Voorwaardelijke schorsing verpleegkundige wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag

30-05-2016

Recent legde het RTC Den Haag een voorwaardelijke schorsing van 12 maanden op, met algemene specifieke voorwaarden en betrokkenheid van IGZ, aan een verpleegkundige wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag met een patiƫnt.

 

Een patiënt meldde zich in het ziekenhuis bij de balie van de afdeling waar patiënten worden behandeld met HIV/AIDS, hepatitis A, B en SOA’s, om laboratoriumformulieren op te halen voor het prikken van bloed. Verweerder, een verpleegkundig specialist, die - lopend op de gang - de patiënt herkende van een eerder bezoek aan de polikliniek, vroeg hoe het ging. De patiënt gaf aan dat het niet zo goed ging, waarop verweerder voorstelde het gesprek in een spreekkamer voort te zetten.

 

Aldaar is hij tijdens een gesprek met de patiënt overgegaan tot lichamelijk onderzoek. Toen patiënt daarbij een erectie kreeg heeft verweerder zijn hand op de onderbroek van de patiënt gelegd en daarbij gezegd dat het niet erg was. Vervolgens heeft verweerder, die eveneens een erectie had, zijn eigen penis uit zijn onderbroek gehaald en aan patiënt getoond en daarbij gezegd dat hij gemakkelijk klaar kon komen. Toen verweerder merkte dat de patiënt zich hier ongemakkelijk bij voelde heeft verweerder het lichamelijk onderzoek beëindigd en is de patiënt zonder nadere afspraken te maken weggegaan.

Daarop is uiteindelijk melding gedaan bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, die een tuchtklacht indiende.

 

Het tuchtcollege oordeelde als volgt:

 

“Over de op te leggen maatregel wordt allereerst overwogen dat sprake is van ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik van een patiënt in een kwetsbare situatie. Daarvoor is een maatregel van gewicht op zijn plaats.

Bij de keuze van de maatregel staat voorop dat daarmee moet worden voorkomen dat verweerder in professionele behandelrelaties opnieuw tot een dergelijke gedraging zal komen.

Van belang is dat verweerder heeft aangegeven dat hij inmiddels inziet dat zijn gedrag grensoverschrijdend was en dat hij er spijt van heeft en dat hij dit ook aan de patiënt heeft willen laten weten. Tegelijk heeft verweerder ook gezegd dat de wisselwerking en de interactie tussen hem en een patiënt een rol speelt tijdens het werk - met name als het gaat om mannelijke patiënten zo gaf verweerder ter zitting aan - en dat hij dan soms wel de neiging heeft om misschien net iets te ver te gaan, bijvoorbeeld door een patiënt aan te raken.  

Het College maakt zich ernstige zorgen over deze neiging en is er niet van overtuigd dat de tot nu toe door verweerder gevolgde behandeling afdoende is geweest om herhaling van deze neiging te voorkomen. Het College neemt daarbij in aanmerking dat deze behandeling is gegeven door een psycholoog bij wie verweerder zich eerder voor eigen, persoonlijke problemen heeft laten behandelen. Het College heeft onvoldoende inzicht gekregen in de aard en het doel van de behandelcontacten en de frequentie daarvan. De opmerking van de psycholoog over de prognose van de mogelijkheid op herhaling kan het College bovendien niet volgen waar het betreft de verwijzing naar de huidige werkkring van betrokkene. Ook daar is immers sprake van directe één-op-één zorgcontacten met patiënten in een kwetsbare situatie. Weliswaar heeft verweerder gezegd dat momenteel steeds bij behandelcontacten en onderzoek een derde in de nabijheid is, maar daarmee kan niet worden uitgesloten dat in de toekomst één-op-ééncontacten toch tot het werk van betrokkene zullen behoren.”  

 

Het tuchtcollege legde een voorwaardelijke schorsing op van 12 maanden. Daarnaast moet verweerder zich onder behandeling stellen van een GZ-psycholoog of psychotherapeut, met betrokkenheid van IGZ.

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 862