KBS advocaten
Nieuwsbrief KBS Advocaten | 01-11-2011 | www.kbsadvocaten.nl

Eenzijdig deskundigenrapport toelaatbaar

Rechtbank Amsterdam, 9 februari 2011 (LJN: BP 4341)

Een patiënte vordert schadevergoeding van een ziekenhuis, omdat volgens haar fouten zijn gemaakt bij de behandeling ten gevolge waarvan zij een dwarslaesie zou hebben ontwikkeld. Het ziekenhuis is van oordeel dat zij niet aansprakelijk is en doet ter onderbouwing van dit verweer een beroep op een eenzijdig deskundigenrapport dat op haar verzoek maar zonder medeweten en toestemming van de patiënte is opgesteld door een arts (in de uitspraak aangeduid als prof. dr. F).
De patiënte stelt dat het eenzijdige rapport bij de beoordeling door de rechtbank buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij voert daartoe diverse argumenten aan.
Ten eerste richt de patiënte haar pijlen op de partijdeskundige. De deskundige heeft volgens de patiënte verzuimd het inzage- en blokkeringsrecht in acht te nemen. De patiënte stelt onder verwijzing naar rechtspraak van de medische tuchtrechter dat de deskundige haar vooraf op de hoogte had moeten stellen en haar toestemming had moeten vragen.
Vervolgens richt de patiënte haar pijlen op de advocaat van het ziekenhuis. Volgens de patiënte had de advocaat het medisch dossier op grond van het advocatentuchtrecht niet zonder haar toestemming ter beoordeling aan de partijdeskundige mogen sturen.
Ten slotte stelt de patiënte in algemene zin dat het medisch dossier van een letselslachtoffer blijkens civiele rechtspraak onder de Wet bescherming persoonsgegevens valt.
De rechtbank volgt de patiënte niet in haar stellingen en laat de partijrapportage toe als bewijs. Het enkele feit dat het rapport van prof. dr. F. op verzoek van het ziekenhuis tot stand is gekomen zonder medeweten en toestemming van de patiënte rechtvaardigt niet dat het ziekenhuis in de procedure geen beroep zou mogen doen op dit rapport. Dat kan anders zijn wanneer sprake is van ‘bij-komende omstandigheden’, aldus de rechtbank. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is volgens de rechtbank in dit geval geen sprake.
De enkele stelling van de patiënte dat wettelijke en tuchtrechtelijke regels ter bescherming van haar privacy zijn geschonden is onvoldoende om het ziekenhuis een beroep op de partijrapportage te ontzeggen. Dit is dus geen ‘bijkomende omstandigheid’ in de zin van het voorgaande. Anders zou de mogelijkheid van het ziekenhuis om zich behoorlijk tegen de vordering van de patiënte te verweren, zonder meer ongeschikt worden gemaakt aan het belang van de patiënte bij handhaving van regels ter bescherming van de privacy. Daar wil de rechtbank niet aan.
Ook het feit dat partijen het in het voortraject niet eens zijn geworden over een buitengerechtelijke expertise is onvoldoende om te oordelen dat dit aan het ziekenhuis te wijten is geweest.
De rechtbank wijst de vorderingen van de patiënte vervolgens ook op inhoudelijke gronden af. Het ziekenhuis is volgens de rechtbank niet aansprakelijk.
Een eenzijdig deskundigenrapport is dus in beginsel toelaatbaar, behoudens voor zover sprake is van bijkomende omstandigheden. De rechtbank heeft geen voorbeelden gegeven van dergelijke bijkomende omstandigheden, zodat in gevallen als deze altijd een afweging moet worden gemaakt tussen het privacybelang van het slachtoffer enerzijds en het belang van het ziekenhuis om zich behoorlijk tegen de vordering te kunnen verweren anderzijds. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een eenzijdig deskundigenrapport in medische aansprakelijkheidskwesties in beginsel toelaatbaar is. Voor goed verweer in medische aansprakelijkheidszaken is het oordeel van medische deskundigen immers onmisbaar en ook een ziekenhuis (of diens verzekeraar) moet zich door een deskundige kunnen laten voorlichten om haar procespositie ten aanzien van de patiënt te bepalen.

Dana Wegerif

Geen belang bij deelgeschil

Rechtbank Assen, 14 september 2011 (LJN: BT 1641)

Bij een patiënte wordt de diagnose darmperforatie te laat gesteld. De verzekeraar van het ziekenhuis aanvaardt daarvoor aansprakelijkheid. Partijen verschillen van mening over de mate waarin de gevolgen van die perforatie anders zijn dan bij een tijdige ontdekking daarvan. De patiënte dient een verzoek in in het kader van de wet Deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade. Zij vraagt de rechtbank om een verzekeringsdeskundige te benoemen die een beperkingenprofiel en/of een functionele mogelijkhedenlijst opstelt en om een arbeidsdeskundige te benoemen die de praktische gevolgen van de beperkingen kan bepalen. Het ziekenhuis verzet zich tegen het verzoek en stelt daarbij dat weliswaar aansprakelijkheid is erkend, maar dat nog wel moet worden bezien of er een causaal verband is tussen de verlate diagnose en de schade. Eerst wanneer causaal verband vaststaat kan de schade in kaart worden gebracht, aldus het ziekenhuis. De rechtbank neemt het standpunt van het ziekenhuis over en wijst het verzoek om een beslissing in het kader van een deelgeschil af. De rechtbank stelt dat voor toewijzing van het verzoek vereist is dat de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat dit door de patiënte gestelde belang bij de verzochte beslissing hierop neerkomt, dat de beslissing weliswaar kan bijdragen aan de totstandkoming van een minnelijke regeling, maar dat in het licht van het gevoerde causaliteitsverweer de met de beslissing gepaard gaande investering in tijd, geld en moeite niet opweegt tegen de bijdrage die de verzochte beslissing aan het tot stand komen van een minnelijke regeling kan leveren.

Oswald Nunes
 

Glijbaan

Rechtbank Zwolle, 29 maart 2011 (LJN: BP8547)

Op het schoolplein van een basisschool vindt tijdens de pauze een ongeval plaats. Een leerling uit groep 3 glijdt van de glijbaan af en botst onderaan de glijbaan tegen een leerling uit groep 6, die daardoor met haar gezicht op de rand van de glijbaan valt. Op de glijbaan werd geen toezicht gehouden. De ouders van de gewonde leerling vorderen schadevergoeding van de school.
De rechtbank stelt voorop dat op een basisschool een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en de veiligheid van de kinderen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Die zorgplicht is echter niet onbegrensd. Niet vereist wordt dat in zodanige mate toezicht wordt gehouden dat elke onregelmatigheid wordt opgemerkt. Het is volgens de rechtbank algemeen aanvaard dat er zich ongevallen kunnen voordoen op een schoolplein. Een glijbaan is voorts een veel voorkomend speeltoestel met het gebruik waarvan kinderen in het algemeen goed vertrouwd zijn. Een glijbaan als zodanig is dan ook niet gevaarzettend, oordeelt de rechtbank; een basisschool hoeft hierop niet specifiek toezicht te houden. Omstandigheden waardoor dat specifieke toezicht wel nodig zou zijn geweest, zijn niet gesteld. De school is niet aansprakelijk.

