Wachtlijst te lang?

08-03-2018

Hoe beoordeelt de tuchtrechter een klacht over een (te) lang uitgestelde operatie?

 

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag

ECLI:NL:TGZRSGR:2018:27

 

Bij een patiënte wordt een tumor in het bekken geconstateerd die de zenuwen aantast. Na een biopt wordt de tumor geduid als goedaardig. Na een bespreking in de werkgroep neuro-oncologie en een MRI is het advies de tumor operatief te verwijderen.

Er vindt PA-onderzoek plaats, nader overleg met de oncologisch chirurg, de patiënte wordt besproken binnen de werkgroep sarcomen en er wordt advies gevraagd aan de patholoog voor het geval er toch sprake zou zijn van een kwaadaardige tumor.

De patholoog adviseert een immunohistochemische bepaling, een nog niet gevalideerde techniek, om meer zekerheid over het type tumor te verkrijgen.

Dit onderzoek wijst uit dat er naar alle waarschijnlijkheid tóch sprake is van een kwaadaardige tumor. De conclusie wordt besproken in de werkgroep neuro-oncologie, waarvan de uitkomst is dat er sprake moet zijn van een kwaadaardige tumor. Patiënte wordt verwezen naar de oncologisch chirurg.

Nadat patiënte opnieuw wordt opgenomen wordt bij MRI-onderzoek een snelle groei van de tumor gezien. De neurochirurg zegt dat hij geen bijdrage aan de behandeling kan geven. De oncologisch chirurgen geven op hun beurt aan dat operatieve verwijdering van de tumor niet mogelijk is. Patiënte wordt palliatieve behandeling geadviseerd.

De patiënte komt te overlijden en haar dochters klagen de neurochirurg aan met het verwijt dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld en te lang heeft gewacht met opereren.

 

Het tuchtcollege komt allereerst tot het oordeel dat de neurochirurg op basis van het ingezette onderzoek en het multidisciplinaire overleg aanvankelijk mocht uitgaan van een goedaardige tumor. De neurochirurg heeft vervolgens overeenkomstig deze diagnose gehandeld. Vanwege het ingrijpende en ingewikkelde karakter van de operatie konden ter voorbereiding van de operatie andere specialismen worden geconsulteerd. Hoewel het, gelet op de ernstige pijnklachten van de patiënte, begrijpelijk is dat zij een operatie op een eerdere datum wilde, bestond daartoe naar het oordeel van het tuchtcollege geen medische noodzaak. Gelet op de aanvankelijke diagnose en uitgaande van de daarbij behorende langzame groei van de tumor en de beschikbare operatiecapaciteit, is een wachttijd voor een operatie van acht weken – hoe vervelend voor de patiënte ook – niet onaanvaardbaar. Er bestond onvoldoende reden om de wachttijd in verband met de ernstige pijnklachten in te korten. Daarbij acht het tuchtcollege van belang dat voor bestrijding van de pijn binnen de afdeling neurologie een behandeling door het pijnteam zou kunnen plaatsvinden.

Dat later uit nader onderzoek is gebleken dat vanwege de snelle groei van de tumor een operatie niet meer mogelijk was doet aan het voorgaande niet af. De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat de termijn waarop een operatie door behandelaars wordt gepland afhankelijk is van diverse omstandigheden. Behalve de aard en de ernst van de aandoening vindt het tuchtcollege hier ook de beschikbare operatiecapaciteit een factor van betekenis. In deze zaak heeft er veel diagnostiek en veelvuldig overleg plaatsgevonden. Voor behandelaars en voor patiënten (en hun familie) is het van belang dat er goede communicatie plaats vindt over elke stap in de diagnostiek en het besluitvormingsproces. Hiermee kan worden voorkomen dat bij patiënten en hun familie de indruk ontstaat dat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd en dat er verkeerde verwachtingen ontstaan over het tempo waarin de behandeling kan of moet plaatsvinden.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866