Verzoek openbaarmaking verslag suïcide afgewezen

05-07-2011

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft onlangs geoordeeld dat een verslag over een suïcide niet openbaar hoeft te worden gemaakt. Volgens de ABRvS prevaleert het belang van inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen en van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de overledene aan het belang van openbaarmaking.

 

In deze zaak had de vader van de overledene op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) verzocht om openbaarmaking van het verslag naar aanleiding van de suïcide van zijn dochter. De zorginstelling waar de dochter destijds onder behandeling was had het verslag aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) overgelegd ten behoeve van controle en toezicht.

 

De Minister besloot om het verslag openbaar te maken. Zij het met uitzondering van de naam, geboortedatum, leeftijd en overlijdensdatum van de dochter. Daartegen maakte de zorginstelling bezwaar. Met succes. Daardoor weigerde de Minister openbaarmaking alsnog. In de door de vader ingestelde beroepsprocedure werd dit besluit weer vernietigd. Tegen deze uitspraak stelde de zorginstelling en de minister hoger beroep in.

 

In hoger beroep oordeelde de ABRvS de vrees gerechtvaardigd dat zorginstellingen bij openbaarmaking van suïcideverslagen terughoudender zullen worden in het verstrekken van informatie. Om die reden mocht de Minister zich volgens de ABRvS op het standpunt stellen dat de IGZ belemmerd zou worden in haar toezichthoudende taak als het verslag openbaar gemaakt zou worden. Mede gelet op de in het geding zijnde belangen bij calamiteiten, te weten de dood van of een ernstig schadelijk gevolg voor een patiënt, mocht de minister dat belang zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking.

 

Ook aan eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer komt volgens de ABRvS meer gewicht toe dan aan het belang van openbaarmaking. De (medische) gegevens van de dochter die in het verslag zijn vastgelegd vallen onder het medisch beroepsgeheim. Deze gegevens hebben betrekking op de persoonlijke levenssfeer, aangezien zij zien op de periode dat de dochter in leven was. Voorts acht de ABRvS het geringe tijdsverloop sinds de suïcide medebepalend voor het prevaleren van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer boven het belang van openbaarmaking.

 

De Minister en de zorginstelling hadden zich overigens nog op een derde grond voor niet-openbaarmaking beroepen. Te weten dat ook het belang van het voorkomen van een onevenredige benadeling van bij deze aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden in dit geval zwaarder diende te wegen dan het belang van openbaarmaking. De ABRvS liet deze grond onbesproken, omdat de Minister reeds op de twee gronden openbaarmaking van het verslag mocht weigeren.

 

Bron: uitspraak ABRvS d.d. 27 april 2011, LJN: BQ 2643

 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845