Bestuur vereniging verplicht tot verstrekken ledenlijst

22-07-2018

Een lid van een vereniging verzoekt het bestuur een actuele ledenlijst te verstrekken, om een algemene ledenvergadering (ALV) bijeen te kunnen roepen. Het bestuur weigert. Terecht? In deze zaak oordeelde het Gerechtshof Den Bosch van niet.

 

Twee leden (een coöperatie en stichting) van de Branchevereniging Kleinschalige Zorg (BVKZ) wilden een ALV bijeenroepen om (vermeende) misstanden binnen het bestuur (onder meer een gebrek aan transparantie en belangenverstrengeling binnen het bestuur) aan de orde te stellen. De voorzitter van deze leden was eerder als lid van het bestuur van BVKZ ontslagen.

 

Het hof stelt voorop dat er geen bijzondere rechtsregel bestaat op grond waarvan een vereniging gehouden is steeds een ledenlijst aan een lid van die vereniging te verstrekken. In dit geval oordeelt het hof (in afwijking van de voorzieningenrechter van de rechtbank) dat de BVKZ daartoe wél is verplicht, vanwege de volgende omstandigheden:

 

  • de vordering is ingegeven door de wens om misstanden bij het bestuur met andere leden te bespreken. Dit is een gerechtvaardigd (spoedeisend) belang. Daaraan doet niet af dat die misstanden niet zijn bewezen;

 

  • in de statuten van BVKZ is voorgeschreven dat een quorum van 10% van de leden nodig is om een verzoek tot het bijeenroepen van een (extra) ledenvergadering aan BVKZ te kunnen doen en dat pas na afwijzing van dat verzoek door het bestuur van BVKZ, deze twee individuele leden zelf kunnen overgaan tot bijeenroeping. Om een dergelijk verzoek te kunnen doen dienden deze leden over een actuele ledenlijst te kunnen beschikken;

 

  • noch de wet, noch de statuten van BVKZ stellen beperkingen aan de onderwerpen/agendapunten die op een ledenvergadering kunnen worden besproken;

 

  • niet was betwist dat de ledenlijst die op de website van BVKZ was gepubliceerd een niet actuele lijst betreft. Het verweer dat uit die lijst zelf een actuele ledenlijst kan worden geconstrueerd faalde. Volgens het hof is dit standpunt in strijd met de redelijkheid en billijkheid, die op grond van artikel 2:8 BW de verhouding tussen partijen beheersen, eisen.

 

Klik hier voor de uitspraak van het hof (ECLI:NL:GHSHE:2018:2005).

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

AP start onderzoek naar naleving privacyregels door grote organisaties

20-07-2018

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is een verkennend onderzoek gestart naar de naleving van de AVG door grote organisaties, in onder meer de zorg en zakelijke dienstverlening.

 

Onderzoek

 

Eerder werd al bij 400 overheidsorganisaties gecontroleerd of een FG was aangemeld. Nu wordt aan de hand van een willekeurige steekproef bij 30 grote organisaties in 10 private sectoren onderzocht of een register van verwerkingsactiviteiten wordt bijgehouden. De steekproef wordt uitgevoerd in onder meer de zorg en zakelijke dienstverlening. Organisaties zijn verplicht het register te verstrekken als de AP daar om vraagt. 

 

Verplichting verwerkingsregister

 

De verplichting om een verwerkingsregister bij te houden geldt voor:

 

1. alle organisaties met 250 of meer werknemers;

 

2. organisaties met minder dan 250 werknemers die

 

a. structureel persoonsgegevens verwerken, zoals gegevens over werknemers, óf;

 

b. persoonsgegevens verwerken met een hoog risico voor de rechten en vrijheden van betrokken personen, óf;

 

c. bijzondere persoonsgegevens verwerken, zoals gegevens over gezondheid.

 

Inhoud verwerkingsregister

 

Het register van verwerkingsactiviteiten bevat informatie over de persoonsgegevens die organisaties verwerken.

 

In het verwerkingsregister dienen de volgende onderdelen te worden opgenomen:

 

1. de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke (en van een eventuele vertegenwoordiger en/of FG);

 

2. de verwerkingsdoeleinden;

 

3. de categorieën betrokkenen van wie persoonsgegevens worden verwerkt;  

 

4. de categorieën persoonsgegevens die worden verwerkt;

 

5. de categorieën van ontvangers aan wie de gegevens worden verstrekt (ook ontvangers in ‘derde landen’, ofwel landen buiten de EER);

 

6. als persoonsgegevens aan derde landen (buiten de EER) worden verstrekt: vermelding van het derde land en, indien van toepassing, gegevens over de passende waarborgen die zijn getroffen om de persoonsgegevens in dit derde land te beschermen;  

 

7. indien mogelijk, de beoogde termijnen waarbinnen de gegevens moeten worden gewist;

 

8. indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen.

 

Vragen?

 

Heeft u vragen over het bijhouden van een verwerkingsregister of over andere verplichtingen onder de AVG? U kunt mij bellen of mailen (030-2122845 / e.luijendijk@kbsadvocaten.nl).

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

De angst van omwonenden bij komst nieuwe behandellocatie verslavingszorg

19-07-2018

De komst van een nieuwe behandellocatie voor verslavingszorg; bij omwonenden kan dat voor onrust zorgen vanwege de angst voor overlast. In een recente zaak die speelde bij de Voorzieningenrechter Midden-Nederland werd door
omwonenden getracht om het in gebruik nemen van zo een nieuwe behandellocatie te laten verbieden.

 

Een stichting die zich bezig houdt met verslavingszorg heeft in 2017 een huurovereenkomst gesloten met de gemeente Utrecht. In het gehuurde pand – dat is gevestigd in de binnenstad en op 2 juli 2018 in gebruik is genomen - zullen onder meer volwassenen met problemen op psychiatrisch, verslavings- en forensisch gebied worden behandeld.

 

Omwonenden kwamen hiertegen in opstand. Zij vreesden niet alleen overlast van cliënten, maar ook van drugsverslaafden en dealers. Zij stelden dat zich in de afgelopen jaren veel incidenten hebben voorgedaan als gevolg van de komst van andere verslaafdenopvang, coffeeshops, hangplekken met drugsverslaafden en illegale prostitutie. De omwonenden vorderden in kortgeding de gemeente en de stichting te verbieden om de behandellocatie in gebruik te nemen, omdat dit onrechtmatige hinder zou veroorzaken. 

 

Tevergeefs. Kortgezegd overwoog de voorzieningenrechter dat er thans geen overlast plaatsvond en dat het niet mogelijk was om de locatie te sluiten omdat er in de toekomst mogelijk overlast zou kunnen ontstaan. Verwezen zij naar r.o 4.4 en 4.5:

 

“4.4 Arkin heeft onweersproken gesteld dat [eiser 1] c.s. op dit moment geen hinder ondervindt die aan haar toe te rekenen is. De hinder in de wijk die omwonenden zouden ondervinden, valt volgens de stellingen van [eiser 1] c.s. toe te rekenen aan derden, te weten de verslaafdenopvang, coffeeshops, hangplekken met drugsverslaafden en illegale prostitutie die in de buurt zouden zijn gevestigd. De redenering dat (de cliënten van) Arkin hinder zal (zullen) veroorzaken in de toekomst, omdat dit een logisch gevolg is van het vestigen van een dergelijke behandellocatie in een reeds onrustige buurt, volgt de voorzieningenrechter niet. In de stukken wordt meerdere malen verwezen naar ervaringen van buurtbewoners van de voormalige kliniek in de ABC-straat, maar dit is geen goede vergelijking met de [vestigingsadres] , omdat in de ABC-straat een verblijfkliniek was gevestigd. Bovendien is het aanvoeren van de ervaringen uit het verleden van buurtbewoners van andere behandel- en opvanglocaties van Arkin onvoldoende om te kunnen concluderen dat Arkin overlast gaat veroorzaken aan de [vestigingsadres] . Daarenboven wordt door Stichting Arkin c.s. weersproken dat er sprake was van ontoelaatbare hinder op andere locaties. Voor de locatie van Arkin aan de [vestigingsadres] is verder door alle betrokkenen een buurtbeheerplan ondertekend dat is gericht op het voorkomen van en optreden tegen eventuele overlast in de omgeving van de [vestigingsadres] .

 

4.5 De voorzieningenrechter overweegt verder dat het de Gemeente, binnen de kaders van wet- en regelgeving, vrij staat te beslissen aan wie zij verhuurt. [eiser 1] c.s. stelt dat hij niet adequaat geïnformeerd en op geen enkele wijze betrokken is bij de uitwerking van de basisafspraken tussen de Gemeente en Arkin in het buurtbeheerplan. Gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stelling door Stichting Arkin c.s., zal de voorzieningenrechter de stelling van [eiser 1] c.s. als onvoldoende onderbouwd passeren. De primaire vordering van [eiser 1] c.s. zal daarom worden afgewezen.”

 

De uitspraak laat zien dat alleen angst voor overlast onvoldoende is om de behandellocatie te sluiten. Het was aan de omwonenden om de onrechtmatige hinder aan te tonen en nu zij daarin niet zijn geslaagd, zien zij hun vordering stranden. 

 

Klik hier voor de uitspraak.

 

Mr. August de Hoogh

anl.dehoogh@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 867

Ziekenhuis hoeft patiënt niet in te lichten over DBC-systematiek

13-07-2018

De Geschillencommissie Ziekenhuizen oordeelt dat er op het ziekenhuis geen informatieplicht rust om een patiënt voorlichting te geven over de DBC-systematiek, het verstrijken van de termijn van een DBC en de in verband daarmee voor een patiënt mogelijk te ontstane hogere kosten.

 

Op 27 juli 2016 bezocht een patiënt de KNO-arts in het ziekenhuis in verband met neusklachten. Er is toen geprobeerd om de klachten met neusspray te verhelpen, maar toen dit weinig resultaat gaf, is op 20 december 2016 besloten tot een curis-behandeling (verkleinen van de neusschelpen). Op 28 december 2016 heeft patiënt die curis-behandeling ondergaan. Op die datum is ook een controle-afspraak gemaakt voor 27 februari 2017. Tijdens die controle bleek dat de behandeling aan de rechterzijde van de neus niet het gewenste resultaat had. Begin maart 2017 ontving cliënt vervolgens een factuur van € 707,11 voor de curis-behandeling. Uit deze factuur bleek dat de periode van de DBC van de curis-behandeling op 8 februari 2017 was afgelopen. Voor de controle op 27 februari 2017 is een nieuwe DBC geopend.

 

Patiënt stelt zich op het standpunt dat het ziekenhuis hem had moeten informeren over de DBC-systematiek en de periode van het DBC-traject van de curis-behandeling. Als patiënt hierover door het ziekenhuis zou zijn geïnformeerd, zou hij (naar eigen zeggen) de vervolgafspraak vóór 8 februari 2017 hebben gemaakt. Patiënt wil graag dat zijn klachten alsnog worden verholpen zonder dat dit ten koste gaat van zijn eigen risico in 2017 en dat de factuur wordt aangepast. Om dit te bewerkstelligen heeft patiënt een procedure gestart bij de Geschillencommissie Ziekenhuizen (hierna: Geschillencommissie).

 

De Geschillencommissie is van oordeel dat op het ziekenhuis niet de verplichting rust om uit zichzelf voorlichting te geven omtrent de DBC-systematiek, het verstrijken van de termijn van de DBC en de hiermee verband houdende kosten. Daarbij merkt de Geschillencommissie, ten overvloede, op dat op de arts wel de verplichting rust om de patiënt in te lichten over het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt (volgens art. 7:448 lid 1 BW). Het ziekenhuis is volgens de Geschillencommissie dan ook niet tekort geschoten in de informatieplicht jegens patiënt. De klacht van de patiënt wordt ongegrond verklaard.

 

Uit dit bindend advies van de Geschillencommissie volgt, dat op het ziekenhuis niet de verplichting rust om een patiënt te informeren over de DBC-systematiek maar dat dit (logischerwijs) onverlet laat dat de arts jegens de patiënt wel een informatieplicht heeft over de geneeskundige behandeling.

 

De uitspraak van de Geschillencommissie treft u hier aan. 

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Geen analoge toepassing van art. 7:941 lid 5 BW bij WAM-aansprakelijkheid

09-07-2018

Op 6 juli jl. wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over de vraag of art. 7:941 lid 5 BW analoog van toepassing is bij WAM-aansprakelijkheid. Volgens de Hoge Raad is dit niet het geval. Waar ging het in deze zaak om?

 

In deze zaak heeft een benadeelde door middel van valse getuigenverklaringen geprobeerd om aan te tonen dat zij inzittende is geweest in een auto, die bij een verkeersongeval betrokken was. Het hof heeft de valse verklaringen buiten beschouwing gelaten en op basis van ander bewijs geoordeeld dat zij inzittende is geweest ten tijde van de aanrijding.

 

In cassatie voert de verzekeraar aan dat een algemene regel van verval van recht via analoge toepassing van art. 7:941 lid 5 BW dient te worden aangenomen bij een (poging tot) misleiding c.q. oplichting van de aansprakelijkheidsverzekeraar. Daarop oordeelt de Hoge Raad echter dat voor een analoge toepassing art. 7:941 lid 5 BW geen plaats is.

 

Op grond van art. 7:941 lid 1 en 2 BW dient de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, wanneer het verzekerde risico zich heeft verwezenlijkt, zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk de verwezenlijking aan de verzekeraar melden. Daarbij is de verzekeringnemer of tot uitkering gerechtigde verplicht binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor de verzekeraar van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.

 

Op grond van art. 7:941 lid 5 BW vervalt het recht op uitkering als de verzekeringsnemer of de tot uitkering gerechtigde een van deze verplichtingen niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden. Dit is slechts anders als deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Het uitgangspunt van verval van het recht op uitkering wordt gerechtvaardigd door het vertrouwenskarakter van de verzekeringsovereenkomst. De verzekeraar is nu eenmaal na de verwezenlijking van het risico in sterke mate afhankelijk is van inlichtingen en bescheiden van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde, waarvan hij de juistheid niet altijd kan controleren.

 

Bij personenschade veroorzaakt door een motorrijtuig heeft een benadeelde jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid voor de schade van de benadeelde wordt gedekt op grond van de WAM, ingevolge art. 6 WAM een eigen recht op schadevergoeding. Bij gebreke van een contractuele verhouding tussen de benadeelde en de verzekeraar is van rechtstreekse toepasselijkheid van art. 7:941 lid 5 BW geen sprake. Ook voor analoge toepassing van de bepaling op de hiervoor bedoelde rechtsverhouding is geen plaats. Art. 7:941 lid 5 BW is namelijk geschreven voor een specifieke contractuele rechtsverhouding. De rechtsverhouding tussen de WAM-verzekeraar en de benadeelde is van geheel andere aard dan die rechtsverhouding, te weten die tussen de benadeelde en de verzekerde. Voor het aanvaarden van een algemene buitenwettelijke regel die meebrengt dat bij opzettelijke misleiding van de verzekeraar door de benadeelde het eigen recht van art. 6 WAM vervalt, is aldus geen plaats.

 

Nu het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bij de bewijswaardering is voorbijgegaan aan het valse karakter van diverse verklaringen en de rol van benadeelde bij de totstandkoming daarvan, verwijst de Hoge Raad de zaak naar een ander Hof.

(vindplaats: Hoge Raad 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103)

 

Mr. Iris Degenaar

id.degenaar@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 865

Spoeddienst en naar het zwembad? Check vooraf de bereikbaarheid!

06-07-2018

Het kan een tandarts tuchtrechtelijk worden verweten als hij bij de aanvang van de spoeddienst zijn telefonische bereikbaarheid niet controleert.

 

Een twee jaar oud jongetje is in de avond van 17 mei 2017 tegen een glijbaan gevallen. Het jongetje bloedde hierdoor hevig, was één voortand verloren en de andere voortand was verschoven. Zijn vader, klager, heeft toen direct het nummer van de voor spoedeisende gevallen dienstdoende tandarts gebeld. Na vijf vergeefse pogingen is klager met zijn zoontje naar de huisartsenpost gegaan. Daar kreeg hij, nadat zijn zoon was onderzocht het advies zo spoedig mogelijk naar de tandarts te gaan. Vervolgens heeft klager nog acht keer, tevergeefs, geprobeerd om telefonisch contact te krijgen met de dienstdoende tandarts. Klager kreeg steeds een automatische antwoordtekst te horen, inhoudende dat de gebruiker op dat moment geen berichten kon ontvangen. Klager verwijt de dienstdoende tandarts dat deze niet heeft voldaan aan zijn plicht om als dienstdoende tandarts voor spoedeisende gevallen bereikbaar te zijn.

 

De dienstdoende tandarts verklaart dat technisch gezien het betreffende systeem zo is ingericht dat het algemene nummer voor spoedeisende hulp automatisch doorverbindt met het nummer van de praktijk van diegene die op dat moment verantwoordelijk is voor spoedeisende hulp. Op die betreffende avond was dat het nummer van de praktijk van de dienstdoende tandarts. Dat nummer verwijst weer automatisch door naar het mobieltje dat door de dienstdoende tandarts van de praktijk wordt meegenomen.

 

De dienstdoende tandarts heeft op die betreffende avond het mobieltje meegenomen toen hij zijn dochter van zwemles ophaalde. Voordat de dienst begon en voordat hij zijn dochter van zwemles ophaalde, heeft de dienstdoende tandarts niet gecontroleerd of de automatische doorschakelingen functioneerde. Toen hij uit het zwembad kwam heeft de dienstdoende tandarts wel direct het mobieltje gecheckt; er waren geen gemiste oproepen. Uit controle achteraf blijkt dat bij de praktijk wel oproepen zijn ontvangen. Er is geen technische verklaring voor het feit dat deze oproepen vervolgens niet op het door de dienstdoende tandarts meegenomen mobieltje zijn ontvangen.

 

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) acht het niet telefonisch bereikbaar zijn tijdens de spoeddienst tuchtrechtelijk verwijtbaar en legt de tandarts een waarschuwing op.