Brechtje Paijmans

Oogarts

Rechtbank Zwolle-Lelystad,  21 september 2011 (171320/HA ZA 10-641)

In 2002 wendde patiënte zich in verband met beperkingen van haar zicht aan het rechteroog tot haar huisarts. Die verwees haar naar een oogarts. De oogarts constateerde dat sprake was van beginnende staar en een maculadegeneratie van het rechteroog. De gezichtsscherpte (visus) van het rechteroog bedroeg op dat moment 0,2. In de loop der tijd verergerden de klachten tot een (bijna) rijpe staar en een visus van 1/60.
Op 7 februari 2006 onderging patiënte een staaroperatie. Nadien werd opnieuw een visus gemeten van 1/60 en een hoornvliesdecompensatie. Ter behandeling daarvan wendde patiënte zich tot een ander ziekenhuis.
Patiënte stelde het ziekenhuis aansprakelijk door te betogen dat de oogarts onzorgvuldig jegens haar had gehandeld tijdens de oogoperatie.
Patiënte stelde het ziekenhuis aansprakelijk door te betogen dat de oogarts onzorgvuldig jegens haar had gehandeld tijdens de oogoperatie. Partijen spraken met elkaar af om een oogheelkundige expertise te laten verrichten. Naar aanleiding daarvan erkende het ziekenhuis aansprakelijkheid, maar betwistte dat het aldus bestaande onzorgvuldig handelen tot schade had geleid. Daartoe stelde het ziekenhuis onder meer dat de visusdaling was ontstaan door de reeds aanwezige maculadegeneratie. Wel betaalde het ziekenhuis een bedrag van € 3.000,- aan smartengeld en buitengerechtelijke kosten.
Patiënte nam daarmee geen genoegen en dagvaardde het ziekenhuis. De rechtbank wees de vorderingen af door te overwegen dat uit het expertiserapport van de in gezamenlijk overleg benoemde oogarts bleek dat de visus bij adequaat medisch handelen zeer waarschijnlijk niet beter zou zijn geweest door de ernstige en wellicht zich ook nog spontaan uitbreidende maculadegeneratie. Bovendien wijst de rechtbank er nog op dat de visus na de operatie gelijk was aan de visus die daarvoor werd gemeten.
Relevant is vooral het oordeel van de rechtbank omtrent de buitengerechtelijke kosten waarvan vergoeding werd gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het ziekenhuis terecht aangevoerd dat voor de dubbele redelijkheidstoets van belang is dat de visus rechts van patiënte al zeer slecht was voordat de fout tijdens de staaroperatie was gemaakt. Patiënte was daarop ook uitdrukkelijk gewezen door de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis. Desondanks koos patiënte de weg van het deskundigenonderzoek en een gerechtelijke procedure. Ook nadat de aansprakelijkheidsverzekeraar had gewaarschuwd voor de mogelijkheid dat een deel van de declaraties van de advocaat en de medisch adviseur door haarzelf gedragen zouden moeten worden, zelfs als de aansprakelijkheid van de oogarts vast zou komen te staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat patiënte na de ontvangst van het expertiserapport niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het maken van nog meer kosten voor juridische en medische bijstand. In elk geval had voor de (juridisch en medisch adviseurs van) patiënte duidelijk moeten zijn dat de omvang van de schade die als gevolg van de fout voor vergoeding in aanmerking komt gering is. Alles in aanmerking genomen achtte de rechtbank een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van buitengerechtelijke kosten voldoende. Die was inmiddels dus al voldaan. De rechtbank wijst de vorderingen dan ook af en compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Erik-Jan Wervelman

Geen schokschade moeder bij dood baby door mishandeling oppas

Rechtbank Den Bosch, 20 juli 2011 (LJN: BR1623)

In deze uitspraak stelde een moeder van een vijf maanden oude baby, die was gestorven na hersenletsel ten gevolge van mishandeling door de oppas, dat die oppas ook jegens moeder onrechtmatig had gehandeld en aansprakelijk was voor bij de moeder ontstane materiële en immateriële schade.
De rechtbank heeft geoordeeld dat, ook al was er in deze zaak sprake van bijzonder ernstige en uiterst verdrietige omstandigheden die de moeder van de baby diep geraakt moeten hebben, de vordering niettemin moest worden afgewezen.
Om in aanmerking te komen voor toekenning van shockschade dient te zijn voldaan aan de criteria zoals de Hoge Raad die geformuleerd in het Taxibus-arrest: er dient sprake te zijn van een hevige emotionele schok, die door directe confrontatie met de ernst en gevolgen van de onrechtmatige daad teweeg wordt gebracht en uit die emotionele schok dient geestelijk letsel te zijn voortgevloeid.
Volgens de rechtbank was niet gebleken dat de confrontatie met de dood van de baby een hevige emotionele schok bij de moeder teweeg heeft gebracht die tot geestelijk letsel had geleid. Uit de stellingen van de moeder is gebleken dat zij geleidelijk op de hoogte is geraakt met het feit dat baby om het leven is gebracht, hoe dat is gebeurd en door wie dat is gebeurd. De rechtbank overwoog verder dat de moeder in het ziekenhuis enkele dagen achtereen werd geconfronteerd met haar dochtertje, die ernstig ziek was en in coma verkeerde, hetgeen erg verdrietig en zorgelijk voor haar zal zijn geweest. Maar zij wist toen nog niet dat de oppas de toestand van de baby had veroorzaakt. De rechtbank kan op basis van deze feiten niet vaststellen dat op enig moment sprake is geweest van een hevige emotionele schok. 
Ook kon de rechtbank niet vaststellen dat door het geleidelijk ontvangen van informatie bij de moeder een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht. Bovendien is het de rechtbank niet gebleken dat, mocht er wel sprake zijn van een heftige emotionele schok bij de moeder, dit is geestelijk letsel als gevolg heeft gehad. De moeder had te weinig gesteld om geestelijk letsel te onderbouwen. De vordering werd dus afgewezen.
Geheel ten overvloede besteed de rechtbank aandacht aan hetgeen op de zitting door de advocaat van de oppas naar voren was gebracht. De oppas had, voor het geval er wel een schadevergoedingsverplichting jegens de moeder van de baby op haar zou rusten, een beroep gedaan op eigen schuld van de moeder van de baby: het feit dat de moeder van de baby en haar man die bewuste dag niet voor hun dochter konden zorgen was immers hun eigen keuze. Aangezien de baby een paar weken eerder ook al slap en lusteloos van de oppas was teruggekomen had het de moeder van de baby vrijgestaan een andere oppas te zoeken. Het is een waarschuwing die de ouders niet hebben opgemerkt, aldus de oppas.
De rechtbank overweegt dat zij dit abjecte standpunt niet zou hebben gehonoreerd ook in het geval dat er wel tot een schadevergoedingsverplichting van de oppas zou zijn gekomen. De ouders hadden immers geen rekening hoeven houden met doodslag van hun kind, zij hebben de dood van het kind niet mede veroorzaakt.

Suzanne Steegmans

Expertise

Rechtbank Den Haag, 12 april 2011 (LJN: BQ 5998)

