winst). 

 

Toewijzing van een vordering tot vergoeding van het positief contractsbelang is uitzonderlijk. Ook het hof bevestigt dit uitdrukkelijk in zijn arrest: "slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is het afbreken van onderhandelingen dusdanig in strijd met het opgewekte vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen, dat het positieve contractsbelang vergoed dient te worden".

 

In dit verband zij ook verwezen naar het CBB/JPO-arrest van de Hoge Raad (12 augustus 2005, NJ 2005/467), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat “ieder van de onderhandelende partijen vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op basis van gerechtvaardigd vertrouwen onaanvaardbaar zou zijn. De Hoge Raad heeft benadrukt dat voor het aannemen van het rechtens relevante totstandkomingsvertrouwen “een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf” moet worden aangelegd. Een partij mag er derhalve niet lichtvaardig van uit gaan dat “enigerlei contract” uit de onderhandelingen zal resulteren. 
 

Klik hier voor de volledige uitspraak van het Gerechtshof 's-Gravenhage.

 

 

 

 

 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845