Ziekenhuis niet aansprakelijk voor knappen hechtdraad

10-04-2008

De rechtbank Haarlem heeft bij vonnis van 8 april 2009 geoordeeld dat een ziekenhuis niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het knappen van een hechtdraad enkele uren na een uitgevoerde halsslagaderoperatie.

 

Om te achterhalen wat de oorzaak was van de draadbreuk, had het ziekenhuis de resterende staal hechtdraad laten onderzoeken door de producent. Hierbij werden geen afwijkingen gevonden. De oorspronkelijke hechting kon niet worden onderzocht, omdat deze bij de heroperatie niet kon worden verwijderd.

De stelling van de patiënt was dat de draadbreuk, gezien de uitkomst van het onderzoek door de producent, wel veroorzaakt moest zijn door een medische fout. Het ziekenhuis, bijgestaan door KBS advocaten, voerde verweer, waarna de rechtbank bij tussenvonnis overwoog dat de oorzaak van het knappen van de hechtdraad het gevolg zou kunnen zijn van 4 verschillende omstandigheden, te weten:
1. het onvoldoende, op onjuiste wijze dichtknopen van de hechtdraad waardoor deze kon losschieten;
2. beschadigingen aan de hechtdraad veroorzaakt door medewerkers van het ziekenhuis waardoor de draad na de operatie was gebroken;
3. een intrinsiek gebrek in de hechtdraad waardoor deze na de operatie spontaan was geknapt;
4. een complicatie ten gevolge van een fysieke toestand of fysieke gedraging van de patiënt na de operatie.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank was de kans meer dan verwaarloosbaar gering dat sprake was geweest van één van de eerste twee mogelijke oorzaken. Voor deze oorzaken zou het ziekenhuis aansprakelijk zijn. De mogelijkheid dat zich in dit geval een draadbreuk had voorgedaan vanwege een intrinsiek gebrek in de hechtdraad dan wel door een in de persoon van de patiënt gelegen omstandigheid, was naar het voorlopig oordeel verwaarloosbaar gering. Het ziekenhuis werd belast met het tegenbewijs dat de 3de of 4de oorzaak zich in redelijkheid zou hebben kunnen voordoen.

Het ziekenhuis heeft door overlegging van een aantal wetenschappelijke publicaties aangetoond dat polypropylene hechtdraden bij acute belasting (hypertensie of hoesten) soms kunnen breken. Een breuk doet zich dan karakteristiek voor binnen enkele uren tot dagen na de operatie. Conclusie was dat de 4de mogelijkheid zich in werkelijkheid zou kunnen hebben voorgedaan. De patiënt werd vervolgens door de rechtbank toegestaan bewijs te leveren wat de draadbreuk had veroorzaakt. In die bewijsopdracht slaagde de patiënt niet.

Door de patiënt werd tot slot nog aangevoerd dat de bekendheid met het feit dat een proleen hechtdraad kan breken de chirurg ervan had moeten weerhouden om deze draad te gebruiken. Deze stelling werd verworpen. De rechtbank overwoog dat de enkele omstandigheid dat een geringe kans bestaat dat een Proleen 6-0 hechtdraad breekt bij een complicatie als omschreven als mogelijkheid 4, niet met zich brengt dat het gebruik van dat hechtmateriaal als een medische fout moet worden aangemerkt. Bij een dergelijke complicatie is, gemeten naar hetgeen in mei 2000 omtrent Proleen 6-0 bekend was, veeleer sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden waarvan de arts noch het ziekenhuis een verwijt kan worden gemaakt.
 

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868