Op 19 maart 2001 vond een ongeval plaats tussen een vrachtwagen en een personenauto. De verzekeraar van de vrachtwagen erkende aansprakelijkheid, waarna partijen over gingen tot inventarisatie van de uit het ongeval voortvloeiende schade. Daartoe werd onder meer op gezamenlijk verzoek een psychiater benaderd die op 28 juli 2006 rapport uit bracht. Partijen namen de gelegenheid te baat om op diens concept-bevindingen te reageren, waarna de psychiater definitief rapporteerde. De verzekeraar van de vrachtwagen stelde zich vervolgens in juli 2010 op het standpunt dat de medisch adviseur geen medische causaliteit kon vaststellen. Betrokkene nam daarmee geen genoegen en diende een verzoekschrift in voor een deelgeschil. De rechtbank wees het verzoek toe. Daartoe overwoog zij dat wanneer partijen gezamenlijk hebben besloten tot de opdracht aan een bepaalde deskundige om eveneens gezamenlijk vastgestelde vragen te beantwoorden zij zich daarmee in beginsel verbinden om de rapportage van deze deskundige als uitgangspunt te nemen bij de verdere schadeafwikkeling. Dat zou anders kunnen zijn indien zou komen vast te staan dat het rapport van de deskundige ontoereikend is om als uitgangspunt voor de verdere afwikkeling te kunnen dienen en/of het rapport inhoudelijk of voor wat betreft de wijze van totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld.
Het rapport van de psychiater dateert van 28 juli 2006, waarna de verzekeraar van de vrachtwagen direct vragen heeft gesteld die de psychiater op 30 oktober 2006 heeft beantwoord. Aansluitend hebben partijen gepoogd om de zaak minnelijk af te wikkelen, waarbij de verzekeraar in september 2008 heeft besloten tot betaling van een geldbedrag naar eigen inzicht. Op 6 juli 2010 heeft zij bericht dat zij zich niet kan verenigen met de door de psychiater vastgestelde medische causaliteit. Pas in het kader van de deelgeschilprocedure uitte de verzekeraar kritiek op de persoon van de psychiater. De rechtbank achtte dat te laat. De kritiek die de verzekeraar thans uit had zij naar het oordeel van de rechtbank moeten uiten direct na de reactie van de psychiater op de door haar gestelde aanvullende vragen. Door dat thans pas te doen, ruim 4 jaar na het verschijnen van diens rapport, heeft zij niet gehandeld zoals van een redelijk handelend verzekeraar had mogen worden verwacht. Natuurlijk stond het haar vrij, zo vervolgt de rechtbank, om, hoewel zij zich niet kon verenigen met de conclusies van het deskundigenrapport, met betrokkene te onderhandelen over een minnelijke regeling. Echter had zij daarbij dan tenminste kenbaar moeten maken dat zij nog steeds bezwaar had tegen het deskundigenrapport. Dan wel had zij uitdrukkelijk het voorbehoud moeten maken dat zij daarop nog zou kunnen terugkomen. Gesteld, noch gebleken is dat dit is gebeurd. Aldus is de rechtbank van oordeel dat betrokkene er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat verzekeraar zich bij de rapportage van de psychiater had neergelegd. Daarop gaat de rechtbank aan de thans geuite bezwaren voorbij en stelt zij vast dat het rapport van de in gezamenlijk overleg benoemde psychiater een causale relatie legt tussen de klachten en het ongeval.

Erik-Jan Wervelman

Bang voor de tandarts?

Rechtbank Den Bosch, 26 januari 2011 (LJN: BP 3098)

Een jongen van vier jaar oud komt bij de tandarts om een gaatje te laten vullen. Een week daarvoor is bij deze jongen door de tandarts zonder verdoving een kies getrokken. De jongen is bang en wil niet meewerken aan de behandeling. Hij houdt beide handen voor zijn mond. De tandarts pakt de beide handen van de jongen vast om ze weg te halen van zijn mond. De jongen trekt vervolgens één van zijn handen los. Daarbij verdraait de tandarts zijn duim. De tandarts vreest voor letsel op lange termijn en stelt de vader van de jongen aansprakelijk voor de schade die hij mogelijk in de toekomst zal lijden. De rechtbank stelt voorop dat een kind jonger dan veertien jaar niet aansprakelijk kan worden gehouden voor onrechtmatige gedragingen. Wel kan de ouder of voogd van het kind onder omstandigheden aansprakelijk zijn voor een als te doen beschouwen gedraging van het kind.
Partijen verschillen weliswaar van mening over de toedracht van de gebeurtenissen maar van een onrechtmatige daad is volgens de rechtbank eerst sprake als het risico op ernstig letsel bij de tandarts door het gedrag van de jongen zo waarschijnlijk was dat deze zich uit het oogpunt van maatschappelijk zorgvuldigheid van die gedraging had moeten onthouden. Na een analyse van de gebeurtenissen overweegt de rechtbank dat het voorzienbaar was dat de hand van de tandarts bij een afwerende beweging van de jongen met zijn eigen hand in aanraking zou komen. Dat daarbij echter daadwerkelijk letsel zou ontstaan was naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten. Het ligt meer voor de hand (!), aldus de rechtbank, dat het in aanraking komen van de handen van de jongen en de tandarts alleen tot lichamelijk contact zou hebben geleid en niet meer dan dat. De kans dat ernstig letsel zou ontstaan bij de tandarts door de (paniek-)reactie van de jongen was naar het oordeel van de rechtbank niet zo groot dat die reactie onzorgvuldig was. De gedraging van de jongen is daarom niet als onrechtmatig te beschouwen. De vader is als wettelijk vertegenwoordiger niet aansprakelijk voor het gedrag van de jongen. De vordering van de tandarts wordt afgewezen.

Oswald Nunes

Het legaat

Regionaal Tuchtcollege Eindhoven, 20 juni 2011(GJ 2011/115)

Een vrouwelijke fysiotherapeut is van 1 mei 2003 tot 29 november 2010 als fysiotherapeute in loondienst werkzaam geweest bij (later) klaagster. Vanaf 27 januari 2010 heeft de fysiotherapeut een man van 87 jaar behandeld. Op 24 juni 2010 heeft patiënt bij een notaris zijn testament aangepast. Patiënt is op 1 augustus 2010 overleden. In het testament van patiënt is een legaat ten gunste van verweerster opgenomen. Zij heeft dit legaat geaccepteerd. De werkgever van de fysiotherapeut heeft, toen dit duidelijk werd, de fysiotherapeut op non-actief gesteld en de arbeidsovereenkomst ontbonden. Voorts dient de werkgever een klacht in tegen de fysiotherapeut bij het Regionaal Tuchtcollege. De klacht houdt in dat de fysiotherapeut als behandelaar een legaat heeft aanvaard, waardoor de goede naam en reputatie van de praktijk van de werkgever ernstig zijn bedreigd. De werkgever verwijst naar artikel 54 van de Beroepsethiek en gedragsregels voor de Fysiotherapeut van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF), waarin is bepaald dat aanvaarden van een beloning, direct of op termijn, niet acceptabel is.
De fysiotherapeut merkt als verweer op dat de laatste behandeling van patiënt plaatsvond op 9 juni 2010.
De fysiotherapeut heeft telefonisch aan de assistente van de huisarts van patiënt doorgegeven dat de behandeling op 9 juni 2010 was beëindigd. De fysiotherapeut had nog wel afspraken met patiënt na 9 juni 2010 in haar agenda staan, omdat er een vriendschappelijke band tussen haar en patiënt was ontstaan. Die afspraken stonden dan ook in de lunchtijd gepland. Op 8 juni 2010 had de fysiotherapeut voor het eerst van patiënt gehoord dat hij een brief had ontvangen van de notaris over het updaten van zijn testament. Patiënt was daar boos over omdat hem dat weer geld zou gaan kosten. De erfgenamen van patiënt hadden volgens de fysiotherapeut het testament van patiënt welbewust gerespecteerd.
De fysiotherapeut zelf had aan de ex-echtgenote van patiënt melding gemaakt van het legaat en haar zelfs een kopie van het testament verstrekt. De ex-echtgenote had nooit kenbaar gemaakt dat zij de begunstiging van de fysiotherapeut niet respecteerde of vreemd vond. De fysiotherapeut werd juist bedankt voor de wijze waarop zij de belangen van patiënt had behartigd. Uiteindelijk heeft de ex-echtgenote het blijkbaar niet kunnen verkroppen dat de inboedel aan verweerster was gelegateerd, aldus nog steeds de fysiotherapeut.
Het Regionaal Tuchtcollege citeert het genoemde artikel 54, dat luidt: “Niet acceptabel is ook het aanvaarden van een beloning, direct of op termijn, naast wat daarover in wet en regelgeving is vastgelegd.” Het college is van oordeel dat de vraag of de behandelrelatie daadwerkelijk op 9 juni 2010 is geëindigd, niet behoeft te worden beantwoord, nu in casu in elk geval sprake is van een beloning op (korte) termijn. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt vervolgens: ‘Ook al had verweerster, zoals zij stelt, de overtuiging dat het opnemen van het litigieuze legaat in het testament rust bracht bij patiënt, toch had zij het legaat naar het oordeel van het college niet moeten accepteren. Door dit wel te doen heeft zij niet alleen de praktijk van klaagster, maar ook de beroepsgroep geschaad.’ Het college acht de klacht dan ook gegrond. Alle omstandigheden overziend en van oordeel zijnde dat tussen verweerster en patiënt een vriendschappelijke relatie bestond en dat verweerster te goeder trouw heeft gehandeld om patiënt (en zijn familie) behulpzaam te zijn, acht het college de maatregel van waarschuwing te dezen passend. Zulks te meer, nu verweerster al allerlei nadeel van haar handelen heeft ondervonden.