 

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) kan zich geheel vinden in de overwegingen van het RTG en voegt daaraan toe dat niet kan worden vastgesteld of er sprake was van een technische storing. Dat speelt bij de beoordeling door het CTG dan ook niet mee. De bereikbaarheid had tevoren door de dienstdoende tandarts moeten worden gecheckt. Zeker omdat er niet vaak spoedgevallen zijn, wat juist maakt dat een niet functionerende bereikbaarheid langer onopgemerkt kan blijven. De waarschuwing wordt in stand gelaten.

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat voorafgaand aan de spoeddienst de telefonische bereikbaarheid gecontroleerd moet worden. Een goed begin is het halve werk.

 

De uitspraak van het CTG treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Ruim 600 mensen dienen privacyklacht in bij AP

02-07-2018

Dat berichtte de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) afgelopen vrijdag op haar website, vijf weken nadat de AVG van toepassing werd. Klachten gaan onder meer over problemen met het verwijderd krijgen van persoonsgegevens, het niet mogen inzien van gegevens en over ongewenste verstrekking van gegevens aan derden. 86% van de klachten heeft betrekking op bedrijven. De AP heeft alle klachten in behandeling.

 

Organisaties, groot én klein, dienen zich ervan bewust te zijn dat betrokkenen (natuurlijke personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt, zoals patiënten, werknemers, zzp’ers, klanten, sollicitanten, ontvangers van een nieuwsbrief) direct bij de AP kunnen klagen. Een klacht hoeft niet eerst bij de organisatie zelf (‘de verwerkingsverantwoordelijke’) te worden ingediend om bij de AP gehoor te vinden. Klachten kunnen bovendien leiden tot bestuurlijke sancties als in strijd is gehandeld met bepaalde voorschriften van de AVG. De AP kan bijvoorbeeld een geldboete opleggen. Inbreuken op de rechten van betrokkenen zijn ondergebracht in de hoogste boetecategorie. 

 

Klik hier voor het nieuwsbericht van de AP. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Declaratiepijn

29-06-2018

Hoe gaat de medische tuchtrechter om met een declaratiegeschil?

 

Een tandarts/implantoloog stelt een begroting op. Voordat de patiënt de begroting ontvangt voert de tandarts al enkele verrichtingen uit. De tandarts stuurt een factuur van in totaal € 344,23 voor het maken van foto’s en het opstellen van het behandelplan. De patiënt vraagt advies bij het Tandheelkundige Informatie Punt (TIP). Het TIP laat de patiënt weten dat de tandarts niet conform de regels heeft gehandeld. De patiënt dient vervolgens een klacht in bij de KNMT en wendt zich tot de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Na tussenkomst van de NZa crediteert de tandarts zijn factuur met een bedrag van € 178,88. De patiënt beklaagt zich bij het medisch tuchtcollege over het feit dat de tandarts onjuist heeft gefactureerd en dat de begroting onjuist is.

 

Het medisch tuchtcollege overweegt dat voor verrichtingen die de grens van € 250,-- overschrijden op grond van art. 6.2 van de Regeling Mondzorg verplicht een voorafgaande prijsopgave moet worden opgesteld. Dit heeft de tandarts niet gedaan. De tandarts had de patiënt bovendien vooraf moeten informeren dat de verrichtingen meer zouden bedragen dan € 250,--. De voorlichting aan de patiënt was onvoldoende.

 

Verder is het medisch tuchtcollege van oordeel dat de begroting onvoldoende doorzichtig en nauwkeurig en daarmee onzorgvuldig is. Op de begroting staan standaard verrichtingen die niet op de begroting hadden mogen staan. Verder is de tandarts ‘creatief’ met het vermelden van de diverse codes omgegaan. Ook in dat opzicht heeft de tandarts tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

 

De klacht wordt gegrond verklaard. De tandarts krijgt de maatregel van een waarschuwing opgelegd, waarbij het medisch tuchtcollege opmerkt zich niet aan de indruk te kunnen onttrekken dat het de tandarts ontbreekt aan werkelijke inzicht in zijn begrotings- en declaratiegedrag.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat tandartsen/implantologen er voor moeten waken dat zij patiënten goed en duidelijk over de financiële consequenties van hun behandelingen informeren. Bij verrichtingen boven de € 250,-- is een voorafgaande prijsopgave verplicht. Als de tandarts/implantoloog deze verplichtingen niet nakomt is hij daarvoor tuchtrechtelijk aansprakelijk. Ook in financiële aangelegenheden is een goede communicatie van wezenlijk belang om latere problemen te voorkomen.

Het belang van Richtlijnen en Protocollen in Medische Tuchtzaken

22-06-2018

Hoe vult de medische tuchtrechter het begrip professionele standaard in?

 

Een patiënte wordt bij een zwangerschap van 24 weken en 3 dagen wegens vaginaal bloedverlies in het ziekenhuis gezien. Vastgesteld wordt dat de placenta in fundo laag doorlopend ligt met velamenteuze navelstrenginsertie en vasa praevia.

 

De patiënte wordt verwezen naar een ander ziekenhuis waar dezelfde dag een echoscopisch onderzoek wordt verricht. De conclusie luidt: “laag liggende placenta, geen placenta praevia. Mogelijk: velamenteuze navelstrenginsertie/vasa praevia”.

 

Afgesproken wordt om na vier weken nog eens te onderzoeken of sprake is van vasa praevia.

 

Al voor de hercontrole wordt patiënte opnieuw in het ziekenhuis gezien, nu in verband met klachten in de onderbuik, polyurieklachten en uitwendige pijn. De – in deze zaak aangeklaagde – gynaecoloog verricht een transvaginale echo (TVE) en concludeert dat sprake is van een urineweginfectie, waarvoor antibiotica wordt voorgeschreven. Een week later wordt de patiënte opnieuw door dezelfde gynaecoloog gezien in verband met persisterende krampende buikpijnklachten zonder bloed- of vruchtwatervlies. De gynaecoloog moest de cervix (baarmoederhals) controleren maar ziet aanleiding om ook direct de mogelijkheid van vasa praevia opnieuw te onderzoeken. Van een vasa praevia bleek geen sprake, waarna de hercontrole-afspraak (die drie dagen later zou plaatsvinden) geannuleerd. Patiënte werd voor verdere controle naar de verloskundige verwezen.

 

Eén dag voor de geplande inleiding bij 38 weken wordt de patiënte in verband met gebroken vliezen opgenomen. Uiteindelijk werd overgegaan tot een spoed keizersnede. De baby wordt bleek en slap geboren en komt uiteindelijk te overlijden. De ouders klagen bij het Regionaal Tuchtcollege.

 

Het Medisch Tuchtcollege toetst de klacht aan de Richtlijn ‘Bloedverlies in de tweede helft van de zwangerschap’ van de NVOG. Hiervan uitgaand heeft de gynaecoloog het onderzoek op het juiste moment uitgevoerd en kan het niet anders zijn dat zij een kleurendoppler heeft gebruikt. De diagnose vasa praevia mocht worden verworpen. Dit wordt ook bevestigd door het verloop van de bevalling en de resultaten van de na de bevalling verrichte onderzoeken. Zo was het vruchtwater bij het breken van de vliezen helder en was er op dat moment geen sprake van een gescheurd bloedvat. Voorts blijkt uit het operatieverslag dat noch tijdens de keizersnede noch bij inspectie van de placenta na de geboorte vasa praevia zijn gezien. De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat het van belang is om in medische tuchtzaken relevante richtlijnen en protocollen over te leggen. Aan de hand daarvan kan het tuchtcollege toetsen of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Getoetst zal worden of deze heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelen vakgenoot mag worden verwacht. Hierbij is de professionele standaard van belang. De professionele standaard wordt voor een belangrijk deel bepaald door de heersende opvattingen binnen de eigen beroepsgroep. Een goede voorbereiding is dan ook meer dan het halve werk!

 

De uitspraak treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Vacature Juridisch secretaresse

21-06-2018

KBS Advocaten is op korte termijn op zoek naar een juridisch secretaresse m/v voor 4/5 dagen per week

 

Als juridisch secretaresse verricht je ondersteunende, secretariële en administratieve werkzaamheden ten behoeve van meerdere advocaten. De werkzaamheden omvatten o.a. het uitwerken, verzorgen en redigeren van correspondentie en processtukken, het beheren van dossiers, agenda’s, mailboxen en de roladministratie.

 

Als je werkzaam bent geweest op een advocatenkantoor strekt dat tot aanbeveling. Wij zoeken een collega met goede vaardigheid op gebied van ICT, zoals het kunnen omgaan met Windows, MS Office, beveiligde mail, multifunctionals, etc. en ervaring met Fortuna is een pré. Daarnaast heb je een praktische, flexibele en collegiale instelling.

 

Functie-eisen

-    goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid

-    uitstekende typevaardigheid

-    doorzettingsvermogen

-    sociale vaardigheden

-    stressbestendig

-    representatief

-    zelfstandig

-    accuraat

 

Wij bieden een prettige werksfeer in een collegiale omgeving met goede arbeidsvoorwaarden.

 

Wanneer je belangstelling hebt voor deze functie, schrijf of mail een brief met CV naar: r.desnoo@KBSadvocaten.nl; bel voor meer informatie met Rogier de Snoo 030-2122800

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Wetsvoorstel affectieschade

18-06-2018

Op 10 april 2018 stemde de Eerste Kamer unaniem in met het wetsvoorstel affectieschade. Het wetsvoorstel maakt de vergoeding van affectieschade mogelijk. Nabestaanden van overleden slachtoffers en naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel als gevolg van een ongeval, medische fout of misdrijf krijgen recht op een immateriële schadevergoeding. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de behoefte van nabestaanden en naasten aan aandacht voor de emotionele gevolgen van een ongeval.

 

Nederlandse aansprakelijkheidsrecht
Bijzonder aan het wetsvoorstel is dat daarmee het uitgangspunt in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht wordt doorbroken dat bij letsel waarvoor een ander aansprakelijk is, alleen de gekwetste zelf aanspraak heeft op vergoeding van zijn materiële en immateriële schade. Derden kunnen op dit moment alleen vergoeding krijgen voor schade die bestaat uit kosten die derden hebben gemaakt ten behoeve van het slachtoffer en die de gekwestste zelf had kunnen vorderen, indien hij deze kosten zelf had gemaakt (‘verplaatste schade’).

 

Systeem
Een vergoeding van affectieschade komt te liggen tussen de 12.500 en 20.000 euro, te betalen door de aansprakelijke aan de nabestaande en naaste. Het systeem varieert het schadebedrag naar gelang de aard van het leed en de relatie van nabestaanden en naasten met het slachtoffer. In de wet en lagere regelgeving wordt vastgelegd welke nabestaanden en naasten gerechtigd zijn tot welke vaste bedragen. Het doel hiervan is om discussies en procedures te voorkomen.

 

Discussie niet over
De vraag is in hoeverre dit doel zal worden behaald. Het geïntroduceerde systeem is bij nadere beschouwing op sommige punten niet zo duidelijk, waarbij veel ruimte voor discussie is. Zo bevat de wet een ‘open’ omschrijving wie onder ‘naaste’ moet worden verstaan. Dat is niet alleen (bijvoorbeeld) de ouder of het kind van de gekwetste, maar ook ieder ‘andere persoon die in zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij […] als naaste wordt aangemerkt.’
Ook is niet helemaal duidelijk wanneer van ‘ernstig en blijvend letsel’ moet worden gesproken. Bij de totstandkoming van de wet heeft de Minister van Veiligheid en Justitie gezegd dat hiervan ‘in ieder geval’ sprake zal zijn bij een blijvende functiestoornis van 70% of meer. Indien dit percentage niet wordt gehaald, kan volgens de minister de combinatie met andere situaties er niettemin voor zorgen dat sprake is van ernstig en blijvend letsel. Bijvoorbeeld bij ernstige karakter- en gedragsveranderingen. Op deze punten zullen ongetwijfeld discussies ontstaan.

 

Geen uitzondering zorgsector
Bij de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer was onder andere nog aandacht gevraagd voor de positie van zorgsector. De vergoeding van affectieschade zou de verzekerbaarheid van medische beroepsaansprakelijkheid niet ten goede komen. Een uitzondering voor de zorgsector achtte de Minister van Rechtsbescherming echter niet passend. Voor de naasten van gekwetsten zou rechtsongelijkheid ontstaan. Of het letsel of overlijden nu is veroorzaakt door een fout van arts of door een fout van een verkeersdeelnemer, doet volgens de minister niet af aan het verdriet dat dit letsel of overlijden meebrengt voor naasten.

 

Inwerkingtreding
Het wetsvoorstel treedt in werking per 1 januari 2019. Alleen bij schadegevallen na die datum kan een beroep op de nieuwe wet worden gedaan.

 

Mr. Maurice Mooibroek

mf.mooibroek@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 212 28 38

Kennis (of wijsheid) achteraf?

15-06-2018

Hoe beoordeelt de medische tuchtrechter een klacht tegen een uroloog over een gemiste niertumor?

 

Een uroloog ziet in november 2014 een patiënt wegens verdenking op recidiverende urineweginfecties. Er worden een echo en een CT-scan van de nieren gemaakt. Hierbij worden nierstenen geconstateerd.

De patiënt wordt eind 2014 door de uroloog geopereerd.

In november 2015 wordt naar aanleiding van herhaalde klachten opnieuw CT-onderzoek verricht, waarbij een solide afwijking in de rechternier wordt bevestigd.

De patiënt dient een klacht tegen de uroloog in en stelt dat op beeldmateriaal eind 2014 een tumor in de nier over het hoofd is gezien.

Het tuchtcollege toetst of de uroloog is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door de klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

Alles afwegende komt het tuchtcollege tot de conclusie dat de uroloog eind 2014 na echo-onderzoek conform de Europese richtlijn niersteenlijden een CT zonder contrast heeft kunnen laten maken. Deze scan is verslagen door de radioloog, die geen melding heeft gemaakt van een, in retrospectief reeds aanwezige, tumor in de rechternier. De uroloog mocht afgaan op de verslagen van de radioloog van de echo en de CT-scan. Het handelen van de uroloog is aldus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat een klacht niet beoordeeld mag worden met kennis (of wijsheid) achteraf maar met de kennis die de aangeklaagde beroepsbeoefenaar ten tijde van het verweten handelen had. Een medisch specialist, zoals hier de uroloog, mag afgaan op de bevindingen van andere betrokken medisch (hulp-)specialismen, tenzij hij concrete redenen heeft om daaraan te twijfelen. In dat geval is nader onderzoek aangewezen. Vertrouwen is goed maar controleren is (soms) beter.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

AOV verrekenen of niet?

07-06-2018

Recent zijn twee uitspraken gepubliceerd over de vraag of een uitkering uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering als verkregen voordeel dient te worden verrekend met de schade-uitkering voor verlies verdienvermogen.

 

In de op 24 mei 2018 gepubliceerde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 mei 2018 heeft het hof verrekening toegestaan. In de uitspraak in deelgeschil van de Rechtbank Limburg werd geoordeeld dat de aansprakelijkheidsverzekeraar geen beroep toekwam op verrekening.

 

In beide zaken is getoetst aan de gezichtspunten zoals geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 oktober 2010. De uitkomst is echter verschillend.

 

In de zaak die voorlag bij de Rechtbank Limburg is de rechter van oordeel dat de betreffende AOV in overwegende mate is te kwalificeren als een sommenverzekering. Op basis van weging van de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten werd verrekening niet redelijk beoordeeld.

 

In de zaak die voorlag bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hof de betreffende AOV als schadeverzekering gekwalificeerd en geoordeeld dat verrekening redelijk is. Wel ziet het hof aanleiding om de betaalde premies over de volledige looptijd van de AOV in mindering te brengen op het te verrekenen schadebedrag.

 

Dat de uitspraken verschillen past bij de eerdere rechtspraak. De rechtspraak is casuïstisch en afhankelijk van de uitleg van de verzekeringsovereenkomst, de toepasselijke verzekeringsvoorwaarden en de overige omstandigheden van het geval. Het kan dus lonen om te procederen over de vraag of verrekening in een voorkomend geval al dan niet redelijk is. Of verrekening toegestaan is, maakt immers veel uit voor de hoogte van de schadelast, dan wel de hoogte van de te verkrijgen schadevergoeding.

 

Mr. Marjolijn Gregoor

ma.gregoor@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 824

Zorginstelling stoot het hoofd

06-06-2018

Kan een zorginstelling aansprakelijk zijn voor letselschade vanwege een uithangend zonnescherm?

 

Een bezoekster van een zorginstelling stoot tijdens een wandeling over een looppad haar hoofd tegen een uithangend zonnescherm. Zij loopt daarbij letselschade op. De bezoekster spreekt de zorginstelling aan en stelt dat het laaghangende zonnescherm gevaar oplevert voor mensen die over het pad lopen. Nu dat gevaar zich heeft verwezenlijkt is de zorginstelling als bezitter van het looppad en het zonnescherm aansprakelijk, aldus de bezoekster.

De zorginstelling verweert zich met de stelling dat de meeste bezoeksters een andere route kiezen en dat het pad niet als loopverbinding is bedoeld maar als ‘glazenwasserspaadje’.

De rechtbank beoordeelt of het looppad voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Het komt daarbij aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of het looppad deugdelijk is. Hierbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen kunnen worden getroffen.

De rechtbank verwerpt het beroep van de zorginstelling dat het betreffende pad niet als looppad kan worden aangemerkt omdat het voor publiek vrij toegankelijk is en ook wordt gebruikt als loopverbinding tussen de weg en de hoofdingang van de kliniek.

Het zonnescherm was ten tijde van het ongeval neergeklapt en wel zodanig dat de dwarsbalken op een hoogte van circa 1.50 m over de gehele breedte van het pad liepen.

De rechtbank acht het evident dat een dergelijk obstakel op deze hoogte boven een verbindingspad het voorzienbare risico met zich brengt dat een wandelaar daar met het hoofd tegenaan loopt. In het algemeen hoeven voetgangers niet te verwachten dat zich daar een dergelijk obstakel bevindt. Dat het zonnescherm van een afstand te zien zou zijn maakt dit niet anders.

Relevant vindt de rechtbank ook dat het gevaar van het zonnescherm relatief eenvoudig te voorkomen was door het op te trekken dan wel door het looppad af te sluiten.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het pad niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat, nu het daaruit voortvloeiende gevaar zich heeft verwezenlijkt, de zorginstelling daarvoor aansprakelijk is.

