Verweer tegen onduidelijke tuchtklachten

08-09-2015

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven heeft op 7 september jl. overwogen dat een tuchtklacht betrekking dient te hebben op concrete feiten en gedragingen die expliciet door de klager zelf moeten worden gepresenteerd, omdat anders de betrokken hulpverlener niet in staat is zich tegen de klacht te verweren.

 

Klaagster is fysiotherapeut en praktijkhouder. Verweerster is eveneens fysiotherapeut en is tijdelijk in de praktijk van klaagster werkzaam geweest. Na een arbeidsconflict is de arbeidsovereenkomst ontbonden. Klaagster heeft een klacht tegen verweerster ingediend en daartoe in haar klaagschrift een zestal globaal geformuleerde klachtonderdelen aangevoerd. Zo heeft klaagster verweerster onder meer verweten dat zij patiënten geen uitleg had gegeven over verandering van de therapie, dat ze zonder overleg patiënten adviezen gaf om medicatie te stoppen en dat ze zonder overleg met klaagster patiënten naar andere praktijken verwees voor osteopathie. Nadien heeft klaagster enkele aanvullende brieven overgelegd met in totaal 19 producties, waaronder enkele klachtbrieven van patiënten en dossiers van patiënten die zelf geen klacht bij klaagster hadden ingediend.

 

Ter zitting heeft klaagster aangegeven dat haar klacht bestaat uit de inhoud van het klaagschrift aangevuld met de klachten van patiënten, zoals die uit de nadien overgelegde producties naar voren kwamen. Verweerster heeft verweer gevoerd en onder meer bezwaar gemaakt tegen de onoverzichtelijke presentatie van de klacht, waardoor zij zich in haar verdediging geschaad voelde.

 

In r.o. 5 overweegt het College voor zover relevant het volgende:

“Een klacht dient betrekking te hebben op concrete feiten en gedragingen die expliciet door klaagster zelf moeten worden gepresenteerd. Anders gezegd: niet kan worden volstaan met het in algemene termen poneren van een normschending, maar de concrete gedragingen of gebeurtenissen die aan de gestelde normschending ten grondslag liggen moeten ook worden gepresenteerd op een zodanige wijze dat duidelijk is op welke feiten (concrete gedragingen en omstandigheden naar tijd en plaats) de klacht ziet. De wijze waarop klaagster haar klachten naar voren heeft gebracht is daarmee niet in overeenstemming”.

 

Het College vervolgt dat met deze wijze van de tuchtrechter wordt verwacht zelf een selectie te maken van de verweten gedragingen, hetgeen geen taak van de tuchtrechter is. Bovendien zou deze werkwijze met zich brengen dat de aangeklaagde (fysiotherapeut, arts e.d.) pas uit de uitspraak van de tuchtrechter zou kunnen opmaken welke feiten en gedragingen onder het bereik van de klacht vallen. Dit brengt met zich dat van een reëel verweer van de aangeklaagde in feite geen sprake meer kan zijn. Naar het oordeel van het College is de door klaagster gehanteerde presentatie van de klacht in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en met het beginsel van fair trail.

 

Het College overwoog vervolgens zich te moeten beperken tot de zes in het klaagschrift geformuleerde klachtonderdelen. Omdat deze grotendeels dermate globaal zijn geformuleerd, zijn deze klachtonderdelen feitelijk niet toetsbaar. Ook het andere klachtonderdeel is naar het oordeel van het College ongegrond. Om die reden wijst het College de klacht in al haar onderdelen als ongegrond af.

 

Het komt regelmatig voor dat uit het klaagschrift niet goed kan worden gedestilleerd welke concrete feiten en gedragingen precies onderdeel zijn van de klacht. Met deze uitspraak van de tuchtrechter kan daartegen door een aangesproken arts, fysiotherapeut e.d. als verweer worden aangevoerd, dat hij als gevolg hiervan niet goed in staat is te reageren op de klachten en dat hij daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

 

Voor de uitspraak, klik hier.

 

Mr. Merlijn Christe

m.christe@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862