Ernst de Jong

Inhoud MIP-melding mag geheim blijven

Rechtbank Utrecht, 17 november 2010 (GJ 2011/22)

Bij een patiënte bleef ten onrechte verbandmateriaal achter na een operatieve ingreep van de buik. Van dit incident is binnen het ziekenhuis een melding gedaan ingevolge het meldingssysteem Melding Incidenten Patiëntenzorg (MIP) bij de MIP-commissie. Patiënte is hiervan door het ziekenhuis op de hoogte gesteld. Zij heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld. Voorts heeft zij het ziekenhuis verzocht om kennis te mogen nemen van de inhoud van de MIP-melding, waarbij ze zich beroept op art. 35 lid 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Het ziekenhuis weigert aan het verzoek te voldoen, waarna patiënte de rechtbank verzoekt het ziekenhuis te bevelen de MIP-melding ter inzage te geven.
Het ziekenhuis voert als verweer onder meer aan, dat voor het goed functioneren van het MIP-systeem vertrouwelijkheid gegarandeerd moet zijn en dat (haar belang bij) het goed functioneren van het meldingssysteem zwaarder moet wegen dan het belang van patiënte bij kennisname van de melding. De rechtbank overweegt dat het belang van het ziekenhuis bij het functioneren van het meldingssysteem duidelijk is. Ook is volgens de rechtbank voldoende aannemelijk dat vertrouwelijkheid bij dit meldingssysteem centraal staat. En dat als die vertrouwelijkheid niet gewaarborgd is, het functioneren van het systeem minst genomen belemmerd wordt. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het belang van het ziekenhuis bij het goed functioneren van het meldingssysteem dat artikel 35 Wbp in dit geval buiten toepassing blijft. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat aannemelijk is dat in de onderhavige zaak de melding is gedaan na en naar aanleiding van het ontdekken van het materiaal. Voor zover in de MIP-melding informatie is opgenomen die patiënte niet kent, bestaat die informatie niet uit medische gegevens van/omtrent patiënte of andere persoonsgegevens in de zin van de Wbp.
De rechtbank meent dat het begrijpelijk is dat patiënte in het kader van de afwikkeling van haar vordering op het ziekenhuis ook over overige in de melding opgenomen informatie wenst te beschikken. De Wbp biedt die mogelijkheid volgens de rechtbank echter niet. Zodoende wordt het verzoek van patiënte afgewezen. De MIP-melding mag dus vertrouwelijk blijven.

Ernst de Jong

Overlijdensschade

Rechtbank Den Bosch, 12 januari 2011 (LJN BP: 3110)

Bij een verkeersongeval met een vrachtauto komt een automobilist om het leven. De WAM-verzekeraar van de vrachtauto erkent aansprakelijkheid voor het ongeval. De automobilist laat een echtgenote en een minderjarige dochter als nabestaanden na. De WAM-verzekeraar heeft de kosten van lijkbezorging en een bedrag voor gederfd levensonderhoud van de dochter betaald. De weduwe en dochter nemen hier geen genoegen mee en starten een civiele procedure tegen de WAM-verzekeraar. Daarbij vorderen zij een bedrag van ruim € 1.000.000,=. In de procedure verschillen partijen van mening over de uitgangspunten voor de berekening van de overlijdensschade. De rechtbank stelt allereerst dat onder de verschuldigde kosten van lijkbezorging in dit geval ook moeten worden begrepen de kosten van een grafmonument en een grafakte. Wat betreft de berekening van de schade door het derven van levensonderhoud overweegt dat rechtbank dat de omvang daarvan niet alleen wordt bepaald door de gemiste bijdrage van de overledene in het levensonderhoud van de nabestaanden, maar ook door gehele financiële situatie waarin de nabestaanden zich sinds het overlijden bevinden. De rechtbank verlangt hierbij van de nabestaanden dat zij voldoende feiten stellen, met name ook ten aanzien van de eigen financiële situatie om de schadeberekening op een behoorlijke wijze uit te kunnen voeren. De rechtbank stelt vast dat de nabestaanden aan die verplichting op meerdere belangrijke punten niet hebben voldaan. De rechtbank formuleert uitgangspunten die gehanteerd moeten worden bij de berekening van overlijdensschade maar kan deze niet adequaat invullen omdat de stellingen van de nabestaanden daartoe te summier zijn, onvoldoende zijn onderbouwd en soms ook niet eenduidig zijn. De vordering ter vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud wordt om die reden afgewezen. De nabestaanden krijgen uitsluitend de kosten van lijkbezorging toegewezen.

Oswald Nunes

Redactioneel

Voor u ligt de nieuwe editie van de Nieuwsbrief van KBS Advocaten. Deze bevat, naast de inmiddels gebruikelijke actualiteiten op het terrein van het aansprakelijkheidsrecht een katern waarmee de leden van de sectie Formeel Gezondheidsrecht van KBS
Advocaten zich presenteren. Deze sectie houdt zich bijvoorbeeld bezig met contracten in de zorg, toelatingsgeschillen, maatschapsgeschillen, tarieven en de registratie van
zorgverleners. Door de bijdrage in dit katern krijgt u een beter beeld van wat KBS
Advocaten op dit terrein voor u of uw organisatie allemaal kan betekenen.

De redactie wenst u veel leesplezier.

 

Chirurg is verantwoordelijk, ook voor de anesthesie

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, 6 januari 2011 (zaaknr. C2009.147)

Een thoraxchirurg verricht een operatie bij een man bij wie een tumor in het mediastinum is geconstateerd. Tijdens de operatie zag de arts dat de situatie ernstiger was dan vooraf op grond van het beeldvormend onderzoek werd gedacht. De tumor bleek niet alleen ingegroeid in de vena cava superior, maar ook in de bovenkwab van de rechter long. Tijdens het uitprepareren van de tumor is een partiële vaatklem losgeschoten. Er trad toen een acute bloeding op. Deze is met grote moeite verholpen. De anesthesist uitte het vermoeden dat bij patiënt neurologische schade was ontstaan. Verweerder heeft vervolgens na overleg besloten om af te zien van de voorgenomen totale vervanging van de vena cava superior. De patiënt is overgebracht naar de Intensive Care. Daar aangekomen deed zich een hemodynamische achteruitgang voor. Aansluitend heeft een tweede operatie plaatsgevonden, waarbij de vena cava superior alsnog is vervangen. Deze tweede operatie is ook door de later aangeklaagde arts uitgevoerd. Na de tweede operatie is geconstateerd dat patiënt klinisch hersendood was.
Tegen de arts wordt een klacht ingediend door nabestaanden van de patiënt. De klacht bestaat uit verschillende onderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond. Beide partijen gaan in beroep. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat de anesthesiologische voorbereiding op de operatie niet optimaal geweest is. Omdat op de ct-scan al een verdenking bestond op ingroei van de tumor in de vena cava superior, had rekening gehouden moeten worden met manipulatie van dit vat. De arts had vanwege de beperkte mogelijkheid (eventueel) bloed aan te vullen via het infuus in de hals, als voorzorgsmaatregel, voor aanvang van de operatie, een infuus moeten (doen) aanbrengen in de liesader van de patiënt of zich ervan moeten vergewissen dat dit infuus was aangelegd, zodat bij plotseling substantieel bloedverlies een bloeddrukdaling kon worden opgevangen, aldus het Centraal Tuchtcollege. Het CTG vervolgt: ‘Dat het in beginsel tot de verantwoordelijkheid van de anesthesioloog behoort er voor zorg te dragen dat zo’n infuus is aangebracht, doet er niet aan af dat de arts er een verwijt van kan worden gemaakt dat dit infuus niet is aangebracht, nu de algehele verantwoordelijkheid voor een operatie (inclusief anesthesie) bij de operateur ligt (zie zaak 2004/60 RTG Den Haag en zaak 2004/069 CTG).