De kliniek wordt aansprakelijk gehouden voor de door de bezoekster geleden schade en wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat zorginstellingen niet alleen goede zorg aan hun patiënten/cliënten moeten aanbieden, maar er ook voor moeten zorgen dat hun opstallen geen gevaar opleveren. Levert een opstal een gevaarlijke situatie op, terwijl dat gevaar met een eenvoudige en bruikbare oplossing kan worden voorkomen, dan is de zorginstelling als bezitter van de opstal (risico) aansprakelijk. Ook hier geldt: voorkomen beter is dan genezen.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Verbod op gunstbetoon medische hulpmiddelen: eerste uitspraak

05-06-2018

Op 26 april 2018 heeft de Rechtbank Den Haag als eerste uitspraak gedaan over het wettelijke verbod op gunstbetoon bij medische hulpmiddelen dat sinds 1 januari 2018 van kracht is. In deze zaak oordeelde de rechter dat het verbod is overtreden door de koppeling van kosteloze wetenschappelijke samenwerking aan de aanbesteding.

 

Verbod op gunstbetoon

De wettelijke definitie van gunstbetoon bij medische hulpmiddelen luidt als volgt:

het aanvaarden, of het doen van een aanbod daartoe, door een natuurlijke persoon die betrokken is bij de toepassing van een medisch hulpmiddel of door een instelling of zorgverzekeraar, van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen die door een leverancier in het vooruitzicht worden gesteld, worden aangeboden of worden toegekend, met het kennelijke doel de verkoop van een medisch hulpmiddel te bevorderen’.

 

De regels voor gunstbetoon zijn wederkerig: wat voor de leverancier verboden is aan te bieden, is voor de zorgprofessional verboden te accepteren.  

 

Met het verbod wordt beoogd dat de beslissing een medisch hulpmiddel toe te passen enkel wordt gebaseerd op gezondheidsbelangen en niet op onwenselijke wijze wordt beïnvloed door verkoopbevorderende activiteiten.

 

Lees meer over het verbod in mijn eerdere bijdrage.

 

Wat speelde?

Verschillende ziekenhuizen hadden een (gezamenlijke) Europese openbare aanbestedingsprocedure aangekondigd voor de inkoop van ICD's (Implanteerbare Cardioverter Defibrillatoren), Pacemakers, Leads & remote monitoring. Om te voldoen aan de betreffende wensen, werd van de inschrijvers verwacht dat zij - in de vorm van een Plan van Aanpak - een voorstel deden met betrekking tot hun kosteloze wetenschappelijke samenwerking met één of meer ziekenhuizen.

 

Oordeel

De rechter oordeelt dat de beoogde wetenschappelijke samenwerking - onder andere met het oog op de innovatie van de betreffende producten - toelaatbaar en zelfs noodzakelijk is. De koppeling van de samenwerking aan de aanbesteding - in die zin dat het Plan van Aanpak wordt meegewogen bij de kwalitatieve beoordeling van een inschrijving in de minicompetitie en kan leiden tot een hogere score en daarmee mogelijk tot gunning van de opdracht - acht de voorzieningenrechter echter niet toelaatbaar. Het aanbod tot kosteloze samenwerking kan als gevolg daarvan immers invloed hebben op de beslissing van een ziekenhuis betreffende de inkoop van bepaalde producten. Aldus is sprake van een ontoelaatbaar gunstbetoon/verboden interactie. Dat door voldoening aan de wensen (naar de mening van de Ziekenhuizen) slechts weinig punten kunnen worden gescoord doet daaraan niet af. Die punten kunnen - hoe weinig ook - doorslaggevend zijn bij de gunningsbeslissing. Tot slot valt niet in te zien dat de gang van zaken moet worden aangemerkt als een toegestane vorm van sponsoring.

 

Kosteloze wetenschappelijke samenwerking: geen geoorloofde uitzondering

Op het verbod op gunstbetoon is een aantal uitzonderingen geformuleerd. Een daarvan is het vragen of aanbieden van kortingen en bonussen die betrekking hebben op de inkoop van medische hulpmiddelen. Het aanbod tot kosteloze wetenschappelijke samenwerking valt volgens deze uitspraak dus niet in deze categorie.  

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

AP trekt (arbitraire) grens voor FG en DPIA in de zorg

01-06-2018

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft voor een aantal categorieën zorgaanbieders verduidelijkt wat moet worden verstaan onder ‘grootschalige verwerking’ van bijzondere persoonsgegevens, in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG; van toepassing met ingang van 25 mei 2018). Belangrijk nieuws, want als sprake is van grootschalige verwerking, is een functionaris voor de gegevensbescherming (FG) verplicht en dient in bepaalde gevallen een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (DPIA) te worden uitgevoerd.

 

Achtergrond: grijs gebied tussen individuele arts en ziekenhuis

In de AVG is bepaald dat een FG en DPIA verplicht zijn bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens (zoals gezondheidsgegevens). Duidelijk was dat de verwerking van persoonsgegevens van patiënten door een individuele arts of andere solistisch werkzame zorgprofessional niet en door een ziekenhuis wel grootschalig is. Het grote grijze gebied daartussen leidde tot vele vragen (ook in de Tweede Kamer), met de behoefte aan duidelijker richtlijnen. De AP geeft daar nu deels invulling aan, op de volgende wijze:

 

Ziekenhuizen, zorggroepen, huisartsenposten en apotheken

Het eerste uitgangspunt dat de AP hanteert is dat de verwerking van patiëntgegevens door ziekenhuizen, zorggroepen, huisartsenposten en apotheken (behalve als er sprake is van een solistisch werkende apotheker) altijd een grootschalige verwerking betreft. Deze partijen dienen derhalve een FG aan te stellen.

 

Huisartsen en medisch specialistische zorg

Voor huisartsenpraktijken en instellingen voor medisch specialistische zorg, niet zijnde ziekenhuizen, hanteert de AP als uitgangspunt dat een verwerking grootschalig is als:

  • die praktijk of instelling meer dan 10.000 patiënten heeft ingeschreven óf als die gemiddeld meer dan 10.000 patiënten per jaar behandelt, én;
  • de gegevens van deze patiënten in één informatiesysteem staan.

 

Overige zorgaanbieders

Voor andere zorgaanbieders geldt het criterium van 10.000 patiënten niet. Deze organisaties moeten nog steeds aan de hand van vier factoren zelf beoordelen of zij grootschalig gegevens verwerken en beargumenteren of zij verplicht zijn een FG aan te stellen en (onder omstandigheden) een DPIA te doen.

 

Deze factoren zijn:

  • het aantal betrokkenen (het aantal patiënten over wie gegevens worden verwerkt);
  • de hoeveelheid persoonsgegevens die worden verwerkt;
  • de duur van de gegevensverwerking (in de zorg doorgaans vijftien jaar);
  • de geografische reikwijdte van de verwerking.

 

De AP heeft in haar bericht aangekondigd op korte termijn ook voor andere zorgaanbieders nadere duiding te geven.

 

Motivering?

De AP licht in haar bericht niet toe hoe zij tot de door haar geformuleerde uitgangspunten is gekomen. Dat het wenselijk is om kaders te scheppen onderschrijven wij, maar het is onbevredigend dat door de AP geen inzicht wordt gegeven waarom de lat thans op 10.000 patiënten/betrokkenen is komen te liggen.

 

Eerder hebben wij aangegeven dat het door de WP29 (het advies -en overlegorgaan van Europese privacytoezichthouders) geschetste spectrum (van solistisch werkzaam arts enerzijds en het ziekenhuis anderzijds) veel ruimte laat. Een gemiddelde huisarts verwerkt in 2018 bijvoorbeeld continue de gegevens van gemiddeld 2095 patiënten. Een ziekenhuis verwerkt in de regel gegevens van ruim meer dan 100.000 patiënten. Dat is een substantieel verschil.

 

Met de AP zijn wij van mening dat met name het aantal betrokkenen het onderscheidende element is van de eerder genoemde vier factoren. Gelet op het enorme verschil in aantal betrokkenen tussen een ziekenhuis enerzijds en een solistisch werkzaam zorgverlener anderzijds, kan de door de AP gekozen norm van 10.000 patiënten/betrokkenen –zonder nadere toelichting- echter niet goed worden verklaard. De verhouding lijkt zoek en de getrokken grens arbitrair. Wij vragen ons sterk af of de interpretatie van de AP houdbaar is.

 

Gelet op de eerder in de Tweede Kamer aangenomen motie waarin de regering is verzocht te bevorderen dat kleinere instellingen en bedrijven worden ontzien en het in artikel 2a van de UAVG opgenomen uitgangspunt dat de AP bij de toepassing van de AVG de specifieke behoeften van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (voor ‘kleine, middelgrote en micro-ondernemingen’ geldt een begrenzing van 250 werknemers, een jaaromzet van 50 miljoen euro of een balanstotaal van 43 miljoen euro) in aanmerking dient te nemen, had het bovendien logisch geweest om de lat aanzienlijk hoger te leggen dan bij 10.000 patiënten/betrokkenen.

 

Vragen?

Neem contact op met Niels van den Burg of Erik Luijendijk.

Beroep op voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst mogelijk?

31-05-2018

In 2004 wikkelt Delta Lloyd de schade met het slachtoffer af, waarbij onder andere een voorbehoud wordt opgenomen voor ‘niet benoemde en begrote schadecomponenten waarvan wordt aangetoond, dat deze in direct causaal verband kunnen worden gebracht met de gevolgen van dit ongeval’.

 

In 2008 is het verplichte eigen risico in het kader van de zorgverzekeringen ingevoerd. Voor het slachtoffer had dit tot gevolg, dat de aanschaf van orthopedisch schoeisel veel duurder is geworden, dan waar bij de eindafwikkeling van de schade rekening mee is gehouden. Nu deze kosten destijds niet bij de eindafwikkeling waren besproken en zodoende volgens het slachtoffer niet in de overeengekomen regeling zijn verdisconteerd, dient deze post volgens het slachtoffer alsnog te worden vergoed. Delta Lloyd is van mening dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het slachtoffer verzoekt de rechter in deelgeschil vervolgens om te bepalen dat hem in verband met de kosten van het in 2008 ingevoerde eigen risico een beroep op het voorbehoud toekomt. De rechtbank is duidelijk, dat komt het slachtoffer niet toe. De rechtbank overweegt als volgt.

Het beroep op het voorbehoud berust op de gedachte dat het na de vaststellingsovereenkomst van 2004 in 2008 ingevoerde eigen risico een niet benoemde begrote schadecomponent is, die de kosten voor het slachtoffer ten behoeve van zijn orthopedische schoeisel aanmerkelijk hebben vergroot. Op zich is het volgens de rechtbank juist dat het in 2008 ingevoerde eigen risico een nieuwe kostenpost voor het slachtoffer is. Echter, staat de invoering van het eigen risico niet, zoals – gelet op de tekst van het voorbehoud – is vereist, in direct causaal verband met de gevolgen van het ongeval.

De enkele reden dat het eigen risico niet expliciet is opgenomen in het overeengekomen bedrag betekent niet dat de goede en kwade kansen niet in de vaststellingsovereenkomst zijn verdisconteerd. Daarbij verdient opmerking dat ontwikkelingen in de ziektekostenverzekeringen als deze niet uitzonderlijk zijn. Het pakket van verzekerde zorg wordt regelmatig veranderd, net als de polisvoorwaarden. Als door zo’n wijziging orthopedisch schoeisel volledig zou worden vergoed, zou dit tot de kwade kansen voor Delta Lloyd behoren.

Bovendien bleek ter zitting, dat de wens van het slachtoffer om een voorbehoud op te nemen destijds was ingegeven door zijn onzekerheid over een mogelijke verslechtering van zijn fysieke conditie, waardoor zijn beperkingen groter zouden worden en hij daardoor meer (inkomens)schade dan voorzien zou ondervinden. De in de procedure overgelegde correspondentie gaf geen aanknopingspunten voor de rechtbank voor de conclusie dat het opnemen van het voorbehoud de bedoeling had dat er bij elke ontwikkeling die tot financieel nadelige gevolgen leidt een beroep op zou kunnen worden gedaan.

Dit leidt tot de conclusie, dat zowel de tekst als de bedoeling van het voorbehoud aan een beroep daarop met de kosten van het in 2008 ingevoerde eigen risico in de weg staat.

Voor de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2018 klikt u hier. (ECLI:NL:RBNHO:2018:3805)

 

Mr. Iris Degenaar

id.degenaar@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 865

De medische machtiging en minderjarigen: schending van privacy?

31-05-2018

Is een arts verantwoordelijk voor het voldoen aan de wettelijke vereisten van een medische machtiging?

 

Via een materiële controle toetsen zorgverzekeraars achteraf of de zorg aan hun verzekerden rechtmatig en doelmatig is geleverd. In de zaak die hier aan de orde is, wil een tandheelkundig adviseur in loondienst van een zorgverzekeraar een detailcontrole inzetten op een groep jeugdige verzekerden bij wie een tandarts röntgenfoto’s heeft gemaakt. De detailcontrole vereist gebruik van persoonlijke gegevens over de gezondheid van de verzekerde.

Het op dit moment zeer actuele recht op privacy brengt met zich dat een hulpverlener in beginsel geen gegevens over (de gezondheid van) een patiënt aan derden mag verstrekken. Er zijn twee situaties die op het beroepsgeheim van hulpverleners een uitzondering vormen:

  • Indien de patiënt toestemming heeft gegeven tot het verstrekken van informatie; of
  • Indien de hulpverlener op grond van een wettelijke regeling verplicht is inlichtingen of bescheiden over een patiënt te verstrekken; of

Op grond van art. 87 Zorgverzekeringswet is een zorgverlener die een contactuele relatie heeft met een zorgverzekeraar verplicht om medische informatie te verstrekken ten behoeve van een materiële controle. De zorgverzekeraar is er in deze zaak per abuis vanuit gegaan dat van een contractuele relatie geen sprake was. De zorgverzekeraar heeft daarom de individuele verzekerden, onder wie minderjarige patiënten, laten aanschrijven met het verzoek toestemming te geven tot inzage in hun medisch dossier via een medische machtiging.

Uit artikel 7:447 BW volgt dat minderjarigen vanaf hun zestiende bekwaam worden geacht voor het aangaan van een geneeskundige behandelingsovereenkomst en daarmee voor het uitoefenen van patiëntenrechten. Dit houdt in dat deze groep minderjarigen zelf moet kunnen beslissen om al dan niet toestemming te verlenen via een medische machtiging om informatie aan derden te verstrekken. Voor minderjarigen van 12 tot 16 jaar is dubbele toestemming vereist: de schriftelijke toestemming om gegevens aan derden te verstrekken moet zowel door het kind als de wettelijk vertegenwoordiger(s) worden ondertekend, zo stelt art. 7:450 lid 2 BW.

Het Centraal Tuchtcollege stelt hier vast dat de zorgverzekeraar een beleid hanteert voor het aanschrijven van minderjarigen dat niet overeenkomt met de wet. Bij een verzekerde van 12-15 jaar worden de ouders aangeschreven met het verzoek de medische machtiging te ondertekenen. De verzekeraar moet in een dergelijk geval ook om de toestemming van de minderjarige patiënt zelf vragen, anders maakt de verzekeraar inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het patiëntje.

De klacht tegen de tandheelkundig adviseur wordt uiteindelijk als ongegrond afgedaan om drie redenen. Allereerst zijn de machtigingen per abuis verzonden. De tandheelkundig adviseur zou vanwege de contractuele relatie ook zonder toestemming toegang hebben gehad tot de medische informatie. Daarnaast is niet komen vast te staan dat de adviseur betrokken is geweest bij het opstellen van de verzonden machtigingen, omdat hij pas later in dienst is getreden bij de zorgverzekeraar. Bovendien is er geen gebruik gemaakt van de getekende machtigingen. De tandheelkundig adviseur komt dus al met al met de schrik vrij.

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat de hulpverlener die een medische machtiging verstuurt of laat versturen ervoor dient te zorgen dat deze voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten. Bij minderjarigen moet de hulpverlener goed controleren of de machtiging moet worden gericht aan de patiënt zelf of aan zijn wettelijk vertegenwoordigers.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

De verzekeraar als Big Brother?

25-05-2018

Hoe gaat de rechter om met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek?

 

De bedrijfsleider van een café glijdt tijdens zijn werkzaamheden uit op de keldertrap. Hierdoor ontstaat letsel. Twee vingerkootjes moeten worden geamputeerd.

De AVB-verzekeraar van het café schakelt een particulier onderzoeksbureau in om inzicht te krijgen in de beperkingen van de bedrijfsleider na het ongeval. De bedrijfsleider wordt gedurende een half jaar geobserveerd en er worden foto- en video-opnamen van hem gemaakt. De bedrijfsleider start een deelgeschil en neemt het standpunt in dat het persoonlijk onderzoek onrechtmatig is ingesteld.

 

De kantonrechter overweegt dat het instellen van een persoonlijk onderzoek een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. De ernst van de inbreuk moet daarom worden afgewogen tegen de belangen die met de inbreukmakende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. De Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van Verzekeraars van 21 december 2011 geeft invulling aan deze belangenafweging. In deze Gedragscode is onder meer bepaald dat een persoonlijk onderzoek slechts kan worden ingesteld indien:

het ingestelde feitenonderzoek geen of onvoldoende uitsluitsel heeft gegeven over het nemen van een beslissing over bijvoorbeeld een schademelding; of
gerede twijfel is ontstaan over de juistheid of volledigheid van het feitenonderzoek waardoor er een vermoeden van fraude is ontstaan.

De beslissing over het onderzoek moet gemotiveerd worden genomen door een leidinggevende van de betrokken dossierbehandelaar. Bovendien wordt het onderzoek getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

 

Volgens de kantonrechter heeft de verzekeraar de beginselen uit de Gedragscode onvoldoende in acht genomen. De verzekeraar heeft ten onrechte niet eerst de bedrijfsleider zelf of zijn behandelend arts nader over de beperkingen ondervraagd. De verzekeraar heeft ook onvoldoende onderzocht of er andere, minder ingrijpende mogelijkheden van onderzoek waren. Door de onzorgvuldige belangenafweging is er een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bedrijfsleider.

