Zwaardere aansprakelijkheid bestuurders holding

14-03-2017

In de praktijk komt het geregeld voor, dat een vennootschap (veelal een holding) tot bestuurder wordt aangesteld van een dochtervennootschap, die als werkmaatschappij functioneert. Dan is de directeur/aandeelhouder niet in persoon de bestuurder van de werkmaatschappij maar diens holding.

 

Bij faillissement van de werkmaatschappij zal bij een ernstig tekort schieten van de directie ook de directeur in persoon van de holding aansprakelijk worden gehouden op grond van artikel 2:11 BW, waarmee de uiteindelijk verantwoordelijke (natuurlijke) persoon kan worden aangesproken.

Echter, nog niet was uitgemaakt of voor de uiteindelijke bestuurder in persoon (2degraads bestuurder) ook een persoonlijk ernstig verwijt moet worden kunnen worden gemaakt als zijn besturende vennootschap reeds wel het ernstige verwijt trof. Daarover heeft de Hoge Raad vorige maand uitsluitsel gegeven.

 

In het arrest d.d. 17 februari 2017 vernietigt de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin geoordeeld werd dat voor de 2degraads bestuurder ook geldt, dat hem een persoonlijk ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt. Dat zou volgens het Hof een gelijke behandeling van de bestuurder opleveren als hij niet  2degraads maar 1stegraads bestuurder zou zijn geweest.

 

In deze casus speelde het persoonlijke ernstige verwijt een rol, omdat de inmiddels failliete vennootschap twee broers als directeur van de holding (bestuurder van failliete vennootschap) kende en slechts één van de broers gefraudeerd had met invoerrechten.

Artikel 2:11 BW bepaalt, dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. De letterlijke wettekst leidt derhalve tot een vorm van risicoaansprakelijkheid voor de 2degraads bestuurders, maar dat kon volgens het gerechtshof niet de bedoeling zijn.

 

De Hoge Raad casseert deze benadering van het gerechtshof en volgt de tekst van artikel 2:11 BW. De Hoge Raad merkt daarbij op dat uit de parlementaire behandeling van dit artikel blijkt, dat de bepaling ziet op alle vormen van bestuurdersaansprakelijkheid, niet alleen ingevolge artikel 2:138/248 BW maar ook uit hoofde van artikel 6:162 BW en artikel 2:9 BW. Dit betekent volgens de Hoge Raad, dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon/bestuurder niet de aanvullende eis geldt, dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

 

Anderzijds meent de Hoge Raad, dat zo’n bestuurder met de aansprakelijkheid van artikel 6:162 BW via artikel 2:11 BW zich nog wel moet kunnen disculperen. De bestuurder in persoon zal dan moeten aantonen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon/bestuurder is gebaseerd.

 

Voor de persoonlijke bestuurder van een besturende vennootschap/holding wordt met deze uitspraak toch een extra risico geschapen. Immers, in plaats van de crediteur moet aantonen dat de bestuurder in persoon een ernstig verwijt treft, draagt de bestuurder  de bewijslast om zichzelf te disculperen, hetgeen in situaties met meerdere bestuurders in een holding tot een wrange uitkomst zou kunnen leiden. Bij een eenhoofdig bestuur in een holding zal namelijk het ernstig verwijt van de holding al gauw ook de bestuurder in persoon treffen.

 

Geconcludeerd mag worden dat het riskant kan zijn om werkmaatschappijen te besturen vanuit een holding, die een meerhoofdige directie kent. Misstappen van een collega-bestuurder worden de andere bestuurders in beginsel ook aangerekend, tenzij die bestuurders kunnen bewijzen dat hen geen verwijt treft. Het bewijsrisico ligt dan bij de bestuurders in plaats van bij de schuldeisers.

 

Mr. Jim Kluyver

jr.kluyver@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 868