Ernst de Jong

 

Een kind met Jehova’s leefregels

Hof Amsterdam, 6 juli 2010 (LJN BN7966 / GJ 2010, 139)

Bij een 15-jarige jongen is een zeldzame tumor, een kiemceltumor, in de grote hersenen vastgesteld met uitzaaiingen in het ruggenmerg. Hij wordt behandeld in het VUmc in Amsterdam. Zijn behandelaars hebben hem en zijn ouders erop voorbereid dat hij chemotherapie zal moeten krijgen. Eventueel gevolgd door een hersenoperatie. Bij die laatste ingreep is mogelijk dat bloedtransfusies dienen te worden gegeven.

Het kind is Jehova’s getuige . Zijn leefregels schrijven voor dat hij zich onder meer dient te onthouden “van bloed en van al wat verstikt is.” Tegen die achtergrond bestaat bij het kind en zijn ouders geen bezwaar tegen chemotherapie maar zij weigeren wel een behandeling waaraan transfusies met bloedproducten te pas kunnen komen.

Bij eerdere beschikkingen zijn de ouders voorlopig onder toezicht gesteld en is vervangende toestemming verleend voor het kunnen uitvoeren van de volledige medische behandeling, inclusief operatie met eventuele bloedtransfusies. Het kind en de ouders vorderen in deze procedure de beschikkingen te vernietigen en het verzoek om ondertoezichtstelling en vervangende toestemming alsnog af te wijzen.

Het Hof acht het kind, hoezeer het kind in dit geschil ook lijdend voorwerp is en in dat kader uitsluitend zijn eigen wilsbekwaamheid doorslaggevend blijkt, niet-ontvankelijk. Een minderjarige is immers, behoudens in deze niet toepasselijke uitzonderingen, niet procesbekwaam. Zijn ouders zijn dat als zijn wettelijk vertegenwoordigers wel, maar ook zij zijn op hun beurt niet-ontvankelijk voor zover het de ondertoezichtstelling betreft. Hiervoor geldt een appelverbod.

Bij het Hof resteert de vraag of de kinderrechter terecht en op juiste gronden vervangende toestemming heeft verleend. Daarover overweegt het Hof dat maatgevend is of het kind (zoals de ouders betogen) in staat moet worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van deze medische behandeling. Bij een bevestigend antwoord is er naar de overweging van het Hof voor vervangende toestemming geen plaats. Onvoldoende onderscheidend zijn, aldus het Hof, de door de kinderrechter in dat verband betrokken omstandigheden, voor zover deze het oog hebben op de leeftijd van het kind en de daaraan gerelateerde mate van psychologische ontwikkeling.

In lijn met artikel 7:450 BW (WGBO), dat als uitgangspunt inhoudt dat de minderjarige wilsbekwaam wordt geacht, heeft het Hof een kinder- en jeugdpsychiater tot deskundige benoemd en gevraagd te onderzoeken of dit kind in staat moet worden geacht, in aanmerking genomen de aard en ernst van de medische situatie, ten volle en zelfstandig in staat te zijn de reikwijdte en gevolgen van zijn standpunt te overzien. Gelet op de kennelijk uitmuntende beoordelingsscores van het kind, heeft de psychiater deze vraag bevestigend beantwoord. En dus oordeelde het Hof dat voor vervangende toestemming geen plaats was. Het kind kon bloedtransfusies weigeren.

Danielle Zwartjens

 

Vaststelling verlies van arbeidsvermogen

Rechtbank Zutphen, 5 januari 2011 (LJN: BP0054)

Verzoeker is – terwijl hij stilstond met zijn auto- van achteren aangereden. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Ter vaststelling van de schade heeft (onder andere) een verzekeringsarts in het kader van de Wet Werk en Bijstand een medische rapportage opgesteld met een beperkingenprofiel. Hij was van oordeel dat het maximaal aantal uren per week op medische gronden vooralsnog niet meer is dan 20 uur/week. Verzoeker wordt ten aanzien van “loonvormende arbeid” in staat geacht om meer dan 75% normaal voltijds te functioneren binnen arbeid, maar pas na gewenning. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht te oordelen dat zijn letsel in causaal verband staat tot het ongeval en dat met inachtneming van de beperkingen de schade kan worden afgewikkeld. Verweerder betwist dat verzoeker dusdanig beperkt is in het vermogen werkzaamheden te verrichten als hij stelt te zijn. Bovendien heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de in het kader van de WAO opgestelde belastbaarheidspatronen niet goed bruikbaar zijn in civiele kwesties, omdat het een ander toetsingskader betreft. Derhalve dienen de beperkingen van verzoeker onafhankelijk te worden vastgesteld. Vervolgens dient een arbeidsdeskundige op voornoemd beperkingen profiel de consequenties hiervan in kaart te brengen voor het verdienvermogen.
De rechtbank volgt het standpunt van verweerder niet en overweegt dat op basis van de beschikbare medische rapportages de resterende verdiencapaciteit kan worden vastgesteld. Daarbij dient te worden aangetekend dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid op medische gronden in een bestuursrechtelijk kader (zoals de WAO) beperkter is dan in een civielrechtelijke context. Bij de beoordeling van het vermogen om werkzaamheden te verrichten spelen ook andere factoren dan medische een rol. Uit het (beschikbare) psychiatrische deskundigenrapport is gebleken naast verzoekers beperkingen op medische gronden, tevens een risico bestond op snelle vermoeibaarheid en stoornissen van concentratie en alertheid. Op medische gronden wordt verzoeker door de verzekeringsarts in staat geacht vooralsnog 20 uur/week te werken. Het feit dat verzoeker WSW geïndiceerd is maakt duidelijk dat hij als kwetsbaar op de arbeidsmarkt is aan te merken. Na afweging van goede en kwade kansen stelt de rechtbank dat verzoeker 20 uur/week kan werken tot en met 2012. Omdat de WSW-indicatie is afgegeven voor drie jaar valt nog enige verbetering te verwachten. Met ingang van 2013 zal verzoeker worden geacht 24 uur/week te kunnen werken en vanaf 2018 28 uur/week. Het risico dat verzoeker niet meer dan 20 uur/week kan werken in WSW-verband dient voor rekening van verweerder te komen, aldus de rechtbank.

Suzanne Steegmans

 

Indexering medische kosten

Jaarlijks wordt de vergoeding van niet dossiergebonden medische kosten, zoals bedoeld in het Convenant Buitengerechtelijke Kosten Letsel, geïndexeerd. Per 1 januari 2011 is het uurtarief voor dit jaar vastgesteld op € 154,-.