Door te handelen in strijd met de Gedragscode is er door de verzekeraar onrechtmatig gehandeld en is daardoor sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Het gebruik van dit bewijs strookt niet met het doel van de Gedragscode. De Hoge Raad had al eerder bepaald dat het uitsluiten van dergelijk bewijs onder omstandigheden gerechtvaardigd is. De rechter neemt in aanmerking dat het observeren zonder reden een ernstige schending is. De resultaten van het persoonlijk onderzoek dienen daarom in de verdere schaderegeling buiten beschouwing te blijven.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat verzekeraars bij het instellen van een persoonlijk onderzoek zich strikt aan de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek dienen te houden. In strijd met de code verkregen bewijs kan als onrechtmatig worden bestempeld. Het bewijs wordt dan (zoals in dit geval) door de rechter buiten beschouwing gelaten. Better be safe than sorry!

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Bevoegdheidsbeperkende maatregelen: half werk?

16-05-2018

Welke mogelijkheden heeft de medische tuchtrechter om een zorgverlener een bevoegdheidsbeperkende maatregel op te leggen?

 

Het wettelijk tuchtrecht geeft de medische tuchtrechter in het geval van een gegronde klacht de verplichting om een BIG-geregistreerde zorgverlener een maatregel op te leggen.

De maatregelen die kunnen worden opgelegd zijn:

  • waarschuwing
  • berisping
  • geldboete van ten hoogste € 4.500,--
  • schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor ten hoogste 1 jaar
  • gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid, in het register ingeschreven staande, het betrokken beroep uit te oefenen
  • doorhaling van de inschrijving in het BIG-register.

 

Hierbij geldt dat een geldboete en een schorsing gezamenlijk kunnen worden opgelegd. Een schorsing van de inschrijving kan voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van ten hoogste 2 jaar.

 

De in de jurisprudentie ontwikkelde variant van gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel wordt tegenwoordig nog zelden gehanteerd.

 

In de zaak die hier aan de orde is werd een tandarts die een orthodontische behandeling bij een 16-jarige patiënt had ingezet een bevoegdheidsbeperkende maatregel opgelegd. Het tuchtcollege stelde vast dat de door de tandarts ingezette behandeling niet tot een correctie van de aanwezige skelettale discrepantie had kunnen leiden, dat de behandeling onjuist is toegepast en dat de tandarts zijn informatieplicht en dossierplicht had geschonden. Het betrof hier volgens het tuchtcollege een ingewikkelde casus, waarbij het vereiste inzicht bij de tandarts ontbrak en nog altijd ontbreekt. De tandarts had onjuiste, niet vakinhoudelijke overwegingen gehanteerd bij zijn afweging voor de toe te passen behandeling. Omdat de tandarts op de zitting geen enkel inzicht had getoond in zijn handelen was het tuchtcollege er onvoldoende zeker van dat deze in de toekomst het vak orthodontie op bekwame wijze zou uitoefenen. Het tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en ontzegt de tandarts de bevoegdheid om het beroep van tandarts uit te oefenen voor zover het de orthodontie betreft.

 

De maatregel van gedeeltelijke ontzegging biedt de tuchtrechter de mogelijkheid om beperkingen in de beroepsuitoefening aan te brengen. Zo laat de jurisprudentie gevallen zien van een huisarts die de bevoegdheid werd ontzegd om als huisarts werkzaam te zijn en een cardioloog die de bevoegdheid werd ontzegd om als cardioloog werkzaam te zijn, beiden vanwege ernstige misslagen. Ook mocht een verpleegkundige het verpleegkundig beroep niet meer uitoefenen ten aanzien van kinderen/minderjarigen vanwege het bekijken van kinderporno. Verder werd een huisarts vanwege grensoverschrijdend gedrag de bevoegdheid ontzegd om vrouwelijke patiënten te behandelen. In de praktijk betekent dat de huisarts, de cardioloog en de verpleegkundige wel andere functies dan arts/verpleegkundige kunnen vervullen. Het behoeft echter weinig fantasie dat een dergelijke maatregel een grote impact op de zorgverlener heeft. Een bevoegdheidsbeperkende maatregel wordt ook nog gedurende een periode van 5 jaar in het BIG-register geregistreerd met eenmalige publicatie met naam en toenaam in een regionale krant.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat wanneer er sprake is van een ernstige, gegronde klacht de tuchtrechter een bevoegdheidsbeperkende maatregel kan opleggen. In dit geval heeft die voor de tandarts tot gevolg dat hij wel als tandarts werkzaam mag zijn maar geen orthodontische behandelingen meer mag verrichten. Schoenmaker blijf bij je leest!

 

De uitspraak treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Spreken is zilver, maar is zwijgen voor de arts lijfsbehoud?

09-05-2018

Hoe gaat de tuchtrechter om met een klacht over schending van het beroepsgeheim?

 

Een verzekeringsarts heeft een spreekuurcontact met een ziekgemelde administratief medewerker.

In de uitnodiging voor een beoordeling van de re-integratie inspanningen (RIV-toets) en een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van de WIA staat onder meer dat de arts de medische klachten gaat bespreken.

De medewerker neemt zijn re-integratiecoach mee naar het spreekuur. De medewerker beklaagt zich na het gesprek bij de tuchtrechter. De klacht houdt in dat de verzekeringsarts haar beroepsgeheim heeft geschonden door zijn ziektebeeld – de HIV status – in het bijzijn van de begeleider te bespreken.

 

Het tuchtcollege stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 7:457 BW dient de hulpverlener ervoor te zorgen dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt worden verstrekt. Met het belang van geheimhouding mag niet lichtvaardig worden omgesprongen. De geheimhouding beoogt immers niet alleen de belangen van de patiënt te beschermen. Het dient ook het (algemeen) maatschappelijk belang van de toegankelijkheid van de zorg; een ieder moet zich vrijelijk tot hulpverleners kunnen wenden zonder ervoor beducht te hoeven zijn dat hun in vertrouwen verstrekte gegevens met derden worden gedeeld. Als één van de uitzonderingen op het beroepsgeheim geldt dat de patiënt toestemming heeft gegeven tot het verstrekken van gegevens aan anderen. De wet schrijft niet voor op welke wijze deze toestemming moet worden gegeven.

 

Vervolgens overweegt het tuchtcollege dat een medisch onderzoek zonder uitwisseling van medische gegevens niet goed denkbaar is. In het geval dat een patiënt iemand meeneemt naar een medisch onderzoek zal deze persoon deelgenoot worden van de uitwisseling van medische gegevens van die patiënt. Onder normale omstandigheden mag worden verondersteld dat de patiënt zich dit realiseert. Neemt de patiënt iemand mee naar het onderzoek dan mag in beginsel impliciete toestemming voor het delen van relevante medische gegevens worden aangenomen. Dit valt binnen de verantwoordelijkheid van de patiënt. Er bestaat geen tuchtrechtelijke norm om in die gevallen waarbij een patiënt een begeleider meeneemt naar een medisch onderzoek toestemming aan de patiënt te vragen voor het delen van medische informatie.

Alles afwegende komt het tuchtcollege tot de conclusie dat de verzekeringsarts uit mocht gaan van impliciete toestemming van de medewerker om diens ziektebeeld in het bijzijn van de begeleider te bespreken.

De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat wanneer een patiënt zich naar een consult laat vergezellen door een derde, zorgverleners zich bewust moeten zijn van het beroepsgeheim. Als een patiënt een derde meeneemt dan mag in het algemeen worden uitgegaan van impliciete of veronderstelde toestemming voor het uitwisselen van medische gegevens. Als een arts echter op safe wil spelen is het verstandig om voor aanvang van het consult expliciet aan de patiënt te vragen of hij/zij ermee instemt dat medische gegevens – zeker als dat gevoelige gegevens zijn – in het bijzijn van een begeleider worden besproken. Ook in dit opzicht is voorkomen beter dan genezen.

 

De uitspraak treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Nog niet AVG-proof? Wij kunnen van advies voorzien.

08-05-2018

Vanaf 25 mei a.s. dient elke organisatie die persoonsgegevens verwerkt zich te houden aan de voorschriften van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Bij uitstek voor zorginstellingen en -aanbieders is een zorgvuldige voorbereiding aangewezen; medische gegevens vergen een hoog beschermingsniveau. Bovendien is voor de zorgsector niet alleen de AVG maar ook zorgspecifieke wet- en regelgeving van belang bij het formuleren van een passend privacybeleid.

 

De afgelopen maanden hebben wij verschillende zorginstellingen en beroepsverenigingen van advies voorzien en een groot aantal zorgprofessionals met seminars en handleidingen voorgelicht. Wilt u ook een informatiebijeenkomst bijwonen, dan kunt u zich nog via Medilex aanmelden voor de bijeenkomst die in samenwerking met KBS (mrs. Niels van den Burg en Erik Luijendijk) en o.a. de Autoriteit Persoonsgegevens wordt georganiseerd.

 

Vraagt u zich af of uw organisatie aan de voorschriften van de AVG voldoet of heeft u hulp nodig bij het omzetten van de wettelijke verplichtingen in praktische documenten? Wij kunnen voorzien in advies en/of benodigde documenten opstellen of beoordelen, zoals bijvoorbeeld:

  • privacyhandleiding;
  • extern privacystatement;
  • intern privacyprotocol;
  • verwerkingsregister;
  • datalekkenregister;
  • verwerkersovereenkomst; 
  • overeenkomst tussen (gezamenlijke) verwerkingsverantwoordelijken.

 

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Niels van den Burg (n.vandenbrug@kbsadvocaten.nl; 06-19356989) of Erik Luijendijk (e.luijendijk@kbsadvocaten.nl; 06-52343574).

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Creatief in deelgeschil

04-05-2018

Welke mogelijkheden biedt de deelgeschilprocedure?

 

In zaken waarbij sprake is van letsel- of overlijdensschade bestaat de mogelijkheid om een zogeheten deelgeschilprocedure te voeren.

Deze procedure biedt partijen – zowel de benadeelde als de aansprakelijk gestelde partij – de mogelijkheid om tijdens lopende onderhandelingen een concrete vraag (deelgeschil) aan de rechter voor te leggen.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aansprakelijkheidsvraag, de vraag of sprake is van causaal verband, de mate van eigen schuld of de hoogte van bepaalde schadeposten zoals verlies aan verdienvermogen of smartengeld.

De rechter kan op één of meer geschilpunten een knoop doorhakken zodat partijen verder kunnen onderhandelen. Het doel van de deelgeschilprocedure is dat partijen met behulp van de interventie van de rechter dichter bij een buitengerechtelijke oplossing komen. Als een oplossing wordt bereikt wordt deze gebruikelijk neergelegd in een vaststellingsovereenkomst.

Het inschakelen van de deelgeschilrechter is laagdrempelig, de procedure verloopt relatief vlot en biedt partijen de mogelijkheid inzicht te krijgen in hun onderhandelingspositie.

In de regel behoeft de schadelijdende partij de kosten van de deelgeschilprocedure niet te dragen en worden deze door de aansprakelijke partij worden vergoed.

 

Voorwaarde voor het kunnen voeren van een deelgeschilprocedure is (wel) dat sprake is van een geschil tussen partijen waarvan de beëindiging kan bijdragen aan een totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

In de zaak die hier aan de orde is (Rb. Den Haag 14 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3123, zie hier), hadden de benadeelde en de verzekeraar een vaststellingsovereenkomst gesloten waarmee hun geschil formeel was beëindigd.

Dit weerhield een vorige advocaat van de benadeelde er niet van om toch een deelgeschilprocedure te starten waarbij van de verzekeraar vergoeding van onbetaald gebleven declaraties werd gevorderd.

De deelgeschilrechter stelde vast dat partijen een vaststellingsovereenkomst tegen finale kwijting hadden getekend zodat er geen sprake meer was van een geschil. Dit betekende dat de benadeelde in zijn verzoek niet ontvankelijk werd verklaard. De rechter overwoog daarbij dat er sprake was van een volstrekt onnodig ingestelde procedure nu de advocaat eenvoudig contact met de verzekeraar had kunnen opnemen en dan had kunnen weten dat er door tussenkomst van een opvolgend advocaat inmiddels sprake was van een getekende vaststellingsovereenkomst.

De benadeelde kreeg van de rechter op alle punten nul op het rekest.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat de deelgeschilprocedure voor belangenbehartigers van zowel benadeelden als verzekeraars een nuttig instrument kan zijn om vastgelopen onderhandelingen vlot te trekken. De deelgeschilrechter kan op één of meer geschilpunten een knoop doorhakken waarna partijen verder kunnen onderhandelen en de zaak buitenrechtelijk kunnen afwikkelen. Het kostenregime is voor de benadeelde partij aantrekkelijk omdat de aansprakelijke partij veelal de kosten van de procedure zal dragen. Voorwaarde is wel dat er sprake moet zijn van een geschil. Als partijen eenmaal een regeling hebben getroffen – zoals in deze zaak – is de weg naar de deelgeschilrechter afgesloten en zullen andere wegen moeten worden bewandeld om niet betaalde kosten vergoed te krijgen.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

De zorgverlener als tweede slachtoffer, art. 7:658BW en de zorg voor de zorgverlener na een incident

03-05-2018

Onlangs is het artikel over “De zorgverlener als tweede slachtoffer, art. 7:658 BW en de zorg voor de zorgverlener na een incident” verschenen in Tijdschrift letselschade in de rechtspraktijk (2018/2), waarin ChiChi de Haan de (mogelijke) impact van een incident op de zorgverlener bespreekt en in gaat op de vraag of het ziekenhuis, als werkgever, verplicht is te zorgen voor opvang en begeleiding van de zorgverlener na een incident.

 

Naar aanleiding van een incident kan de betrokken zorgverlener te maken krijgen met een emotionele (en soms ook zakelijke nasleep). De afgelopen tijd lijkt de aandacht voor de impact van een incident op de zorgverlener en de opvang en begeleiding daarna te groeien. Meerdere onderzoeken laten zien dat veel zorgverleners die betrokken waren bij een incident behoefte hebben aan ondersteuning. Het lijkt dan ook wenselijk dat na een incident nazorg aan de zorgverlener wordt verleend. Maar wie draagt hiervoor verantwoordelijkheid? En hoe zit dat specifiek bij de zorgverlener in loondienst?

 

Het artikel is hier te lezen.

 

Mr. ChiChi de Haan

cim.dehaan@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 821

Extra privacymaatregelen na onrechtmatig raadplegen patiëntendossier bij HagaZiekenhuis

01-05-2018

Het is breed uitgemeten in de media: medewerkers van het HagaZiekenhuis hebben onrechtmatig het medisch dossier ingezien van Samantha de Jong, beter bekend als realityster Barbie. Het HagaZiekenhuis heeft inmiddels onderzoek gedaan en treft aanvullende maatregelen.

 

Onderzoek

Uit het onderzoek is gebleken dat in totaal 85 medewerkers zonder behandel- of zorgrelatie met de patiënte het dossier onrechtmatig hebben geraadpleegd. Deze medewerkers hebben een officiële waarschuwing gekregen. Voor allen was dit de eerste waarschuwing. Bij een volgende overtreding volgt direct ontslag op staande voet, aldus het ziekenhuis.

 

Aanvullende maatregelen

Het ziekenhuis heeft aangekondigd de volgende maatregelen te treffen, in aanvulling op het bestaande autorisatiebeleid:

 

  • er komt een extra waarschuwing als iemand een dossier opent; 

  • er worden extra steekproeven gehouden om de naleving van de regelgeving te toetsen;

 

  • er komt een verplichte cursus (e-learning) over privacy voor elke medewerker die beroepsmatig toegang heeft tot het elektronisch patiëntendossier;

 

  • alle medewerkers van het ziekenhuis krijgen een persoonlijke brief thuis waarin zij opnieuw gewezen worden op het beroepsgeheim, vertrouwelijkheid van patiëntgegevens en het belang van privacy;

 

  • de passage in de arbeidsovereenkomst over privacy wordt scherper geformuleerd;

 

  • tijdens de introductiebijeenkomst van nieuwe medewerkers gaat het ziekenhuis nog duidelijker aandacht besteden aan het thema privacy;

 

  • tijdens werkoverleggen wordt het onderwerp een terugkerend agendapunt;

 

  • het onderwerp privacy zal met grotere regelmaat aandacht krijgen in de interne communicatiemiddelen in het ziekenhuis, zoals het intranet en de wekelijkse nieuwsbrief;

 

  • patiënten biedt het ziekenhuis de mogelijkheid hun gegevens extra af te schermen.

 

AVG: passende technische en organisatorische maatregelen 

Onder het regime van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG; van toepassing vanaf 25 mei 2018) zijn verwerkingsverantwoordelijken (zoals een zorginstelling) verplicht passende technische en organisatorische maatregelen te treffen, ter bescherming van de privacy van betrokkenen (zoals patiënten).

 

Ook andere zorginstellingen kunnen uit het incident bij het HagaZiekenhuis lering trekken. De hiervoor genoemde maatregelen kunnen worden betrokken bij het formuleren en uitvoeren van het eigen privacybeleid, om verlies en onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (zoals onbevoegde inzage in een medisch dossier) zo goed als mogelijk te voorkomen. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Glaasje op, Laat je keuren!

25-04-2018

Hoe beoordeelt de tuchtrechter een rapport van een psychiater met betrekking tot alcoholmisbruik in het verkeer?

 

Een automobiliste wordt voor de tweede keer onder invloed van alcohol aangehouden. Een psychiater verricht in opdracht van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) in het kader van een zogeheten Vorderingsprocedure op grond van de Wegenverkeerswet onderzoek of de automobiliste voldoet aan de geschiktheidseisen voor een rijbewijs.

 

In het kader van het onderzoek vindt laboratoriumonderzoek plaats en wordt de automobiliste geïnterviewd door een psycholoog. Vervolgens wordt de automobiliste door de psychiater zelf gezien.

De psychiater komt in haar rapport tot de conclusie dat de psychiatrische diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ moet worden gesteld. Het CBR heeft de automobiliste vervolgens ongeschikt bevonden om auto te rijden.

