Vrije advocaatkeuze ontslagprocedure UWV? Hoge Raad legt vraag voor aan Hof van Justitie

10-10-2014

In 2013 oordeelde het Europese Hof van Justitie dat rechtsbijstandverzekeraars hun verzekerden een vrije advocaatkeuze moeten bieden in geval van een gerechtelijke of administratieve procedure zoals bedoeld in artikel 4:67 Wet financieel toezicht en artikel 4 lid 1 aanhef en onder a van de Europese Richtlijn voor Rechtsbijstandsverzekeraars (de Richtlijn). Vervolgens rees in een procedure voor de Rechtbank Amsterdam de vraag of de ontslagprocedure bij het UWV dient te worden aangemerkt als een ‘administratieve procedure’ in voornoemde zin. De voorzieningenrechter legde deze prejudiciĆ«le vraag voor aan de Hoge Raad. De Hoge Raad geeft voorshands zijn oordeel, maar legt op zijn beurt niettemin de vraag voor aan het Hof van Justitie (arrest 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2901).

 

Naar het voorlopig oordeel van de Hoge Raad rechtvaardigt de ruime bescherming van de belangen van de verzekerde die de Richtlijn, en met name artikel 4 ervan, beoogt te bieden, dat de procedure bij het UWV door die bepaling wordt bestreken. Eerste reden hiervoor is dat in artikel 4 lid 1 aanhef en onder a van de Richtlijn wordt gesproken van 'in een gerechtelijke of administratieve procedure'. Daaruit maakt de Hoge Raad op dat dus expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen beide soorten procedures en dus ook een administratieve procedure ten overstaan van een bestuursorgaan of een andere niet-rechterlijke instantie in beginsel door de Richtlijn wordt bestreken. Daarbij tekent de Hoge Raad aan dat de verlening van een vergunning door de overheid naar Nederlands recht weliswaar niet wordt aangemerkt als een (administratieve) procedure, maar dat de betekenis van de ontslagvergunning en de wijze waarop deze wordt verleend, echter aanleiding kunnen zijn de verlening hiervan wel aan te merken als een administratieve procedure in de zin van de Richtlijn.

 

In de tweede plaats heeft het Europese Hof van Justitie eerder overwogen dat de Richtlijn, en met name artikel 4 ervan, beoogt de belangen van de verzekerden ruim te beschermen, hetgeen niet verenigbaar is met een restrictieve uitleg van wat onder een gerechtelijke en administratieve procedure dient te worden verstaan. In dit verband wijst de Hoge Raad erop dat de verlening van een ontslagvergunning door het UWV verstrekkende gevolgen voor de werknemer heeft, die diens burgerlijke rechten en plichten in de zin van art. 6 EVRM betreffen. Die verstrekkende gevolgen brengen mee dat de werknemer er belang bij heeft dat zijn standpunt op adequate wijze ter kennis wordt gebracht van het UWV. Met het oog daarop kan de werknemer redelijkerwijs behoefte hebben aan rechtsbijstand door een advocaat of een andere gekwalificeerde persoon.

 

Ondanks voornoemde overwegingen kan volgens de Hoge Raad niettemin redelijkerwijs twijfel bestaan over de vraag of art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Richtlijn moet worden uitgelegd op de hiervoor geschetste wijze.  De Hoge Raad geeft hiervoor drie redenen.

 

In de eerste plaats bevat de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn aanwijzingen dat de opstellers hebben beoogd om onderscheid te maken tussen de buitengerechtelijke (preprocessuele) fase en de gerechtelijke (processuele) fase van een geschil, teneinde alleen laatstgenoemde fase onder het bereik van de Richtlijn te brengen.

 

In de tweede plaats biedt de wijze waarop de Richtlijn in sommige lidstaten is omgezet, steun voor de opvatting dat het begrip “gerechtelijke of administratieve procedure” van art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Richtlijn slechts ziet op procedures ten overstaan van een rechterlijke instantie.

 

In de derde plaats kan de hiervoor bedoelde, ruime uitleg van art. 4 Richtlijn aanzienlijke financiële en bedrijfseconomische gevolgen hebben voor de in de lidstaten bestaande stelsels van rechtsbijstandverzekering, en voor de toegankelijkheid van die stelsels voor huidige en toekomstige verzekeringnemers.

 

Gelet op voornoemde twijfel laat de onderhavige vraag van Unierecht zich volgens de Hoge Raad niet zonder redelijke twijfel beantwoorden, hetgeen reden is om de vraag aan het Europese Hof van Justitie voor te leggen. Aldus wederom: wordt vervolgd!

 

Klik hier voor het arrest van de Hoge Raad.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845