‘Working at the carwash’

Rechtbank Maastricht, sector kanton , 12 januari 2011 (LJN: BP2143)

Een werknemer glijdt tijdens zijn werkzaamheden in 1998 uit in de wasstraat. Als gevolg van de lichamelijke klachten en beperkingen die hij aan de val overhoudt, is hij voor 80-100% afgekeurd. Zijn werkgever heeft aansprakelijkheid erkend, waarna partijen in de periode 2002-2005 overeenstemming bereiken over de afwikkeling van de (im)materiële schade. De werkgever betaalt een bedrag van € 145.500,-.
In 2008 wendt (de advocaat van) de werknemer zich opnieuw tot zijn werkgever met betrekking tot zijn verlies aan verdienvermogen. De werkgever, althans de verzekeraar van de werkgever, stelt zich op het standpunt dat de werknemer zich dient te onderwerpen aan medisch onderzoek om het verlies aan verdienvermogen vast te stellen.
De werknemer wenst daaraan echter geen medewerking te verlenen en start een deelgeschilprocedure om de werkgever te veroordelen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 287.350,-.
De werkgever voert verweer en stelt zich op het standpunt dat (1) de werknemer zich aan medisch onderzoek dient te onderwerpen (2) geen sprake is van een deelgeschil en (3) de berekening van het verlies aan verdienvermogen niet klopt.

De kantonrechter zet de belangrijkste kenmerken van een deelgeschilprocedure uiteen. Een deelgeschilprocedure is bedoeld om betrokkene(n) een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter te bieden ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Er is, aldus de kantonrechter, sprake van een deelgeschil als het verzoek een geschil betreft waarbij partijen een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt aan de rechter voorleggen. Als de uitkomst van het deelgeschil (toch) niet bijdraagt aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, staat geen beroep open tegen de beslissing in het deelgeschil. Partijen kunnen dan alsnog de hele zaak voorleggen in een bodemprocedure. De kantonrechter overweegt vervolgens dat het in casu door de werknemer verzochte zich niet beperkt tot beslissing van een deelvraag, omdat het is geformuleerd als een petitum in een bodemprocedure.

Dat geen beslissing omtrent de kosten buiten rechte is gedaan doet daaraanniet af. Reeds om die reden is volgens de kantonrechter geen sprake van een deelgeschil zodat de vordering wordt afgewezen.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter vervolgens dat als een beoordeling van de ter zitting gebleken principiële en verstrekkende debatpunten tussen partijen zou plaatsvinden, de procedure wat betreft inhoud en tijdsduur het karakter van een bodemprocedure zou krijgen. Dit past in de visie van de kantonrechter niet bij de ratio en het doel van de deelgeschilprocedure. Met name niet omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de beslissing op het verzochte zal leiden tot een succesvolle totstandkoming van een buitengerechtelijke regeling.

Lenore Beij

 

Geen recht op kopie advies medisch adviseur

Rechtbank Utrecht, 17 november 2010

In deze procedure verzoekt patiënte op basis van de Wet Bescherming Persoonsgegevens om een kopie van het advies van de medisch adviseur van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis. Patiënte heeft het verzoek voorts gebaseerd op de (oude) Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen.

De verzekeraar van het ziekenhuis weigerde een kopie van dit advies te verstrekken en heeft zich beroepen op de uitzonderingsgrond van de Wbp, waarin is bepaald dat de Wbp onder bepaalde omstandigheden buiten toepassing kan worden gelaten. De verzekeraar voert daartoe aan dat adviezen van de medisch adviseur het vertrouwelijk karakter hebben dat noodzakelijk is om in vrijheid overleg te kunnen voeren over het naar de wederpartij in te nemen standpunt.

De rechtbank volgt de verzekeraar in het beroep op de uitzonderingsgrond. De rechtbank overweegt dat het advies van de medisch adviseur er met name toe dient om de verzekeraar in staat te stellen een standpunt in te nemen jegens de wederpartij. Dergelijk beraad dient in vertrouwelijkheid te kunnen worden gevoerd. Het zou de ongestoorde gedachtewisseling van de aangesproken persoon om te komen tot een standpunt betreffende de aansprakelijkstelling te zeer (kunnen) schaden, indien een afschrift van het advies van de medisch adviseur zou moeten worden verstrekt.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de (oude) Gedragscode niet kan worden afgeleid dat verzekeraars zich hebben verbonden ook afschriften te verstrekken van de adviezen van de medisch adviseurs. In de (oude) Gedragscode is bepaald dat rapporten van ondermeer ‘controlerend en expertiserend geneeskundigen’ worden opgenomen in het medisch dossier en dat een betrokkene het recht heeft een kopie van dit medisch dossier te ontvangen. De rechtbank stelt vast dat adviezen van medisch adviseurs- anders dan rapporten van expertiserende en controlerende artsen - geen eigen onderzoeksbevindingen bevatten, maar conclusies en bevindingen op basis van de in het medisch dossier opgenomen gegevens. Het andere karakter van adviezen van medisch adviseurs rechtvaardigt dat de verplichtingen uit de (oude) Gedragscode daar niet voor gelden. Dit geldt overigens ook voor de nieuwe Gedragscode, nu hierin naar het oordeel van de rechtbank vergelijkbare bepalingen zijn opgenomen.

Deze uitspraak benadrukt het belang van vertrouwelijkheid bij het overleg met de medisch adviseur met betrekking tot het naar de wederpartij in te nemen standpunt. Met een beroep op de uitzonderingsgrond van de Wbp kan een verzoek tot het verstrekken van een kopie van het advies van de medisch adviseur worden geweigerd.

Merlijn Christe

 

De betekenis van het belastbaarheidspatroon

Hof Arnhem, 20 juli 2010 (L&S 2010, 193)

Een bromfietser werd door een auto aangereden op 15 januari 1997. Als gevolg daarvan ontwikkelde hij diverse fysieke en mentale klachten. Na erkenning van aansprakelijkheid door de verzekeraar van de auto werd in gezamenlijk overleg een neuroloog benoemd ter vaststelling van de beperkingen die uit het ongeval voortvloeiden. Partijen bereikten naar aanleiding van diens bevindingen geen overeenstemming. Het slachtoffer startte daarop een bodemprocedure. In dat verband benoemde de rechtbank een arbeidsdeskundige onder de overweging dat die, alvorens zijn onderzoek aan te vangen, een verzekeringsgeneeskundige diende in te schakelen voor het opstellen van een belastbaarheidspatroon. Daarbij moest tevens worden gekeken naar de duurbelastbaarheid.

De verzekeringsgeneeskundige was vervolgens van oordeel dat het slachtoffer 8 uur per dag belastbaar was. Echter bleek uit de overige medische informatie vrij consistent dat hij maximaal 6 uur per dag belastbaar was voor eenvoudig routinematig werk. Gegeven het feit dat het slachtoffer ten tijde van het onderzoek nog 25 uur per week werkte, waarbij hij bij toename vergeetachtig was en andere fysieke klachten vermeldde en aangaf dat hij na een werkdag van 8 uur meer last had, kan het Hof niet begrijpen dat de verzekeringsgeneeskundige desalniettemin van oordeel is dat het slachtoffer in staat moet zijn om 5 dagen per week 8 uur per dag te kunnen werken. Het Hof neemt die conclusie van de verzekeringsgeneeskundige dan ook niet over.

Het slachtoffer had zich op het blokkeringsrecht beroepen voor het uitbrengen van het arbeidsdeskundig rapport. De arbeidsdeskundige liet daarop de rechtbank weten dat hij zijn onderzoek niet kon voortzetten. Het slachtoffer verzocht om de benoeming van een andere verzekeringsgeneeskundige. De verzekeraar verzette zich daartegen. De rechtbank wees vervolgens bij eindvonnis de vorderingen af. Het Hof dacht daar dus anders over, omdat naar zijn overtuiging het slachtoffer terecht de door de verzekeringsgeneeskundige in kaart gebrachte belastbaarheid onjuist achtte. Restte in deze procedure vervolgens dus de vraag welke beperkingen dan bij het slachtoffer wel bestonden en wat de daaruit voortvloeiende schade was. De zaak werd daartoe verwezen naar de rol.