 

De automobiliste beklaagt zich bij de tuchtrechter en stelt dat de psychiater een onjuiste diagnose heeft gesteld en dat het rapport om diverse redenen niet deugt.

 

Het tuchtcollege overweegt dat op het onderzoek de Richtlijn Diagnostiek en Stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen (2011) van toepassing is. Bij de diagnostiek bij CBR-keuringen staat niet – zoals in de reguliere geneeskunde – het behandelbelang van de patiënt, maar het algemeen belang van de verkeersveiligheid centraal. Het doel van CBR-keuringen is, aldus de Richtlijn, om aan te tonen of uit te sluiten dat sprake is van een stoornis die de verkeersveiligheid in gevaar brengt. Door de verschillen tussen gewone diagnostiek en forensische diagnostiek, dient de diagnostiek bij CBR-keuringen in hoofdzaak gebaseerd te zijn op gegevens die niet afhankelijk zijn van de medewerking van de gekeurde, zoals medische gegevens en de omstandigheden waaronder het rijden onder invloed plaatsvond, aldus de Richtlijn. Gelet op de ingrijpende gevolgen die een ongeldigverklaring van het rijbewijs voor betrokkenen kan hebben, vereist een dergelijk rapport een zorgvuldig onderzoek van een arts.

 

Het tuchtcollege komt tot de conclusie dat er geen aanwijzing is dat bij de automobiliste sprake is van alcoholproblematiek. De laboratoriumuitslagen leverden geen bijzonderheden op en het psychologisch en psychiatrisch onderzoek (in enge zin) evenmin. Verder zijn de bevindingen van de psychiater in het rapport telkens marginaal van aard. De psychiatrische diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ is niet gebaseerd op afdoende psychiatrisch onderzoek; uit psychiatrisch oogpunt is zelfs niets toegevoegd. Het rapport kan uit oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek dan ook niet doorstaan. Het onderzoek van de psychiater is te routinematig en te oppervlakkig geweest.

De klacht is gegrond en de psychiater krijgt de maatregel van een waarschuwing opgelegd.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat artsen die in opdracht van het CBR keuringen verrichten er rekening mee dienen te houden dat hun rapporten door de tuchtrechter worden getoetst aan de hand van de toepasselijke CBR-Richtlijn. Rapporten moeten zorgvuldig en vakkundig worden opgesteld. Ten aanzien van de conclusie van het rapport wordt beoordeeld of de arts in redelijkheid tot zijn of haar conclusies heeft kunnen komen.

 

De uitspraak van het tuchtcollege treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Terugkomen op toedracht: verzekeraar niet gebonden aan erkenning van aansprakelijkheid

23-04-2018

De Hoge Raad heeft op 20 april 2018 [1] het oordeel van het Gerechtshof Den Haag [2] dat Nationale-Nederlanden niet gebonden was aan een gedane erkenning van aansprakelijkheid in stand gelaten.

 

Aan dit oordeel ligt het volgende ten grondslag. Een vrouw had letsel opgelopen aan haar linker pink. Zij stelde dat de verzekerde van Nationale-Nederlanden op het strand een balletje in haar richting had gegooid en dat bij het afweren het balletje tegen haar pink kwam, waardoor zij letsel aan de pink heeft opgelopen. De toedracht werd bevestigd door de verzekerde van Nationale-Nederlanden.

 

Nationale-Nederlanden heeft vervolgens op basis van de verklaringen zonder voorbehoud aansprakelijkheid voor het letsel erkend en een bedrag van € 23.174,20 als voorschot betaald. Nadien heeft de verzekerde verschillende tegenstrijdige verklaringen afgelegd - aan de politie, verzekeraar, onderzoekers van CED Forensic B.V. en tijdens de deelgeschilprocedure - en heeft de vrouw verklaard niet te hebben gezien wie het balletje gooide.

 

Het hof is van oordeel dat het onder de genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat Nationale-Nederlanden aan haar aanvankelijke erkenning van aansprakelijkheid wordt gehouden.

 

Het oordeel dat een verzekeraar in de gegeven omstandigheden niet gebonden is aan een gedane erkenning van aansprakelijkheid wijkt af van het uitgangspunt dat het een aansprakelijkheidsverzekeraar niet vrij staat om terug te komen van een jegens een derde gedane erkenning dat zijn verzekerde jegens die derde aansprakelijk is.

 

Een verzekeraar is echter niet aan haar erkenning gebonden als komt vast te staan dat zij tot die erkenning is gekomen onder invloed van bedrog (artikel 3:44 BW), aangezien het dan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat hij aan zijn erkenning wordt gehouden (zie Gerechtshof Den Haag 29 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2546).

 

Het cassatieberoep werd verworpen op grond van artikel 81 lid 1 RO [3].

 

 

[1] Hoge Raad, 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:646.

[2] Gerechtshof Den Haag, 12 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3604.

[3] De klachten nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

 

Mr. Marjolijn Gregoor

ma.gregoor@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 824

Aan welke vereisten moet een deskundigenrapport voldoen?

19-04-2018

Hoe beoordeelt de medische tuchtrechter een deskundigenrapport?

 

Een patiënt stelt dat verschillende artsen tijdens het behandeltraject een verkeerde diagnose hebben gesteld, dat de operatie door een onervaren arts-assistent is uitgevoerd en dat er een verwijtbare complicatie is ontstaan. De patiënt stelt de behandelend artsen aansprakelijk voor zijn schade.

Een voormalig chirurg wordt door de medisch adviseur van de verzekeraar van de artsen en de medisch adviseur van de belangenbehartiger van de patiënt gevraagd onafhankelijk te rapporteren.

De chirurg brengt eerst een concept-rapport uit en vervolgens een definitief rapport dat 26 pagina’s telt.

De patiënt dient een klacht tegen de chirurg in en maakt het verwijt dat deze niet als een onafhankelijke deskundige te werk is gegaan.

 

Het Centraal Tuchtcollege geeft de criteria weer waaraan een deskundigenrapport dient te voldoen:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. Het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid;

Het tuchtcollege toetst daarbij ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage is de toets marginaal, dat wil zeggen of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

 

Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de chirurg ten tijde van het uitbrengen van zijn rapport tot voor kort als chirurg praktisch werkzaam was geweest. De chirurg was op het onderwerp van de expertise gepromoveerd en had zich daar in zijn loopbaan verder in gespecialiseerd. De chirurg bezat dan ook de deskundigheid met betrekking tot het onderwerp van het door hem uitgebrachte rapport. Er zijn verder geen aanwijzingen dat de chirurg met betrekking tot zijn rapportage niet onafhankelijk was.

Uit het rapport komt naar voren dat de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust breed uiteen zijn gezet. Verder heeft de chirurg de patiënt onderzocht, het beeldvormend materiaal bekeken, waar mogelijk met de betrokken artsen gesproken en gedetailleerd, nauwgezet en goed onderbouwd alle gestelde vragen beantwoord. Het College is dan ook van oordeel dat de chirurg het rapport op zorgvuldige wijze heeft opgesteld.

De conclusie van de chirurg dat er geen verkeerde diagnose is gesteld, dat de operaties adequaat zijn uitgevoerd, dat de arts-assistent niet te onervaren was en dat er sprake is van een complicatie kan de tuchtrechtelijke toets doorstaan.

De klacht wordt op alle onderdelen als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat medisch adviseurs die op verzoek van de rechter of op verzoek van betrokkenen expertises verrichten er rekening mee dienen te houden dat hun rapportages door de tuchtrechter kunnen worden getoetst aan de hand van de hiervoor genoemde criteria. Alhoewel er sprake lijkt te zijn van een marginale toetsing, wordt een deskundigenrapport door de tuchtrechter in de praktijk grondig beoordeeld.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Is uw FG al (opnieuw) bij de Autoriteit Persoonsgegevens aangemeld?

16-04-2018

Organisaties moeten hun functionaris voor de gegevensbescherming (FG) met een nieuw webformulier aanmelden bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Organisaties die hun FG al eerder hebben aangemeld, moeten dat opnieuw doen. FG-aanmeldingen die niet via het online aanmeldingsformulier zijn gedaan, komen na 25 mei 2018 (vanaf deze datum zal de AVG van toepassing zijn) te vervallen.

 

FG’s moeten (opnieuw) worden aangemeld, omdat de AP op grond van de AVG aanvullende informatie nodig heeft. Bijvoorbeeld of sprake is van een verplichte of vrijwillige FG en of de FG in dienst is van de organisatie of als externe is aangesteld.

 

Voor de zorgsector is van belang dat een FG verplicht is als sprake is van ‘grootschalige verwerking’ van persoonsgegevens. Gegevensverwerking door een ziekenhuis is aangemerkt als grootschalig, verwerking door een individuele arts niet. Wat zal gaan gelden voor zorginstellingen tussen ziekenhuis en individuele arts in, is nog onduidelijk. Bij de behandeling van het wetsvoorstel over de Nederlandse Uitvoeringswet van de AVG in de Tweede Kamer is bij motie verzocht om heldere richtlijnen. Hier ligt een taak voor de AP.

 

Klik hier voor het nieuwe formulier voor het aanmelden van uw FG bij de AP.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Medisch adviseur en beoordelen van detentie(on)geschiktheid

11-04-2018

Hoe gaat de tuchtrechter om met de medische beoordeling van een gedetineerde?

 

Een huisarts brengt als medisch adviseur geregeld adviezen uit aan een penitentiaire inrichting over de detentiegeschiktheid van betrokkenen. Op verzoek van een gedetineerde heeft de huisarts een onderzoek naar diens detentiegeschiktheid verricht en advies uitgebracht. Het advies van de huisarts is dat de betrokkene detentiegeschikt is. De gedetineerde dient een klacht in bij het tuchtcollege. De klacht houdt in dat de huisarts de gedetineerde ten onrechte detentiegeschikt heeft verklaard zonder hem persoonlijk te hebben onderzocht of gesproken.

 

Het tuchtcollege stelt in een recente uitspraak voorop dat bij ieder verzoek om beoordeling van de detentiegeschiktheid door de medisch adviseur een individuele afweging wordt gemaakt waarbij voor deze specifieke patiënt de mogelijkheden tot de zorg binnen detentie worden beoordeeld. Uitgangspunt bij de beoordeling is, dat alle zorg die thuis mogelijk is, ook binnen detentie geleverd kan worden. De huisarts heeft het onderzoek gebaseerd op de uitgebreide medische informatie die haar via de penitentiaire inrichting ter beschikking stond. Daartoe behoorde eveneens de laatste informatie van de behandeld specialisten. De huisarts stelde dat er slechts in bijzondere situaties van onduidelijkheid of complexiteit aanleiding is de betrokkene in persoon te spreken en te onderzoeken.

 

Het tuchtcollege overweegt dat de huisarts zich in beginsel op de juistheid van de door de medisch behandelaars verstrekte informatie mocht baseren zonder eigen onderzoek te doen, tenzij er aanwijzingen waren waaruit zij had moeten afleiden dat de informatie niet juist of niet volledig was. Niet gebleken is dat er dergelijke aanwijzingen, waren.

De omstandigheid dat de klager de door hem benodigde medische zorg in de praktijk niet zou krijgen, zo dat al juist zou zijn, kan er niet toe leiden dat de huisarts daarvan tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt. Het leveren van de vereiste zorg behoort tot de verantwoordelijkheid van de directeur van de inrichting. De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat een arts die advies uitbrengt over detentie(on)geschiktheid, de betrokkene niet per definitie zelf hoeft te spreken of te onderzoeken. Indien de arts beschikt over een adequaat en actueel medisch dossier en er geen sprake is van onduidelijkheid of complexiteit, kan louter op basis van het medisch dossier worden geadviseerd.

 

De uitspraak treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Bevestiging norm informed consent: geen toestemming? Niet overgaan tot nadere ingrepen

05-04-2018

Het Regionaal Tuchtcollege bevestigt de norm dat zonder toestemming van een patiënt niet tot een nadere (ingrijpende) behandeling mag worden overgegaan, tenzij sprake is van een noodsituatie.

 

In de zaak waar het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam zich over boog, heeft een gynaecoloog (verweerder) bij een patiënte (klaagster) niet alleen preventief de baarmoeder verwijderd (waarvoor informed consent was gegeven) maar ook een gedeelte van de vagina in verband met een aangetroffen stenose (waarvoor geen informed consent was gegeven).

 

Patiënte is DES-dochter en stond sinds 2001 onder controle en behandeling van een gynaecoloog. In 2013 is tijdens een poliklinisch consult -in overleg met patiënte- besloten om preventief over te gaan tot laparoscopisch geassisteerde vaginale uterusextirpatie (baarmoederverwijdering). Tijdens dat polikliekbezoek is niet gesproken over het verwijderen van een deel van de vagina. Op 4 december 2013 is de operatie verricht. De operatie is ingeleid door zorgverlener ‘X’. Nadat patiënte onder narcose was gebracht voor de operatie, bleek het vanwege een stenose (een vernauwing van de vagina) niet mogelijk om bij patiënte een uterusmanipulator langs vaginale weg in de uterusholte in te brengen. Deze stenose was niet eerder bekend. ‘X’ heeft toen de assistentie van de gynaecoloog ingeroepen. De gynaecoloog heeft de operatie overgenomen. Bij de operatie door de gynaecoloog is vervolgens niet alleen de baarmoeder van patiënte verwijderd, maar ook een gedeelte van haar vagina achter de stenose.

 

Patiënte verwijt de gynaecoloog onder meer dat onnodig en zonder toestemming is overgaan tot verwijdering van (een deel van) haar vagina. De gynaecoloog stelt dat het verwijderen van het betreffende gedeelte achter de stenose een essentieel onderdeel vormde van de met patiënte besproken behandeling. Volgens de gynaecoloog werd het belang van patiënte dan ook het best gediend door naast de baarmoeder ook het achter de stenose gelegen deel te verwijderen.

 

Het Regionaal Tuchtcollege (RTC) is van oordeel dat de door de gynaecoloog genoemde redenen in de gegeven omstandigheden onvoldoende grond vormden om zonder informed consent van patiënte tot verwijdering van betreffende gedeelte achter de stenose over te kunnen gaan. Van belang acht het RTC dat sprake was van een preventieve ingreep, dus geen ingreep die om medische redenen niet kon worden uitgesteld. Het is het RTC niet gebleken dat op het moment van de ontdekking van de stenose de operatie niet meer kon worden afgebroken om patiënte later op een daarvoor geschikt moment te informeren over de aangetroffen anatomie en ook haar toestemming te vragen voor verwijdering het betreffende gedeelte.

Het zonder medische noodzaak zonder informed consent tot verwijdering van het betreffende gedeelte over te gaan acht het RTC tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat verweerder meende dat het belang van patiënte met de ingreep werd gediend, maakt dat niet anders. Het RTC overweegt dat dit onverlet laat dat het niet aan de gynaecoloog, maar aan patiënte was om te beslissen of zij in de gegeven omstandigheden instemde met verwijdering van dit betreffende gedeelte.

 

Nu de gynaecoloog zonder informed consent tot verwijdering van een deel van de vagina van patiënte is overgegaan (en overigens ook geen inzicht heeft getoond in de daarmee jegens patiënte gemaakte fout), wordt de gynaecoloog door het RTC berispt.

 

Mr. ChiChi de Haan

cim.dehaan@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 821

Veilig incident melden onder druk?

05-04-2018

Hoe gaat de tuchtrechter om met een SIRE-rapport?

 

In een chirurgische casus waarbij een buikwandreconstructie wordt uitgevoerd ontwikkelt de patiënt postoperatieve klachten en overlijdt enkele dagen lager op de Intensive Care.

Er vindt een zogeheten Systematische Incident Reconstructie en Evaluatie (SIRE-)onderzoek plaats.

De conclusie daarvan is dat er sprake is van een calamiteit in het postoperatieve beloop van de casus. De patiënt had meer risico opgelopen dan achteraf nodig was.

De echtgenoot van de patiënt dient een klacht in tegen de chirurg.

Het tuchtcollege beoordeelt de klacht mede aan de hand van het SIRE-rapport en legt de chirurg de maatregel van een berisping op.

 

In beroep komt het Centraal Tuchtcollege tot een volstrekt ander oordeel.

Op basis van het overgelegde volledige medische- en verpleegkundig dossier luidt de conclusie dat de chirurg adequaat en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Het beroep is gegrond en de aan de chirurg opgelegde maatregel van berisping komt te vervallen.

 

Ten aanzien van het gebruik van het SIRE-rapport overweegt het Centraal Tuchtcollege het volgende.

Op grond van art. 9 lid 6 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) kunnen gegevens in het register betreffende intern gemelde incidenten, met uitzondering van gegevens met betrekking tot een calamiteit of geweld in de zorgrelatie, niet in een tuchtrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt. Ook een disciplinaire maatregel kan daarop niet worden gebaseerd. Bij de belangenafweging die in het kader van dit artikel dient plaats te vinden, dient het belang van de effectiviteit van het systeem van ‘veilig incident melden’ zorgvuldig te worden afgewogen tegen het tuchtrechtelijke belang van toetsing van de beroepsuitoefening op het gebied van de individuele gezondheidszorg. De omstandigheid dat een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis tot de dood van een cliënt of tot ernstige schade heeft geleid, is in dat verband niet zonder meer redengevend voor het doorbreken van de bescherming van de melder. Bij die afweging zal met het oog op de tuchtrechtelijke toetsing van een calamiteit de individuele verwijtbaarheid van de beroepsbeoefenaar moeten worden betrokken. Indien bij de tuchtrechtelijke oordeelvorming naar aanleiding van een gebeurtenis die als calamiteit kan worden aangemerkt gebruik wordt gemaakt van een rapport, dienen daarom ook het oordeel over de individuele verwijtbaarheid en de motivering van een eventuele maatregel niet in overwegende mate te berusten op de inhoud van een SIRE-rapport.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat een SIRE-onderzoek niet is bedoeld om uitspraken te kunnen doen over schuld en aansprakelijkheid van een individuele hulpverlener, maar om een incident te reconstrueren (wat is er gebeurd?) en te evalueren (hoe is het gebeurd?). Het doel is het beantwoorden van de vraag: hoe kan een vergelijkbaar incident in de toekomst worden voorkomen?

