Vervolg strijd VGZ/Ciran: eigenbeslag doorkruist betalingsgebod.

10-01-2018

Op 15 december 2017 veroordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zorgverzekeraar VGZ in kort geding om uitstaande declaraties van zorginstelling Ciran te voldoen. Het hof stond bovendien niet toe dat VGZ deze betalingen zou opschorten of inhouden of zou verrekenen met eerder uitbetaalde zorggelden waarvan VGZ meende dat die ten onrechte zijn uitgekeerd, in ieder geval niet totdat daarover definitief in een bodemprocedure wordt beslist. Over deze uitspraak schreef ik eerder een bijdrage (zie link hieronder). Men zou denken dat deze veroordeling -versterkt met een dwangsom- tot betaling zou leiden. Eigenbeslag onder VGZ stak daar een stokje voor.

 

Eigenbeslag VGZ

Na de uitspraak van het hof diende VGZ een verzoek in bij de rechtbank voor het leggen van ‘eigen beslag’, ofwel beslag onder zichzelf voor al hetgeen VGZ aan Ciran verschuldigd zou zijn of worden, als zekerheidstelling voor tegenvorderingen van VGZ op Ciran. Dit verzoek werd ingewilligd, waardoor Ciran alsnog van betaling van openstaande declaraties verstoken bleef. Tegen de beslaglegging is Ciran opgekomen in (wederom) een kort geding waarin zij opheffing van het beslag heeft gevorderd. Volgens Ciran maakt VGZ misbruik van recht, nu het hof VGZ juist tot betaling had veroordeeld, zonder te mogen verrekenen, opschorten of inhouden.

 

Verrekening staat niet aan eigenbeslag in de weg

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de mogelijkheid van eigenbeslag in de wet is voorzien voor gevallen waarin –zoals hier- de beslaglegger geen mogelijkheid tot verrekening heeft. Op zichzelf beschouwd is eigenbeslag dus een gerechtvaardigd middel om de voldoening van een vordering -in dit geval van VGZ op Ciran- veilig te stellen.

 

Geen misbruik van recht

De vraag of al dan niet sprake is van misbruik van recht, beantwoordt de voorzieningenrechter door uitleg van de uitspraak van het hof. Ofwel: laat die uitspraak nog ruimte over voor beslaglegging, ondanks het verbod op inhouding, opschorting en verrekening?

 

Volgens de voorzieningenrechter doet het hof met zijn oordeel het feitelijk zekerheidsrecht van VGZ op opschorting en verrekening teniet, waardoor in wezen het ondernemersrisico van Ciran -waaronder een zeer concreet risico van insolventie- tot de verantwoordelijkheid en het risico van VGZ wordt gemaakt. Dit oordeel is volgens de voorzieningenrechter in het licht van de staande jurisprudentie van de Hoge Raad zo uitzonderlijk, dat bij de uitleg van de uitspraak van het hof terughoudendheid past.

 

Wat het verbod op inhouding betreft, overweegt de voorzieningenrechter dat de wettelijke bevoegdheid van een schuldeiser op voorhand door de rechter kan worden ingeperkt als sprake is van dreigend misbruik, maar dat dit een expliciete belangenafweging door de rechter vraagt. Die belangenafweging is volgens de voorzieningenrechter niet in de uitspraak van het hof te lezen. Het hof lijkt zich te beperken tot de conclusie dat er tegen het gevorderde verbod geen afzonderlijk verweer is gevoerd. Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat de uitspraak van het hof ook een verbod aan VGZ om gebruik te maken van haar wettelijke recht op beslaglegging omvat, aldus de voorzieningenrechter.

 

De voorzieningenrechter concludeert dat het beslag dat VGZ heeft gelegd niet vanwege de beslissing van het hof als misbruik van recht is aan te merken.

 

Opvallende uitspraak

De uitspraak van de voorzieningenrechter is opvallend. In de veroordeling van het hof tot betaling zonder te mogen inhouden, opschorten of verrekenen, leest de voorzieningenrechter niet ook een verbod op eigenbeslag, omdat voor een dergelijk verbod geen expliciete belangenafweging is gemaakt. Niettemin ligt aan de veroordeling tot betaling wél een belangenafweging ten grondslag, waarin enerzijds is betrokken het risico voor VGZ dat, indien later zal blijken dat zij toch een tegenvordering heeft op Ciran wegens onverschuldigd uitbetaalde vergoedingen, die tegenvordering niet of maar voor een deel kan worden geïncasseerd, en anderzijds is betrokken het risico voor Ciran dat zij op korte termijn in staat van faillissement zal worden verklaard. Het gebod tot betaling hangt sterk samen met het verbod op inhouding, opschorting en verrekening. De vraag rijst dan of de verlangde ‘expliciete belangenafweging’ niet reeds in de door het hof gemaakte belangenafweging is gelegen.

 

Áls een verdergaande belangenafweging (specifiek gericht op het gevorderde verbod op opschorting, inhouding en verrekening) zou zijn aangewezen, is bovendien de vraag of het uitblijven daarvan toch niet voor rekening en risico van VGZ dient te komen. VGZ heeft in de procedure voor het hof immers nagelaten tegen het verbod afzonderlijk verweer te voeren, terwijl die gelegenheid wel bestond.

 

Als hoger beroep wordt aangetekend, zal moeten blijken of de uitspraak stand houdt.

 

Uitspraken en bijdrage

  • uitspraak Rechtbank Leeuwarden van 27 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6877; 
  • uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11070; 
  • bijdrage over uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.  

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845