Erik-Jan Wervelman

 

Hoor en wederhoor

Rechtbank Rotterdam, 9 februari 2011 (LJN BP: 6533)

In veel civiele medische aansprakelijkheidzaken wordt door de rechter een onafhankelijke deskundige ingeschakeld om zich te laten voorlichten. Transparantie over het traject dat de deskundige doorloopt tot aan het eindrapport is daarbij zeer belangrijk. In deze – overigens niet medische – zaak had één van de partijen (A) de door de rechter benoemde deskundige op het kantoor van haar advocaat uitgenodigd. De deskundige was op deze uitnodiging ingegaan en gaf tijdens een bespreking zijn visie op de zaak, waarna de advocaat van partij A haar visie op de zaak gaf. De andere partij (B) was voor deze bespreking niet uitgenodigd en was daarvan zelfs niet eens op de hoogte. Na het verschijnen van het definitieve rapport stelde de partij B zich op het standpunt dat door deze gang van zaken de schijn was gewekt dat van een onafhankelijk deskundigenbericht geen sprake was, zodat het door de deskundige uitgebrachte deskundigenbericht niet de basis kon zijn voor het eindoordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt voorop dat het beginsel van hoor en wederhoor een fundamenteel beginsel in ons procesrecht is, dat ook door een door de rechtbank benoemde deskundige in acht genomen dient te worden.
In de door de Raad voor de Rechtspraak opgestelde Leidraad voor deskundigen (zie www.rechtspraak.nl) wordt hieraan ook uitvoerig aandacht besteed. In deze Leidraad is als hoofdregel vermeld dat het de deskundige niet vrij staat slechts met één van partijen te communiceren zonder dat de andere partij daarvan tevoren op de hoogte is. Voorts bevat de Leidraad de bepaling dat de deskundige in het oog houdt dat hij niet met een partij spreekt zonder dat hij de wederpartij de gelegenheid biedt bij het gesprek aanwezig te zijn. Dit is in het onderhavige geval niet geschied. Van de bespreking is ook geen verslag gemaakt, zodat de niet gehoorde partij ook niet op de hoogte is van het hetgeen besproken is. Door deze gang van zaken is het beginsel van hoor en wederhoor volgens de rechtbank geschonden. Omdat de rechtbank niet uitgesloten acht dat de deskundige is beïnvloed door hetgeen (de advocaat van) partij A tijdens de bespreking naar voren heeft gebracht is in ieder geval de schijn van partijdigheid gewekt, waardoor het uitgebrachte rapport op die grond niet als basis kan dienen voor de verdere beoordeling door de rechtbank. De rechtbank gaat over tot het benoemen van een nieuwe deskundige.

Oswald Nunes

_________________________________________________________________

KATERN formeel gezondheidsrecht

_________________________________________________________________
 

Ziekenhuis (mede-)verantwoordelijk voor re-integratie vrijgevestigd medisch specialist?

Iedere Raad van Bestuur heeft er wel eens mee te maken: een medisch specialist die voor enige tijd arbeidsongeschikt raakt. Meestal vindt waarneming in goed overleg plaats en is sprake van spoedig herstel. Een enkele keer echter laat herstel op zich wachten of kan de betreffende specialist slechts geleidelijk aan weer aan het werk.

Als de medisch specialist op basis van een toelatingsovereenkomst zijn praktijk in het ziekenhuis uitoefent, ligt het risico van arbeidsongeschiktheid en uitblijven van herstel in de eerste plaats bij hem zelf. Datzelfde geldt voor omstandigheden die verband houden met re-integratie. 

Dit betekent niet dat op de Raad van Bestuur geen enkele verantwoordelijkheid of verplichting rust. In een van zijn uitspraken het afgelopen jaar overwoog het Scheidsgerecht Gezondheidszorg dat een ziekenhuis op grond van haar algemene verantwoordelijkheid voor een goed niveau van zorg zich naar redelijkheid dient in te spannen om de uitval van een specialist zo kort mogelijk te laten duren en de voorwaarden voor herstel optimaal te doen zijn. Het ziekenhuis is met andere woorden ook tegenover een vrijgevestigd specialist verplicht om voorwaarden te creëren die een spoedige en succesvolle re-integratie bevorderen. 

In het betreffende geval had de Raad van Bestuur de arbeidsongeschikte specialist voornamelijk vragen gesteld en hem daarbij gewezen op zijn eigen verplichtingen. Dat was volgens het Scheidsgerecht onvoldoende. Dat de specialist de Raad van Bestuur pas laat adequaat over zijn ziekte en de re-integratiemogelijkheden had geïnformeerd, maakte dit oordeel niet anders. 

Intussen had het ziekenhuis de toelatingsovereenkomst met de specialist opgezegd, omdat de arbeidsongeschiktheid meer dan een jaar duurde. Herstel viel binnen een jaar niet te verwachten. Ofschoon het Scheidsgerecht de opzegging rechtmatig achtte, rekende hij het ziekenhuis haar handelwijze wel aan. Mede gezien haar aandeel in het uitblijven van een tijdige re-integratie, veroordeelde het Scheidsgerecht het ziekenhuis tot betaling aan de specialist van een (forse) vergoeding naar billijkheid.

Mascha Bots

 

Veranderde financiering nekt gezondheidscentra

Rechtbank Rotterdam, 21 januari 2011(LJN: BP3518)

Onlangs hebben in Rotterdam twee gezondheidscentra aan den lijve ondervonden dat een lange bestaansgeschiedenis geen garanties biedt voor de toekomst. De stichtingen, die gezondheidscentra in Rotterdam Centrum en Delfshaven exploiteerden, bestonden al sinds eind jaren zeventig. Vanaf 2009 hadden de stichtingen zich verbonden in een overkoepelend samenwerkingsverband tezamen met een derde gezondheidscentrum in Feijenoord. De reden daarvoor was ondermeer een veranderde financieringsstructuur voor gezondheidscentra. Voorheen werden de stichtingen met name gefinancierd door subsidies vanuit de overheid. Vanaf 2009 werd deze wijze van financiering vervangen door prestatiegerichte bekostiging via een contract met de zorgverzekeraar. Volgens dit contract moeten gezondheidscentra aan de zorgverzekeraar informatie verstrekken over de feitelijk geleverde prestaties (‘prestatie-indicatoren’), om aan te tonen dat de samenwerking binnen het gezondheidscentrum leidt tot meer doelmatigheid en tot een betere kwaliteit. 

De zelfstandige huisartsen en fysiotherapeuten werkzaam in beide gezondheidscentra stonden niet achter het overkoepelend samenwerkingsverband. Volgens hen kwam dit namelijk niet ten goede aan hun eigen centra. In 2010 groeide dit uit tot een conflict met de stichtingsbesturen. De beroepsbeoefenaren weigerden toen om de prestatie-indicatoren uit hun patiëntenadministratie aan te leveren. Omdat daardoor het contract met de zorgverzekeraar in gevaar kwam, hebben de stichtingen daarop alle huisartsen en fysiotherapeuten in beide gezondheidscentra in kort geding gedagvaard om hen alsnog tot levering van deze informatie te dwingen. 

De beroepsbeoefenaren stelden dat zij nooit met de stichtingen hadden afgesproken verplicht te zijn om prestatie-indicatoren aan te leveren. De stichtingen stelden daarop dat deze verplichting weliswaar niet was vastgelegd maar logisch voortvloeide uit de al zo lang bestaande samenwerking tussen partijen. 

De voorzieningenrechter was van oordeel dat van concreet bestaande afspraken niet was gebleken. Dat partijen eerder wel over dergelijke afspraken hadden gesproken maakte nog niet dat de stichtingen erop hadden mogen vertrouwen dat die uiteindelijk ook daadwerkelijk tot stand zouden komen. De vordering werd afgewezen. Daardoor kwamen de stichtingen definitief zonder financiering te zitten. 