Een tuchtrechtelijke veroordeling mag volgens het Centraal Tuchtcollege dan ook niet in belangrijke mate worden gebaseerd op een SIRE-rapport. Deze uitspraak noopt de tuchtrechter tot omzichtigheid bij het gebruik van SIRE-rapporten bij de beoordeling van klachten tegen individuele hulpverleners.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Een gegronde bejegeningsklacht

30-03-2018

Hoe kijkt de tuchtrechter aan tegen een huisarts die tijdens een consult uit zijn slof schiet?

 

De 16-jarige klaagster in deze zaak bezoekt als begeleider van haar moeder het inloopspreekuur van de huisarts. De moeder wil met de huisarts praten over de uitslag van een echo-onderzoek. De huisarts haalt beiden op uit de wachtkamer en steekt bij wijze van begroeting zijn hand uit. De klaagster weigert de uitgestoken hand waarbij zij te kennen wil geven geen hand te willen geven om religieuze redenen, maar krijgt de kans daartoe niet. De huisarts reageert met een afwijzende opmerking. In de spreekkamer richt de huisarts zich verbaal en nonverbaal geheel tot de moeder. De klaagster wordt geheel genegeerd. Het consult verloopt in een stekelige sfeer.

 

Het tuchtcollege stelt voorop dat de patiënt het recht heeft zich te doen vergezellen van een naaste bij het consult door een arts. Een medisch consult kan inhoudelijk complex en emotioneel indringend zijn. Het meenemen van een familielid of kennis naar een gesprek met een arts kan in het belang van de patiënt zijn omdat deze begeleider kan fungeren als morele steun, als hulp bij de Nederlandse taal of als ‘een extra paar ogen en oren’ bij het begrijpen en onthouden van hetgeen is besproken. De arts dient de aanwezigheid van een naaste van de patiënt – redelijkerwijs – te respecteren en te faciliteren en behoort ernaar te streven het consult adequaat en correct te laten verlopen. Daarbij dient de arts ook zoveel mogelijk rekening te houden met de culturele, religieuze of sociaaleconomische achtergrond van zijn patiënten.

Het tuchtcollege verwijst hierbij naar de door de KNMG opgestelde ‘Gedragsregels voor artsen’.

 

Het tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts zich in de wachtkamer en in de spreekkamer onvoldoende professioneel heeft opgesteld jegens de klaagster, waardoor het voorstelbaar is dat zij zich kleinerend behandeld heeft gevoeld. De huisarts heeft onvoldoende medische professionele distantie en zorgvuldigheid jegens de klaagster getoond. Gezien de rol van de huisarts als medisch professionele hulpverlener en zeker gezien het grote leeftijdsverschil tussen de huisarts en de klaagster en zijn decennialange ervaring als huisarts met een sterk cultureel gemengde patiëntenpopulatie, had het op de weg van de huisarts gelegen een oplossing te vinden voor de ontstane situatie en er voor te zorgen dat die niet verder zou ontsporen.

De klacht wordt gegrond verklaard en de maatregel van een waarschuwing wordt opgelegd omdat er onvoldoende vertrouwen bij het tuchtcollege bestaat dat de huisarts in een toekomstig vergelijkbare situatie wel in staat zal zijn tot de-escalatie.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat een arts zeker bij een cultureel gemengde patiëntenpopulatie rekening houdt met de levensbeschouwelijke opvattingen en het cultuurpatroon van zijn patiënten, alsook met eventuele taalbarrières. De arts moet, aldus ook de KNMG Gedragsregels, de hulpverlening afstemmen op de reële behoefte van de patiënt. De arts kan zijn levensbeschouwing kenbaar maken, zolang dit niet op een voor de patiënt hinderlijke wijze gebeurt en zijn levensbeschouwing hem er niet van weerhoudt elke patiënt de hulp te verlenen waarop deze recht heeft. Diligentie is geboden!  

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Hof Den Haag: politie (wél) aansprakelijk voor schietpartij Alphen

29-03-2018

Tristan van der Vlis schoot op 9 april 2011 in een winkelcentrum 6 mensen dood, en verwondde er nog eens 16. Daarna schoot hij zichzelf dood. Voor zijn daad gebruikte hij 3 vuurwapens waarvoor hij een vergunning had: een semi-automatisch geweer, een semi-automatisch pistool en een revolver.

 

Slachtoffers en nabestaanden verwijten de politie dat die in 2008 een wapenvergunning heeft verleend aan Van der Vlis. Hij had psychische problemen, was suïcidaal en had daarom die vergunning nooit mogen krijgen, redeneren ze. In september 2006 werd hij nog opgenomen in een kliniek.

 

In eerste instantie kregen de slachtoffers en nabestaanden ongelijk. De Rechtbank oordeelde dat de politie in strijd met de wet en daarmee onrechtmatig had gehandeld bij de verlening van het wapenverlof omdat daarbij relevante gegevens buiten beschouwing waren gelaten. Indien die gegevens wel waren meegewogen, dan had dat naar het oordeel van de Rechtbank tot een weigering van het wapenverlof moeten leiden. De door de politie geschonden norm, namelijk die van zorgvuldige besluitvorming bij verlening van het wapenverlof, strekte naar het oordeel van de Rechtbank evenwel niet tot bescherming tegen de schade van deze slachtoffers en nabestaanden. Het ontbrak, in juridische termen, aan relativiteit zodat (toch) geen aansprakelijkheid werd aangenomen.

 

Dat oordeel hield bij het Hof geen stand. Bij arrest van 27 maart 2018 oordeelde het Hof Den Haag dat wel is voldaan aan genoemd relativiteitsvereiste: de norm dat een wapenverlof geweigerd moet worden aan iemand aan wie een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd, omdat vrees voor misbruik bestaat, heeft ook (specifiek) tot doel om de burger in zijn individuele belang te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van het gebruik (misbruik) van een vuurwapen. Dit geldt wel alleen voor (materiële en immateriële) letsel- en overlijdensschade.

 

Het arrest leest u hier

 

Mr. Danielle Zwartjens

d.zwartjens@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 833

Fietsende dokter tuchtrechtelijk in de fout?

27-03-2018

In hoeverre kan een arts bij de tuchtrechter voor privéhandelingen ter verantwoording worden geroepen?

 

Twee fietsers die beiden in een andere rijrichting fietsen komen met elkaar in botsing. Eén van de fietsers valt; de andere fietser is arts. De arts vraagt de gevallen fietser naar zijn gezondheidstoestand en controleert diens ademhaling en hartslag. Omdat de gevallen fietser aangeeft een pijnlijke kaak te hebben fietst de arts een stukje met hem mee. Ten slotte adviseert de arts om een huisartsenpost te bezoeken.

De gevallen fietser dient een klacht in bij het tuchtcollege en stelt dat de arts hem medische zorg heeft onthouden door na de valpartij geen ambulance te bellen en een gebrek aan nazorg en interesse heeft getoond.

 

Het tuchtcollege stelt vast dat hier sprake is van een situatie dat partijen in eerste instantie als privépersonen (fysiek) met elkaar in contact zijn gekomen. Pas na de uit het tweede contact voortvloeiende valpartij is verweerder in zijn hoedanigheid als arts gaan handelen. Handelingen in de privésfeer vallen in beginsel niet onder het tuchtrecht tenzij deze een voldoende weerslag hebben op het belang van de individuele gezondheidszorg (het zogenaamde ‘weerslagcriterium’). Wat de arts wordt verweten valt naar het oordeel van het tuchtcollege tot aan de val niet onder het tuchtrecht. Dat zijn gedragingen die in de privésfeer vallen en als zodanig geen weerslag hebben op het belang van de individuele gezondheidszorg.

De arts heeft verder slechts in zijn hoedanigheid van arts gehandeld gedurende de periode dat de situatie van klager dat na de valpartij noodzakelijk maakte. Het tuchtcollege kan niet vaststellen dat er sprake was van een situatie op grond waarvan een ambulance gebeld had moeten worden. De betrokkenheid als arts mag als beëindigd worden beschouwd vanaf het moment dat vaststond dat een reguliere arts de behandeling had overgenomen. Vanaf dat moment stonden beide partijen uitsluitend weer als privépersonen tegenover elkaar.

De klacht tegen de arts wordt deels niet ontvankelijk verklaard en voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat handelingen van een arts in de privésfeer slechts onder uitzonderlijke omstandigheden door het tuchtcollege kunnen worden getoetst. Alleen wanneer er sprake is van handelingen die voldoende weerslag hebben op (het belang van) de individuele gezondheidszorg komt de tuchtrechter in beeld. Het blijft al met al een dunne scheidslijn.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Jaarverslag tuchtcolleges 2017: enkele cijfers

22-03-2018

Recent is het jaarverslag 2017 van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg online gekomen. In het jaarverslag staan diverse cijfers, die inzicht geven in de wijze waarop de tuchtcolleges het afgelopen jaar klachten hebben behandeld.

 

In 2017 kwamen er in totaal 1.676 klachten bij de regionale tuchtcolleges binnen, net wat meer dan in 2016. De Inspectie was in 29 zaken de klagende partij. Van de aangeklaagde partijen was de beroepsgroep van artsen veruit in de meerderheid (1.344). Hierna volgden de verpleegkundigen (155),  GZ-psychologen (118), tandartsen (98), psychotherapeuten (31), fysiotherapeuten (24), apothekers (21), verloskundigen (13) en een physician assistant (1).

 

Het aantal afgehandelde klachten in 2017 nam ten opzichte van 2016 sterk toe. Dit rijmt met het feit dat tuchtcolleges het afgelopen jaar verder hebben ingezet op het verkorten van de doorlooptijden van procedures. De gemiddelde doorlooptijd daalde in 2017 tot 195 dagen per procedure.

 

De regionale tuchtcolleges handelden in 2017 in totaal 1.946 zaken af en verklaarden de klacht in 313 gevallen de klacht gegrond (16%). Dat is procentueel meer dan in 2016, toen nog 1.567 zaken werden afgehandeld en in 216 gevallen de klacht gegrond werd verklaard (13,8%).

De regionaal tuchtcolleges haalden in 2017 bij 16 zorgverleners de BIG-registratie door. Dit waren er in 2016 nog 9.

 

Het Centraal Tuchtcollege handelde in 2017 in totaal 593 beroepszaken af. In 58 gevallen was het beroep gegrond en werden de beslissingen van de regionale tuchtcolleges vernietigd (9,8%). Dit percentage was in 2016 iets hoger: tegenover 525 afhandelingen, werd in 70 gevallen het beroep gegrond verklaard en werden beslissingen van de regionale tuchtcolleges vernietigd (13,3%).    

 

Deze cijfers laten zien dat de beslissingen van de medische tuchtrechter in de Nederlandse rechtspraak nog steeds een belangrijke plaats innemen.  

 

Het jaarverslag 2017 treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

19 april a.s.: extra seminar ‘Privacy in de zorg en de AVG’ voor zorgaanbieders

22-03-2018

Op 19 april 2018 organiseren wij een extra editie van het seminar over privacy in de zorg en de gevolgen van de invoering van de AVG. Dit seminar is bedoeld voor zorgaanbieders die willen weten aan welke verplichtingen zij op grond van de AVG moeten voldoen.

 

Tijdens het seminar staan de gevolgen van de AVG voor de zorgpraktijk centraal. Onderwerpen als de verwerkersovereenkomst, het register van verwerkingsactiviteiten, persoonsgegevensbeveiliging, de gegevensbeschermingseffectbeoordeling, de FG en de verhouding tussen de AVG en zorgspecifieke wetgeving komen aan bod.

 

Interesse? Klik hier voor onze activiteitenpagina of geef u direct op via seminars@kbsadvocaten.nl. Deelname is kosteloos.

Uitvoeringswet AVG aangenomen door de Tweede Kamer. Motie: duidelijker richtlijnen FG!

19-03-2018

Op 13 maart jl. heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel voor de uitvoering van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) aangenomen. Het wetsvoorstel is met 130 stemmen voor en 20 stemmen tegen aangenomen. Noemenswaardig is dat bij amendement ‘de specifieke behoeften van het MKB’ (lastenverlichting) expliciet als artikel in het wetsvoorstel zijn opgenomen en dat bij motie aandacht is gevraagd voor hulpvaardig toezicht en een verduidelijking van het (vage) criterium ‘grootschalige verwerking’ voor de FG.

 

Hoewel de AVG als Europese verordening rechtstreekse werking in de lidstaten heeft en dus niet in Nederlandse wetgeving hoeft te worden omgezet, biedt de AVG de lidstaten wel ruimte om bepaalde keuzes te maken. In Nederland zijn die keuzes uitgewerkt in de Uitvoeringswet. Bij die wet wordt ook de huidige Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ingetrokken. De bedoeling is dat de Uitvoeringswet tegelijk met de AVG op 25 mei 2018 in werking zal treden.

 

Interessant -zeker ook voor de zorgsector- zijn de volgende amendementen en moties: 

 

Amendementen

 

Derde collegelid AP

In het wetsvoorstel is opgenomen dat het College van de Autoriteit persoonsgegevens (AP) altijd uit drie leden bestaat: de voorzitter en twee andere leden. De indieners van het amendement achten het van belang dat het College van de AP, als eindverantwoordelijke van de organisatie, voldoende toegerust is op de taken die voortvloeien uit de AVG en over de juiste expertise beschikt en daarom met een derde lid wordt uitgebreid. In het amendement is benadrukt dat het nieuwe lid over ruime praktijkervaring op het gebied van gegevensbescherming en -verwerking dient te beschikken, zoals bijvoorbeeld in een relevante onderneming en/of zorginstelling.

 

Specifieke behoeften MKB

Het wetsvoorstel is uitgebreid met de bepaling dat de AP nadrukkelijk de behoeften van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in aanmerking moet nemen bij de toepassing van de AVG. De Europese Unie beveelt de lidstaten en de autoriteiten in overweging 13 van de AVG uitdrukkelijk aan om bij de toepassing van de verordening rekening te houden met de omvang van bedrijven en organisaties. Het uitgangspunt van deze aanbeveling is nu expliciet als artikel in het wetsvoorstel opgenomen. De indiener van het amendement wil daarmee voorkomen dat aan organisaties en bedrijven steeds verdergaande (administratieve) lasten worden opgelegd. Voor ‘kleine, middelgrote en micro-ondernemingen geldt een begrenzing van 250 werknemers, een jaaromzet van 50 miljoen euro of een balanstotaal van 43 miljoen euro.

 

Moties

 

Hulpvaardig toezicht

De Tweede Kamer heeft hulpvaardig toezicht bepleit. In de fase waarin nog veel vragen zijn over de regels, dient de overheid zich zo hulpvaardig mogelijk op te stellen en zich dus primair te richten op voorlichting en hulp bij de interpretatie en uitvoering van de regelgeving, onverlet haar handhavingstaak inzake bewuste schendingen. Om die reden heeft de Kamer de regering verzocht dit standpunt uitdrukkelijk onder de aandacht van de AP te brengen.

 

Duidelijke richtlijnen FG

De Tweede Kamer heeft ook aandacht gevraagd voor het feit dat in veel sectoren onduidelijkheid bestaat over de toepassing van de open normen uit de AVG. Zo bestaat onduidelijkheid over de toepasselijkheid van de bepalingen over de functionaris voor de gegevensbescherming (FG) vanwege de vraag of er sprake is van ‘grootschaligheid van gegevensverwerking’. De AVG verplicht tot het aanstellen van een FG bij grootschalige verwerking van bijzondere persoonsgegevens (waaronder medische gegevens). Ook in het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders dat per 1 januari 2018 van kracht is, is bij dit criterium aangesloten.  

 

Uit de richtlijnen van de artikel 29-werkgroep (een Europees adviesorgaan) volgt slechts dat een ziekenhuis wel grootschalig gegevens verwerkt, maar een solistisch werkzame arts niet. Wat voor zorginstellingen die een omvang tussen een ziekenhuis en een solist geldt, is grijs gebied. Instellingen en bedrijven zouden hierdoor geneigd kunnen zijn te kiezen voor de veilige weg zonder dat zij zich daadwerkelijk met grootschalige gegevensbewerking bezighouden, met alle administratieve lasten van dien. Om die reden is de regering verzocht te bevorderen dat de AP op zo kort mogelijke termijn met duidelijke richtlijnen over de FG komt en te waarborgen dat kleinere instellingen en bedrijven worden ontzien.

 

Leeftijdsgrenzen

Bij motie is er op gewezen dat in veel verschillende wet- en regelgeving verschillende leeftijdsgrenzen worden gebruikt en dat de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving een onderzoek uitvoert naar de willekeurigheid van leeftijdsgrenzen en dat dit onderzoek ook relevante inzichten kan opleveren voor de leeftijdsgrens in de UAVG. Om die reden is de regering verzocht, na de publicatie van het onderzoek van de Raad, de leeftijdsgrens in de UAVG, indien daartoe op basis van het onderzoek aanleiding bestaat, te heroverwegen.

 

Wetgevingsprocedure Eerste Kamer

Op 20 maart a.s. beslist de Eerste Kamer over de verdere procedure. Klik hier voor de website van de Eerste Kamer met de laatste stand van zaken over de Uitvoeringswet. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Is een arts aansprakelijk voor de schadeafwikkeling door zijn verzekeraar?

16-03-2018

Een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam voor de Gezondheidszorg trok vorig jaar aandacht, nu het tuchtcollege daarin overwoog dat een zorgverlener tuchtrechtelijk kan worden aangesproken op de financiële afwikkeling van de schade na een medisch incident. In beroep heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg deze overwegingen fors genuanceerd (CTG 8 maart 2018, ECLI:NL:TGZCTG2018:69).

 

Het Regionaal Tuchtcollege had overwogen dat op het moment dat een aansprakelijkheidsverzekeraar de schade op onzorgvuldige wijze afwikkelt, het op de weg van de zorgverlener ligt de verzekeraar daarop aan te spreken.
Het tuchtcollege meende in die zaak dat de aansprakelijkheidsverzekeraar de schadeafwikkeling op onzorgvuldige wijze had aangepakt. Dit omdat de tuchtprocedure volgens het tuchtcollege “noodzakelijk was om erkenning van aansprakelijkheid af te dwingen” en de verzekeraar onvoldoende zou hebben bevoorschot. Gelet hierop had de verwerend arts de verzekeraar (tijdig) aan moeten spreken op de incorrecte wijze waarop de schade van klaagster werd afgewikkeld, aldus het tuchtcollege.
 

