Home Shockschade: Hoge Raad blijft bij eerder geformuleerde gezichtspunten

Shockschade: Hoge Raad blijft bij eerder geformuleerde gezichtspunten

Wanneer iemand door een onrechtmatige daad een ander doodt of verwondt, beperkt de onrechtmatigheid zich niet altijd tot het primaire slachtoffer. Ook kan sprake zijn van onrechtmatig handelen jegens degene die door de confrontatie met de daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele shock ervaart (het secundaire slachtoffer). We spreken dan ook wel van shockschade. Of dit het geval is, hangt af van de omstandigheden waaronder de onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan hebben plaatsvonden. De Hoge Raad heeft dit opnieuw bevestigd in zijn arrest van 11 november 2025 en houdt hierbij vast aan zijn eerder geformuleerde gezichtspunten ten aanzien van shockschade uit het arrest van 28 juni 2022.

De mogelijkheid van een op art. 6:162 BW gebaseerde shockschadevordering werd voor het eerst door de Hoge Raad in het Taxibus-arrest uit 2002 aanvaard. Een vijfjarig meisje overleed doordat zij werd overreden door een taxibus. De moeder van het meisje trof haar dochter kort na het ongeval op straat aan. Deze confrontatie leidde bij de moeder tot geestelijk letsel. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest dat een vergoeding van immateriële schade, wanneer deze het gevolg is van de aan het onrechtmatig handelen van de veroorzaker toe te rekenen schokkende confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval, voor vergoeding in aanmerking komt. Naar aanleiding van het Taxibus-arrest werd er in de feitenrechtspraak ten aanzien van dit leerstuk veelvuldig en soms verschillend geoordeeld, waarop de Hoge Raad aanleiding zag om zijn rechtspraak hierover in het arrest van 28 juni 2022 te preciseren. In dit arrest gaf de Hoge Raad een nadere aanvulling aan de onrechtmatigheidstoets en aan het vereiste geobjectiveerd geestelijk letsel.

In zijn arrest van 11 november 2025 ging het om het schietincident dat in november 2019 plaatsvond. Terwijl een advocaat (curator) zijn hond vlakbij zijn woning uitliet, werden er vanaf een korte afstand meerdere kogels in de richting van de advocaat geschoten. De advocaat raakte gewond en liep hierbij letsel op.

In deze procedure werd shockschade gevorderd, nu de partner van de advocaat in een appbericht had gelezen dat er iemand gewond was geraakt bij een schietpartij bij haar in de straat. Vrezend dat haar partner het slachtoffer was, vernam zij van de politie dat haar partner inderdaad het slachtoffer was en dat hij naar het ziekenhuis was gebracht. In het ziekenhuis vernam zij dat haar partner werd geopereerd aan een schotwond in zijn been.

Naar het oordeel van het hof was er echter geen sprake van shockschade, nu er geen sprake was van een confrontatie met de jegens de partner van de advocaat gepleegde onrechtmatige daad of de gevolgen daarvan.

Een van de cassatiemiddelen klaagt over de afwijzing van de door het secundaire slachtoffer gevorderde vergoeding voor schokschade. Het oordeel berust volgens het cassatiemiddel op een verkeerde lezing van het arrest van 28 juni 2022. Het hof zou namelijk ten onrechte van oordeel zijn dat het confrontatievereiste inhoudt dat door de benadeelde partij het delict direct moet zijn waargenomen.

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest dat geen blijk is van een onjuiste rechtsopvatting van het hof. De Hoge Raad herhaalt zijn eerder geformuleerde gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van onrechtmatigheid jegens het secundaire slachtoffer. Onder meer zijn van belang (1) de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed, (2) de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer en de gevolgen daarvan, en (3) de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer.

Daarnaast is shockschade beperkt tot de schade die volgt uit naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel. Het moet hierbij gaan om geestelijk letsel dat gelet op de aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar is. Niet is vereist dat de diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is gesteld. Voor toewijzing kan voldoende zijn dat de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij kan worden gedacht aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel.


Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven