Verjaringsregime in asbestzaken niet in strijd met EVRM

30-03-2017

De Hoge Raad oordeelt in een richtinggevend arrest dat het verjaringsregime voor vorderingen van (nabestaanden van) slachtoffers van asbestblootstelling niet in strijd is met artikel 6 EVRM.

 

De ziekte mesothelioom, waarvan geen andere oorzaak bekend is dan blootstelling aan asbest, openbaart zich gemiddeld twintig tot veertig jaar na de blootstelling. Als de ziekte zich openbaart meer dan dertig jaar na de (laatste) asbestblootstelling, en de benadeelde schadevergoeding wenst, dan kan de aangesproken partij een beroep doen op verjaring (art. 3:310 lid 2 BW).

 

Volgens vaste jurisprudentie moet dan worden beoordeeld of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aan het beroep op verjaring in de weg staan. Voor de beoordeling van die vraag heeft de Hoge Raad een gezichtspuntencatalogus ontwikkeld in het arrest Van Hese/De Schelde (HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635).

 

Die gezichtspuntencatalogus staat centraal in de jurisprudentie op dit terrein. Daarnaast ontstond in de jurisprudentie discussie over de invloed van het arrest Moor/Zwitserland (EHRM 11 maart 2014, NJ 2016, 88) op het verjaringsregime. Het EHRM heeft daarin geoordeeld dat het verjaringsregime in Zwitserland in strijd is met artikel 6 EVRM. Het toegang tot het recht in de zin van artikel 6 EVRM was in Zwitserland geschonden doordat een werkgever jegens een asbestslachtoffer een beroep deed op de verstreken verjaringstermijn (in Zwitserland 10 jaar). Op grond van dat arrest van het EHRM werd namens asbestslachtoffers in Nederland ook betoogd dat de absolute verjaringstermijn van artikel 3:310 BW lid 2 in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM.

 

Die stelling heeft de Hoge Raad in het onderhavige arrest van de hand gewezen. Daarbij weegt de Hoge Raad mee:

 

  • de lange duur van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 2 BW (30 jaar)
  • het met de verjaring beoogde belangrijke doel van de rechtszekerheid;
  • de mogelijkheid om de verjaring met toepassing van art. 6:2 lid 2 BW op grond van de gezichtspuntencatalogus uit Van Hese/De Schelde buiten toepassing te laten.

 

Op grond van deze omstandigheden is het verjaringsregime in Nederland volgens de Hoge Raad verenigbaar met art. 6 lid 1 EVRM. Voorts bevestigt de Hoge Raad het belang van de gezichtspuntencatalogus. Ook in de toekomst zal de (on)redelijkheid van het beroep op verjaring in asbestzaken dus moeten worden beoordeeld aan de hand van de gezichtspuntencatalogus. Op basis van de gezichtspuntencatalogus oordeelt de Hoge Raad ten slotte dat het beroep op verjaring in deze zaak (45 jaar later) niet onaanvaardbaar is.