Dat een zorgverlener tuchtrechtelijk verantwoordelijk werd geacht voor de afwikkeling van de financiële gevolgen van een medische fout door zijn verzekeraar, betrof een (nieuwe) norm die voor zorgverleners kennelijk een extra prikkel moest vormen om zich actief in het schadeafwikkelingsdebat te mengen. Problematisch aan de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege was dat onduidelijk bleef hoe ver die verantwoordelijkheid precies reikte.

 

In beroep nuanceert het Centraal Tuchtcollege de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege. Ook het Centraal Tuchtcollege meent dat er voor de zorgverlener aanleiding kan bestaan om zijn verzekeraar in beweging te krijgen. Ook kan hij proberen de communicatie tussen verzekeraar en de patiënt te verbeteren. Maar het ligt volgens het Centraal Tuchtcollege niet op de weg van de zorgverlener om zich in het kader van de door hem te verlenen nazorg te begeven in inhoudelijke discussies over civielrechtelijke aansprakelijkheid, causaliteit en schadebegroting. Het gaat daarbij namelijk om strikt juridische aangelegenheden ten aanzien waarvan van een zorgverlener geen specifieke kennis mag worden verwacht. Om die reden heeft hij ter zake dus ook geen tuchtrechtelijke verplichting, aldus het Centraal Tuchtcollege. De wijze waarop in deze zaak de verzekeraar de schadeafwikkeling had aangepakt, was niet onzorgvuldig. Van de arts kon niet meer worden verwacht dan dat hij de verzekeraar aanspoorde om tot een afronding te komen. Dat had de arts ook gedaan.

 

De uitspraak van het Centraal Tuchtcollege is een voor de praktijk bruikbare handleiding voor zorgverleners in aansprakelijkheidskwesties. Een fout erkennen mag en leidt niet gelijk tot erkennen van aansprakelijkheid. De zorgverlener hoeft zich echter niet te verdiepen in juridische aangelegenheden. Een zorgverlener moet, voor zover dat in zijn vermogen ligt, er wel op toe zien dat een schadeclaim binnen redelijke termijn door zijn verzekeraar wordt afgehandeld en alles doen dat daaraan kan bijdragen.

 

De uitspraak treft u hier aan.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Misbruik van tuchtrecht

13-03-2018

In het laatste nummer van Tijdschrift Tuchtrecht verscheen een artikel van de hand van Maurice Mooibroek over ‘misbruik van tucht(proces)recht’. In het artikel gaat Maurice in op de vraag wanneer sprake is van misbruik van tuchtrecht. En welke situaties daaronder kunnen worden verstaan. Hij pleit onder meer voor een introductie in het wettelijk tuchtrecht van een kostenveroordeling voor de klager indien deze kennelijk onredelijk gebruik maakt van het tuchtrecht.

 

Het artikel is hier te downloaden.

 

Mr. Maurice Mooibroek

mf.mooibroek@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 212 28 38

Wachtlijst te lang?

08-03-2018

Hoe beoordeelt de tuchtrechter een klacht over een (te) lang uitgestelde operatie?

 

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag

ECLI:NL:TGZRSGR:2018:27

 

Bij een patiënte wordt een tumor in het bekken geconstateerd die de zenuwen aantast. Na een biopt wordt de tumor geduid als goedaardig. Na een bespreking in de werkgroep neuro-oncologie en een MRI is het advies de tumor operatief te verwijderen.

Er vindt PA-onderzoek plaats, nader overleg met de oncologisch chirurg, de patiënte wordt besproken binnen de werkgroep sarcomen en er wordt advies gevraagd aan de patholoog voor het geval er toch sprake zou zijn van een kwaadaardige tumor.

De patholoog adviseert een immunohistochemische bepaling, een nog niet gevalideerde techniek, om meer zekerheid over het type tumor te verkrijgen.

Dit onderzoek wijst uit dat er naar alle waarschijnlijkheid tóch sprake is van een kwaadaardige tumor. De conclusie wordt besproken in de werkgroep neuro-oncologie, waarvan de uitkomst is dat er sprake moet zijn van een kwaadaardige tumor. Patiënte wordt verwezen naar de oncologisch chirurg.

Nadat patiënte opnieuw wordt opgenomen wordt bij MRI-onderzoek een snelle groei van de tumor gezien. De neurochirurg zegt dat hij geen bijdrage aan de behandeling kan geven. De oncologisch chirurgen geven op hun beurt aan dat operatieve verwijdering van de tumor niet mogelijk is. Patiënte wordt palliatieve behandeling geadviseerd.

De patiënte komt te overlijden en haar dochters klagen de neurochirurg aan met het verwijt dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld en te lang heeft gewacht met opereren.

 

Het tuchtcollege komt allereerst tot het oordeel dat de neurochirurg op basis van het ingezette onderzoek en het multidisciplinaire overleg aanvankelijk mocht uitgaan van een goedaardige tumor. De neurochirurg heeft vervolgens overeenkomstig deze diagnose gehandeld. Vanwege het ingrijpende en ingewikkelde karakter van de operatie konden ter voorbereiding van de operatie andere specialismen worden geconsulteerd. Hoewel het, gelet op de ernstige pijnklachten van de patiënte, begrijpelijk is dat zij een operatie op een eerdere datum wilde, bestond daartoe naar het oordeel van het tuchtcollege geen medische noodzaak. Gelet op de aanvankelijke diagnose en uitgaande van de daarbij behorende langzame groei van de tumor en de beschikbare operatiecapaciteit, is een wachttijd voor een operatie van acht weken – hoe vervelend voor de patiënte ook – niet onaanvaardbaar. Er bestond onvoldoende reden om de wachttijd in verband met de ernstige pijnklachten in te korten. Daarbij acht het tuchtcollege van belang dat voor bestrijding van de pijn binnen de afdeling neurologie een behandeling door het pijnteam zou kunnen plaatsvinden.

Dat later uit nader onderzoek is gebleken dat vanwege de snelle groei van de tumor een operatie niet meer mogelijk was doet aan het voorgaande niet af. De klacht wordt als ongegrond afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat de termijn waarop een operatie door behandelaars wordt gepland afhankelijk is van diverse omstandigheden. Behalve de aard en de ernst van de aandoening vindt het tuchtcollege hier ook de beschikbare operatiecapaciteit een factor van betekenis. In deze zaak heeft er veel diagnostiek en veelvuldig overleg plaatsgevonden. Voor behandelaars en voor patiënten (en hun familie) is het van belang dat er goede communicatie plaats vindt over elke stap in de diagnostiek en het besluitvormingsproces. Hiermee kan worden voorkomen dat bij patiënten en hun familie de indruk ontstaat dat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd en dat er verkeerde verwachtingen ontstaan over het tempo waarin de behandeling kan of moet plaatsvinden.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Verjaring: feest voor juristen?

05-03-2018

Hoe gaat de rechter in de praktijk om met verjaringsvraagstukken?

 

Hoge Raad 26 januari 2018

ECLI:NL:HR:2018:108

 

Een bedrijfsleider bij een autobedrijf glijdt in 1998 uit in de wasstraat en raakt arbeidsongeschikt. De verzekeraar van het autobedrijf erkent in 2001 aansprakelijkheid. Er wordt onderhandeld en er worden voorschotten uitgekeerd. Partijen komen niet tot een eindregeling. De bedrijfsleider start in 2011 een procedure bij de kantonrechter tegen zijn inmiddels voormalige werkgever. Hij vordert schadevergoeding van ruim € 400.000,00. De werkgever beroept zich op verjaring van de vordering omdat deze werd ingesteld meer dan vijf jaar nadat de aansprakelijkheid was erkend. De bedrijfsleider stelt dat de verjaring tijdig en rechtsgeldig is gestuit door het sturen van aanmaningen aan een door de verzekeraar ingeschakeld schaderegelingsbureau, waardoor een nieuwe termijn van vijf jaar is gaan lopen.

Zowel de kantonrechter als het gerechtshof honoreren het beroep op verjaring omdat de aanmaningen niet aan het autobedrijf zélf waren gericht.

De Hoge Raad komt in 2018 in cassatie tot een ander oordeel.

De bedrijfsleider mocht er op vertrouwen dat de verzekeraar als vertegenwoordiger van het garagebedrijf optrad. De verzekeraar had namens het autobedrijf aansprakelijkheid erkend waardoor de aansprakelijkheidsvraag niet meer ter discussie stond; uitsluitend de omvang van de schade was nog aan de orde. Het gegeven dat de verzekeraar erkende dat de bedrijfsleider aanspraak had op een hogere vergoeding dan reeds (zonder voorbehoud) aan voorschotten was betaald, was voldoende voor stuiting van de lopende verjaring. Hierbij is niet van belang dat over de omvang van de resterende schade nog geen overeenstemming bestond. De bedrijfsleider had zijn vordering dus tijdig ingesteld en deze moet twintig jaar na het ongeval alsnog door de rechter inhoudelijk worden beoordeeld.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat verjaring en stuiting taaie juridische vraagstukken zijn. Als een vordering is verjaard kan deze door de schuldeiser niet meer geldend worden gemaakt. Een vordering tot schadevergoeding verjaart in het algemeen vijf jaar nadat de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geraakt. Een dergelijke vordering kan ook worden gestuit. Hierdoor begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. Stuiten kan plaats vinden door erkenning van aansprakelijkheid door de schuldenaar, door een uitdrukkelijke schriftelijke mededeling door de schuldeiser maar kan ook uit de context waarin mededelingen over en weer zijn gedaan worden afgeleid. Kortom: alle omstandigheden zijn van belang. Hierbij kunnen details best wel eens de doorslag geven of er reden is voor een feestje of niet.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Een klacht is gratis advies

28-02-2018

Op de website van Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg wordt in een speciale rubriek het tuchtrecht voor de gezondheidszorg belicht vanuit de kant van college, proces, klager en verweerder.

 

Mr. Jenneke Rowel is voorzitter van het Centraal Tuchtcollege. Mr. Caroline Pluijgers is secretaris van regionaal tuchtcollege Amsterdam. Mr. Oswald Nunes belicht het verweerdersperspectief. Mr. Richard Korver het perspectief vanuit de klager.

 

Onderstaand het verweerdersperspectief toegelicht door Mr. Oswald Nunes.

 

  • Klik hier voor de volledige publicatie.

 

Een klacht is gratis advies

Oswald Nunes is sinds 1986 advocaat en sinds 1994 verbonden aan KBS Advocaten, een kantoor gespecialiseerd in de gezondheidszorg. Bij KBS is hij voorzitter van de sectie (materieel) Gezondheidsrecht/Aansprakelijkheid en Zorg. Oswald staat zorgprofessionals bij die te maken krijgen met een klacht.

 

Kunt u schetsen wat er gebeurt met een zorgprofessional die met een klacht wordt geconfronteerd?

‘Die komt in een totaal nieuwe wereld terecht. Ineens staat hij niet meer naast de patiënt maar tegenover hem. En dat is een vreemde gewaarwording. Men is niet verontwaardigd, maar men begrijpt het vaak niet: ‘Ik heb toch mijn best gedaan?’ Een klacht heeft een impact variërend van slapeloze nachten tot het overwegen om te stoppen met werken. Gemiddeld loop je één keer in je carrière tegen een klacht aan. Dus het is bijna altijd een eerste en enige klacht, iets dat men 10 jaar later nog tot in detail weet. Er zijn dus ook heel veel vragen.’

 

Wat kunt u doen voor de verwerende partij?

‘Helpen het verhaal helder te krijgen. Ik ga er vanuit dat geen zorgverlener ’s ochtends opstaat met het plan die dag een fout te maken of iemand onheus te bejegenen. Er hoort altijd een verhaal bij. Bijvoorbeeld, ik was afgeleid door bepaalde symptomen die atypisch zijn of ik heb bepaalde gegevens verkeerd geïnterpreteerd. Dat verhaal probeer ik als advocaat zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen. Voor het Tuchtcollege is het ook heel belangrijk dat de zorgprofessional inzicht in het eigen handelen toont en dat er verbeteringen zijn doorgevoerd  om fouten of vergissingen in de toekomst voorkomen, zoals andere werkafspraken of aanpassing van een protocol.’

 

Worden er ook wel eens verbeteringen doorgevoerd als gevolg van een ongegronde klacht?

‘Dat gebeurt zelfs heel vaak. Een klacht is gratis advies, zeg ik altijd. Wat er is gebeurd, kan weliswaar niet fout zijn maar het heeft evengoed geleid tot een ontevreden patiënt. En zowel de zorgverlener als de zorginstelling willen natuurlijk graag tevreden patiënten. Klagers doen het meestal ook niet voor zichzelf maar voor degenen die na hen komen. Dus klachten kunnen nuttig zijn.’

 

Heeft u daar een voorbeeld van?

‘Ja, best een schrijnend voorbeeld. Het ging om een operatie met kans op zenuwletsel. De chirurg had hier vóór de operatie op gewezen en zo stond het ook in de folder. De patiënt hield een dwarslaesie over aan de ingreep. Dat een dwarslaesie onder het begrip zenuwletsel valt, had de patiënt niet begrepen. Voortaan wordt daarom zowel mondeling als in de folder expliciet ook het woord dwarslaesie als mogelijke complicatie genoemd.’

 

Wat kan het Tuchtcollege nog beter doen?

‘Ik merk dat zorgprofessionals een uitspraak beter kunnen accepteren naarmate deze uitgebreider is gemotiveerd.’

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Arts-assistent in de fout?

23-02-2018

In hoeverre is een arts-assistent tuchtrechtelijk aansprakelijk voor een gemiste diagnose?

 

Een patiënt wordt door de reumatoloog naar de afdeling interne geneeskunde verwezen voor evaluatie en beleid anemie en hypertensie. De patiënt wordt gezien door een arts-assistent in opleiding tot specialist interne geneeskunde. De arts-assistent was net gestart in haar vierde jaar en daarmee op de helft van haar opleiding.

Het tuchtcollege stelt vast dat de diagnose ijzergebreksanemie ten onrechte is verworpen.

Het tuchtcollege geeft allereerst het beoordelingscriterium in opleidingssituaties weer.

Bij de beoordeling van de vraag welke handelingen in welke fase van de opleiding overgelaten kunnen worden aan een arts-assistent in opleiding om verricht te worden onder het toeziend oog van de opleider, dan wel aan haar overgedragen kunnen worden, waarbij de opleider als achterwacht op afroep beschikbaar is, moet een doorslaggevende rol worden toegekend aan de inschatting die de opleider mag hebben van de ervaring en vaardigheid van de arts-assistent in opleiding. Een en ander heeft het gevolg dat bij aanvang van de opleiding een aanzienlijk deel van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de arts-assistent in opleiding op de schouders van de opleider c.q. de supervisor drukt, terwijl naarmate er meer aan de arts-assistent in opleiding kan worden toevertrouwd de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid gaandeweg wordt gedeeld tussen de opleider/supervisor en de arts-assistent in opleiding.

 

Het tuchtcollege is van oordeel dat hier sprake is van een complex leerstuk. De diagnostiek op het gebied van een ijzergebreksanemie is moeilijk en is er voor de beroepsgroep geen richtlijn voorhanden. De arts-assistent heeft op zorgvuldige wijze een anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. Zij heeft de uitkomst van haar onderzoek en haar werkdiagnose besproken met haar supervisor. In gezamenlijk overleg werd de diagnose ijzergebreksanemie verworpen.

Gezien het feit dat sprake was van een intensieve supervisie, waarbij de arts-assistent elke stap in de behandeling van de patiënt met de supervisor heeft besproken en rekening houdend met de fase van de opleiding waarin de arts-assistent zich bevond, is het tuchtcollege van mening dat de volledige tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het stellen van de diagnose en het in te zetten beleid niet op de schouders van de arts-assistent maar op die van de supervisor rustte.

De uitkomst is dat de klacht tegen de arts-assistent ongegrond wordt verklaard en tegen de supervisor gegrond, die de maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat in opleidingssituaties sprake is van een glijdende schaal van tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Aan het begin van de opleiding rust de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid meer op de schouders van de opleider/supervisor dan aan het einde van de opleiding. Het is voor de praktijk dan van belang dat zowel arts-assistenten als supervisors zich hiervan rekenschap geven en hun onderlinge samenwerking daar goed op afstemmen.

 

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven

ECLI:NL:TGZREIN:2018:22 en 23

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Aansprakelijk voor letsel van vrijwilliger

22-02-2018

De Hoge Raad heeft op 15 december 2017 overwogen dat vrijwilligerswerk niet is uitgesloten van het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW.

 

Tijdens het verrichten van vrijwilligerswerkzaamheden ten behoeve van een parochie is een vrijwilliger van het dak van de kerk gevallen. Bij de val heeft de vrijwilliger ernstig letsel (waaronder een dwarslaesie) opgelopen. De kantonrechter heeft in een deelgeschilprocedure de verzoeken van de vrijwilliger dat de kerk aansprakelijk is voor zijn schade afgewezen. Vervolgens heeft het hof voor recht verklaard dat de (verzekeraar van de) kerk aansprakelijk is voor de schade van de vrijwilliger. De verzekeraar is tegen dat oordeel in cassatie gekomen bij de Hoge Raad.

 

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. Daartoe overwoog de Hoge Raad dat voor de vraag of een persoon die letsel oploopt in de uitoefening van werkzaamheden beslissend is of degene die de werkzaamheden verricht, zich bevindt in een met een werknemer vergelijkbare positie en daarom aanspraak heeft op dezelfde door de werkgever in acht te nemen zorg. Dit is ook door de wetgever zo beoogd. Voorwaarde is wel dat de vrijwilliger de werkzaamheden heeft verricht in de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever. Het enkele feit dat de werkzaamheden nimmer door de ‘eigen’ werknemers van de Parochie zouden zijn uitgevoerd, doet daaraan niets af.

 

De wetgever heeft met lid 4 van artikel 7:658 BW willen voorkomen dat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent, om ervoor te kiezen het werk te laten verrichten door werknemers of door anderen, van invloed kan zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt.