Uit deze uitspraak volgt dat het van groot belang is om bij veranderende wet- en regelgeving de interne organisatie van de zorginstelling kritisch te (blijven) toetsen op eventueel noodzakelijke (contractuele) aanpassingen. Het is gevaarlijk slechts te vertrouwen op een reeds lang bestaande samenwerking. 

Jurriaan Verduijn

 

Menzis hoeft niet voor huisarts te zorgen

Gerechtshof Leeuwarden, 25 januari 2011 (Zaak 200.076.927/01)

Een man heeft met Menzis Zorgverzekeraar een zorgverzekering afgesloten. Hij heeft echter een probleem om een huisarts te vinden. Zowel de drie in de directe nabijheid van de man gevestigde huisartsen, als de huisartsen in de verdere omgeving hebben geweigerd de man als patiënt in hun praktijk op te nemen. Hij is een lastige patiënt die door huisartsen en hun medewerkers als agressief en intimiderend wordt ervaren.
De man spreekt niet de huisartsen, maar Menzis in rechte aan. Hij vordert in kort geding dat Menzis wordt veroordeeld om te bewerkstelligen dat gedurende de looptijd van de tussen partijen lopende bodemprocedure er voor appellant een huisarts in de nabije woonomgeving beschikbaar is, die de man ook in niet acute gevallen kan behandelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Menzis verweert zich door onder naar voren te brengen dat zij haar zorgplicht jegens de man buitengewoon serieus heeft genomen. Zij heeft voor haar verzekerden voldoende huisartsenzorg gecontracteerd, ook in de nabije omgeving van de man. Menzis heeft getracht te bemiddelen voor de man. Menzis heeft nog eens persoonlijk een groep huisartsen benaderd met de vraag of zij de man als patiënt willen aannemen en of zij wellicht een oplossing zien voor de man. Menzis heeft er verder voor gezorgd dat de man voor huisartsenzorg terecht kan bij de Dokterswacht Friesland, aldus het verweer van Menzis.
De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man af, waarop de man in appel gaat. Het Hof overweegt dat de man in de bodemprocedure gevorderd heeft dat Menzis ertoe wordt veroordeeld om te bewerkstelligen dat voor hem een huisarts in de nabije omgeving beschikbaar is die hem ook in niet-acute gevallen kan behandelen. In het kort geding is de vordering gelijkluidend, met dien verstande dat de veroordeling wordt gevraagd gedurende de looptijd van de bodemprocedure. De voorzieningenrechter heeft de voorziening geweigerd bij gebrek aan spoedeisend belang. Daarbij is de voorzieningenrechter ervan uitgegaan dat Menzis met de dokterswacht Friesland de afspraak heeft gemaakt dat de man tijdens openingsuren voor niet –spoedeisende hulp op deze dokterswacht terecht kan.
De man stelt dat deze regeling in de praktijk 'niet werkt', maar het hof constateert dat de man zelf weigert naar de dokterswacht te komen als dat van hem wordt gevraagd. Volgens het hof is niet aannemelijk, dat de man 'keer op keer wordt weggestuurd' en dat hem op oneigenlijke gronden (in strijd met de gemaakte afspraak) medicatie wordt onthouden. Ook het hof is daarom van oordeel dat het noodzakelijke spoedeisende belang ontbreekt.
Voorts overweegt het hof dat de vordering gebaseerd is op de stelling dat Menzis verplicht kan worden te bewerkstelligen dat een verzekerde een eigen huisarts krijgt die hem ook in niet-acute gevallen van geneeskundige eerstelijnszorg kan voorzien. Het hof volgt de man daarin niet. Het verlenen van individuele huisartsenzorg is een verantwoordelijkheid van de huisarts. Daarom valt niet in te zien op grond van welke rechtsregel van Menzis kan worden verlangd dat zij bewerkstelligt dat voor een verzekerde een huisarts in de nabije omgeving beschikbaar is. Het ontbreekt de vordering dus niet alleen spoedeisend belang, maar ook aan een deugdelijke onderbouwing. Het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd.

Ernst de Jong

 

Disfunctioneren medisch specialist

De medisch specialistische zorg in het ziekenhuis wordt verleend door specialisten die een arbeidsovereenkomst met het ziekenhuis hebben of als vrijgevestigd specialist tot het ziekenhuis zijn toegelaten. In het laatste geval is er sprake van een toelatingsovereenkomst. Het ziekenhuis kan zo’n overeenkomst opzeggen. Daarvoor moeten gewichtige redenen bestaan. Geschillen tussen specialisten en ziekenhuizen worden door middel van arbitrage beslecht door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg.

Op 28 juni 2010 heeft het Scheidsgerecht uitspraak gedaan waarin de vraag of het ziekenhuis voldoende grond had om de toelatingsovereenkomst met haar specialist op te zeggen centraal stond. Het betrof een specialist van 60 jaar die al meer dan 25 jaar in het ziekenhuis de praktijk uitoefende. In medisch technisch opzicht viel de specialist niets te verwijten. Hij was vakbekwaam en er waren geen klachten of calamiteiten gemeld over gebeurtenissen waarbij hij was betrokken. De specialist werd verweten dat hij tekort schoot in de communicatie en samenwerking met andere specialisten en personeel van het ziekenhuis. In opdracht van de Raad van Bestuur was een onderzoek ingesteld naar de problemen op de afdeling. De conclusie was dat het gebrek aan communicatieve vaardigheden van de specialist problemen opleverde en een risico vormde voor de kwaliteit van zorg. De maatschap van de specialist vond dat het ziekenhuis de toelatingsovereenkomst met de specialist niet mocht opzeggen, omdat de specialist zijn functie van medisch manager had neergelegd. Toch oordeelde het Scheidsgerecht dat voor die opzegging voldoende grond aanwezig was. Aan de specialist werd geen schadevergoeding toegekend. Daarmee verloor de specialist zijn inkomen en zal hij op zoek moeten gaan naar andere mogelijkheden om zijn vak uit te oefenen.

Deze uitspraak laat zien, dat bij de beoordeling van de vraag of een specialist disfunctioneert de punten communicatie en samenwerking een prominente betekenis hebben. Ook in andere uitspraken van het Scheidsgerecht komt dat naar voren. Verwonderlijk is dat niet, aangezien medisch-specialistische zorg teamwork is en er voorbeelden zijn van calamiteiten die zich hebben voorgedaan door gebrekkige samenwerking of communicatie. De Raad van Bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg op grond van de kwaliteitswet zorginstellingen en heeft in deze casus zijn verantwoordelijkheid genomen door zelf onderzoek te laten doen en vervolgens te besluiten de toelatingsovereenkomst te beëindigen. In veel ziekenhuizen bestaat een reglement. Mogelijk disfunctionerend medisch specialist dat gebaseerd is op het model dat de OMS in 2008 heeft opgesteld. Op grond van dit reglement wordt naar mogelijk disfunctioneren van een specialist onderzoek gedaan in opdracht van het stafbestuur, dat vervolgens advies uitbrengt aan de Raad van Bestuur. Of in deze casus een dergelijk reglement van kracht was is niet bekend. Raden van Bestuur, stafbesturen en specialisten doen er verstandig aan met elkaar te bespreken wie in voorkomende gevallen het voortouw neemt bij signalen dat een specialist disfunctioneert. Nog beter is disfunctioneren te voorkomen door problemen in de samenwerking tijdig te signaleren en bespreekbaar te maken. Instrumenten als het Individueel Functioneren Medisch Specialisten (IFMS) en kwaliteitsvisitaties kunnen daarbij helpen.

Ruud van der Mark