 

Mr. Suzanne Steegmans

sm.steegmans@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 847

De AVG voor de zorg: 12 vragen en antwoorden

22-02-2018

Een whitepaper over de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) voor de zorgsector is op onze website gepubliceerd.

 

Op 25 mei a.s. treedt de AVG in werking. Deze verordening heeft gevolgen voor het verwerken van (bijzondere) persoonsgegevens in de zorgsector. Aan de hand van 12 vragen en antwoorden lichten wij de AVG voor de zorg op hoofdlijnen toe. Klik hier voor onze whitepaper. 

 

Op 15 maart a.s. organiseert KBS Advocaten het seminar Privacy in de zorg en de AVG. Het maximum aantal aanmeldingen voor die datum is inmiddels bereikt. Via seminars@kbsadvocaten.nl kunt u zich niettemin kosteloos aanmelden voor een vervolgseminar op een nader te bepalen datum. Bij aanmelding wordt u met voorrang uitgenodigd. 

 

Op 25 mei a.s. organiseert Medilex het congres AVG in de zorg, met verschillende sprekers uit het veld. Niels van den Burg en Erik Luijendijk verzorgen een onderdeel van dit congres. Voor dit congres kunt u zich via de inschrijfpagina van Medilex aanmelden. 

 

Voor meer informatie of advies over privacyrecht kunt u contact opnemen met Niels van den Burg (n.vandenburg@kbsadvocaten.nl) of Erik Luijendijk (e.luijendijk@kbsadvocaten.nl).

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Berisping voor arts die rituele besnijdenissen in AZC verrichtte

20-02-2018

Een arts verricht in een asielzoekerscentrum op verzoek van ouders zes rituele besnijdenissen. Bij twee daarvan treden ernstige complicaties op. Het tuchtcollege legt de arts een berisping op.

 

De arts voert bij zes minderjarige jongetjes, op verzoek van de ouders, (religieuze) besnijdenissen in woon-/slaapkamers van een AZC uit. Deze niet-therapeutische circumcisies zijn kleine chirurgische ingrepen zonder medische noodzaak. De arts legt geen dossier aan over de uitgevoerde ingrepen en draagt ook geen medische informatie over aan het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA).

 

Een uur na de besnijdenis wordt één van de patiëntjes ziek en plast bloed. Omdat de moeder geen contact krijgt met de arts, neemt zij contact op met het GCA. Het patiëntje wordt overgebracht naar het ziekenhuis. De volgende dag roept het GCA alle zes patiëntjes op voor controle. Tijdens dat spreekuur moet één patiëntje braken. Hij wordt per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Het GCA doet diezelfde dag melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (i.o.) over de uitgevoerde besnijdenissen door de arts. Ook is melding gedaan bij het Openbaar Ministerie, dat strafrechtelijk onderzoek loopt nog.

 

De Inspectie diende een tuchtklacht in en verwijt de arts dat hij:

 

1. de patiëntjes en hun ouders onvoldoende heeft voorgelicht over de ingreep, de mogelijke complicaties en de nazorg, waardoor de ingreep is verricht zonder informed consent;
2. niet de vereiste hygiëne in acht heeft genomen en daarmee de patiëntjes onnodig heeft blootgesteld aan de gevaren van een infectie;
3. twee besnijdenissen niet lege artis heeft uitgevoerd;
4. heeft nagelaten passende nazorg te bieden;
5. geen dossiervoering conform de professionele standaard heeft gevoerd.

 

Het Regionaal Tuchtcollege Zwolle (RTG) verklaart klachtonderdelen 1, 2, 4 en 5 gegrond. Het is niet komen vast te staan dat de arts de besnijdenissen niet volgens de regels der kunst heeft uitgevoerd, aldus het RTG.

Het RTG verwijst verder naar de opvatting in het KNMG-standpunt ‘Niet-therapeutische circumcisie bij minderjarige jongens’  dat het feit dat het om een medisch niet-noodzakelijke ingreep gaat met een reële kans op complicaties, extra hoge eisen stelt aan de voorlichting die aan de ouders moet worden gegeven. De arts mocht er naar het oordeel van het RTG niet op vertrouwen dat die toestemming automatisch werd gegeven en dat de medische aspecten van de ingreep volledig bekend waren, omdat (jongens)besnijdenis in de betrokken culturen gangbaar is.

 

Het RTG oordeelt dat de arts aanzienlijk tekort is geschoten door onvoldoende hygiënemaatregelen te treffen, geen dan wel onvoldoende informatie te verstrekken aan de ouders, geen nazorg te bieden en geen medisch dossier bij te houden. Gelet op de ernst van het tekortschieten legt het RTG de arts een berisping op.

 

Mr. ChiChi de Haan

cim.dehaan@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 821

Gemeenten verzamelen te veel persoonsgegevens bij uitvoering Wmo en Jeugdwet

19-02-2018

Bij de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet verzamelen gemeenten meer persoonsgegevens van mensen dan noodzakelijk voor hun zorgvraag. Dit is in strijd met de privacywetgeving. Dat concludeert de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) uit onderzoek naar de manier waarop de gemeenten Nijmegen en Zaanstad persoonsgegevens verwerken in een zelfredzaamheidsmatrix (ZRM).

 

Zelfredzaamheidsmatrix

De ZRM is een instrument waarmee wordt gemeten hoe zelfredzaam mensen zijn. De matrix wordt in veel gemeenten als leidraad gebruikt bij contacten met burgers, zoals tijdens de zogeheten keukentafelgesprekken. Met een ZRM worden persoonsgegevens verzameld op een groot aantal domeinen, zoals lichamelijke en psychische gezondheid, financiën en justitie.

 

In de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is vastgelegd dat er niet meer persoonsgegevens mogen worden verzameld dan noodzakelijk voor het doel. Uit het onderzoek van de AP blijkt dat met een ZRM ook persoonsgegevens worden verzameld die niet relevant zijn voor de hulpvraag. Daarmee handelen gemeenten in strijd met de wet. 

 

Zorgplicht

Ook heeft de AP bekeken of is voldaan aan de zorgplicht op grond waarvan een gemeente dient te waarborgen dat zorgprofessionals voldoende zijn geëquipeerd om de beoordeling van de noodzaak van het verwerken van gegevens voor de toeleiding naar zorg te kunnen maken. Dat betekent dat zij daarvoor waarborgen moeten treffen, bijvoorbeeld door het organiseren van opleidingen en het opstellen van adequate handreikingen voor professionals. De AP constateert dat instructies van de gemeenten op dit punt onvoldoende concreet en specifiek zijn.

 

AVG

De normen uit de Wbp waaraan gemeenten dienen te voldoen, veranderen niet na het van kracht worden van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 25 mei 2018. De AVG versterkt de toepasselijke normen voor een deel zelfs omdat verwerkingsverantwoordelijken (zoals gemeenten) -meer dan nu- verplicht zijn aan te tonen dat zij voldoen aan de AVG (“accountability”).

 

Vanwege de voorbereidingen op de AVG ziet de AP op dit moment af van verdere handhaving, zo staat op de website van de gemeente Nijmegen vermeld.

 

Klik hier voor het nieuwsbericht en de onderzoeksrapporten van de AP.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

De eerste evaluatie van de Jeugdwet

16-02-2018

Op 30 januari jl. is de eerste evaluatie van de Jeugdwet aangeboden aan de ministeries van VWS, JenV en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

 

De Jeugdwet trad op 1 januari 2015 in werking en bracht een aanzienlijke transformatie met zich, waarmee gemeenten bestuurlijk en financieel verantwoordelijk werden voor het jeugddomein. De onderzoekers constateren dat de transformatiedoelen van de Jeugdwet door zowel gemeenten als aanbieders breed worden gedragen. Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat de transformatie nog niet gereed is en dat een dergelijk grote verandering (meer) tijd kost.

Voor de evaluatie zijn de ontwikkelingen tot en met de zomer van 2017 meegenomen. Omdat de ontwikkeling van en implementatie van beleid naar aanleiding van de invoering van de Jeugdwet nog in volle gang is, geeft de evaluatie volgens de minister ‘echt een tussenstand’. De evaluatie bestaat uit vier deelstudies: een deelstudie naar de gevolgen van de Jeugdwet voor kinderen en ouders, een deelstudie naar de gemeenten als regisseurs van het jeugdbeleid, een deelstudie naar het zorglandschap en veiligheid en een juridische deelstudie.

Het beeld dat uit de deelstudies ontstaat is dat ouders over het algemeen positiever zijn over de ontvangen jeugdhulp dan over de weg er naartoe. Vooral kwetsbare gezinnen (die de hulp hard nodig hebben) hebben grote moeite de weg in de jeugdhulp te vinden. Volgens de onderzoekers is er op het moment van de evaluatie nog geen sprake van een verminderd beroep op gespecialiseerde hulp, zoals wel met de wet was beoogd. Ook is nog niet zichtbaar dat inmiddels op grote schaal wordt ingezet preventie.

Volgens de onderzoekers zijn gemeenten op de goede weg zijn met de transformatie van de jeugdhulp. De gemeenten die in het kader van de evaluatie hebben aangegeven dat zij hun zaken nog niet goed op orde hebben zijn in de minderheid. Wel komen veel gemeenten nog onvoldoende toe aan een goede verbinding met andere domeinen, zoals het onderwijs, schuldhulpverlening, de Wmo en bij de overgang naar volwassenheid.

Waar door gemeenten met name budgettaire krapte als knelpunt wordt genoemd, zijn dit voor aanbieders van jeugdhulp en jeugdprofessionals juist de zorgen over de kwaliteit van wijkteams, de regels rond aanbesteden en administratieve lasten. Daarnaast lukt het volgens de onderzoekers in het gedwongen kader nog onvoldoende om tijdig passende hulp te organiseren.

In de brief waarmee de minister van VWS de evaluatie aan de Tweede Kamer heeft aangeboden kondigt hij aan de uitkomsten van de evaluatie te bespreken in (bestuurlijk) overleg met cliënten, gemeenten en branches. De minister verwacht de Kamer in de loop van april 2018 te kunnen informeren over de conclusies die uit de evaluatie getrokken worden en het vervolg dat aan de evaluatie zal worden gegeven.

Klik hier voor het evaluatierapport en klik hier voor de Kamerbrief.

 

Mr. Sofie Steen

sm.steen@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 864

Hulp bij zelfdoding: het mag niet

16-02-2018

Het verlenen van hulp bij zelfdoding is strafbaar. En hoewel zich maatschappelijk de lijn lijkt af te tekenen dat stervenshulp mogelijk zou moeten zijn voor mensen, die hun leven voltooid achten, heeft het Hof Den Bosch onlangs stevig uitgehaald door aan Albert Heringa een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden op te leggen voor hulp bij de zelfdoding van zijn (stief)moeder in juni 2008.

 

De 99-jarige vrouw was niet ziek maar vond haar leven voltooid en wilde niet meer verder. Zij leed aan hartfalen, had ernstige rugklachten en was nagenoeg blind. Haar huisarts begreep haar wens, maar vond dat hij haar daarbij niet behulpzaam kon zijn. Heringa besloot haar te helpen bij haar zelfgeregisseerde dood en gaf haar de benodigde medicatie. Fragmenten van dit proces werden gefilmd, en die film werd op tv uitgezonden.

 

Kort na de uitzending van de film in 2010 werd het overlijden onderzocht en volgde een strafzaak tegen Heringa. Heringa heeft zich in de strafzaak beroepen op noodtoestand, een vorm van overmacht, omdat de huisarts weigerde en hij zich moreel verplicht voelde zijn moeder te helpen. Er volgde een procedure bij Rechtbank, Hof en Hoge Raad, en daarna een (voorlopig) laatste oordeel van het Hof Den Bosch van 31 januari 2018: het Hof is van oordeel dat geen sprake was van een conflict van plichten (noodtoestand), zodat Heringa geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toe komt.

 

Zelfs legde het Hof Den Bosch hem een tweemaal hogere straf op dan door het OM geëist. Reden daarvoor is dat het Hof hem aanrekent dat Heringa na het geven van de medicijnen is weggegaan en zijn moeder alleen heeft gelaten, terwijl ze toen nog leefde. 'Hij heeft zich er niet van verzekerd dat er geen complicaties zouden optreden tijdens het stervensproces', aldus het Hof. 'Dit staat in contrast met de reden die hij voor zijn handelen geeft, namelijk dat hij zijn stiefmoeder niet alleen wilde laten sterven.'

 

Het Hof neemt het Heringa ook kwalijk dat hij pas twee jaar later 'verantwoording voor zijn handelen heeft afgelegd'. Want pas toen de film was uitgezonden op televisie, werd voor iedereen duidelijk dat zijn moeder geen natuurlijke dood was gestorven.  

 

Heringa heeft aangegeven in cassatie te zullen gaan.

 

Mr. Danielle Zwartjens

d.zwartjens@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 833

Wkkgz : een eerste evaluatie

15-02-2018

De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is op 1 januari 2017 volledig in werking getreden. Het doel van de wet is een effectieve en laagdrempelige klachten- en geschillenbehandeling.
De minister van VWS heeft een jaarlijkse Wkkgz-monitor toegezegd om inzicht te geven hoe in de praktijk invulling aan de wet wordt gegeven. De eerste monitor Wkkgz is op 8 februari jl. aan de Tweede Kamer gestuurd. Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

 

Geschillencommissies

 

Ten eerste blijkt dat de minister van VWS inmiddels maar liefst 31 verschillende geschillencommissies heeft erkend.

In 2017 zijn (t/m 15 oktober 2017) 242 nieuwe zaken bij deze geschillencommissies aangemeld. De meeste geschillen (80) zijn ingediend bij de Geschillencommissie Ziekenhuizen, gevolgd door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (45) en de Geschillencommissie Verpleging, Verzorging en Geboortezorg (31). Ook bij geschillencommissies die pas sinds 2017 werkzaam zijn (zoals de Geschillencommissie Ambulancezorg) zijn geschillen ingediend.

In 2017 is in 107 zaken uitspraak gedaan. In 24 zaken werd een schikking bereikt. Het aantal gegrondverklaringen over 2017 is nog niet bekend.

 

Klachtenfunctionaris

 

Ten tweede is in de monitor is aan de hand van een enquête gekeken naar de informele klachtenafhandeling. Daaruit blijkt dat de meeste klachtenfunctionarissen werkzaam zijn in een ziekenhuis, verpleeg- of verzorgingshuis of in de thuiszorg. Van de klachtenfunctionarissen werkt 40% voor meerdere zorgaanbieders.

De meeste klachtenfunctionarissen vinden hun positie sinds de invoering van de Wkkgz beter gewaarborgd, duidelijker en onafhankelijker. In bijna alle gevallen gaven zij aan dat de zorgaanbieder waar zij werken een schriftelijke leidraad of protocol heeft voor klachtafhandeling (98%). Ook is de zorgaanbieder aangesloten bij een geschillencommissie (94%). Opvallend is dat een groot deel van de klachtenfunctionarissen aangeeft dat de zorgaanbieder waar zij werken (ook) nog een eigen klachtencommissie heeft (71%). In de meeste zorgsectoren is dat onder de Wkkgz niet meer verplicht. 

 

Ervaringen zorgaanbieders

 

Ten derde wordt in de monitor ook aandacht besteed aan ervaringen van zorgaanbieders met de Wkkgz. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘nieuwe’ zorgaanbieders (zorgaanbieders die niet onder voorgaande wetgeving vielen) en zorgaanbieders die wel onder voorgaande wetgeving vielen. Volgens de nieuwe zorgaanbieders is de reikwijdte van de Wkkgz niet altijd even duidelijk en zijn de eisen waaraan zij volgens de wet moeten voldoen ook niet altijd even helder. De zorgaanbieders die wel onder de voorgaande wetgeving vielen wijzen op onduidelijkheden in de Wkkgz. Als voorbeelden worden genoemd de termijn wanneer de klachtafhandeling ingaat en wat de verhouding is tussen klachten en claims.

Een niet in de monitor genoemde, maar wel uit het veld gehoorde ervaring is dat zorgaanbieders de behandeling van geschillen door de geschillencommissies regelmatig als (te) weinig juridisch ervaren.

De toekomst zal uitwijzen hoe de uitvoering van deze jonge wet zich in de praktijk verder zal ontwikkelen.

 

Klik hier voor de monitor.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Handhaving IGJ versterkt

12-02-2018

Op 30 januari 2018 is bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend met als doel het handhavingsinstrumentarium van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd i.o. (IGJ) te versterken. Hieronder worden de belangrijkste onderdelen van het wetsvoorstel samengevat:

 

Last onder bestuursdwang
Nu is geregeld dat een ieder gehouden is om medewerking te verlenen aan de toezichthouder, bij de uitoefening van diens toezichtstaak (art. 5:20 Algemene wet bestuursrecht). Dit geldt ook ten aanzien van het toezicht van IGJ. Bij weigering van medewerking kan nu alleen strafrechtelijk worden opgetreden. Volgens het wetsvoorstel is dat niet altijd opportuun. De gewenste medewerking zelf wordt er niet mee afgedwongen. Daarom regelt het wetsvoorstel dat IGJ in meer wetten dan voorheen ook een last onder bestuursdwang kan toepassen om medewerking af te dwingen. Bestuursdwang houdt in dat een bestuursorgaan door eigen handelen een geconstateerde overtreding kan opheffen. Weigert een zorgverlener te voldoen aan een vordering van IGJ om bijvoorbeeld een deur te openen of toegang te geven tot een computerbestand, dan kan IGJ met bestuursdwang daar dus zelf toe overgaan.

 

Inzagerecht medische gegevens uitgebreid
Met een beroep op de medewerkingsplicht kan IGJ niet bewerkstelligen dat zorgverleners inzage geven tot patiëntendossiers of andere medische gegevens van personen. Zorgverleners kunnen zich namelijk beroepen op hun verschoningsrecht (c.q. geheimhoudingsplicht). In afwijking hiervan zijn ambtenaren van IGJ in sommige gevallen toch bevoegd om patiëntendossiers in te zien. Zonder toestemming van de patiënt en met passering van het verschoningsrecht van de zorgverlener. Dat is het geval voor zover inzage voor de vervulling van hun toezichthoudende taak noodzakelijk is en het inzagerecht bij specifieke wet geregeld is. Op dit moment heeft IGJ een dergelijk inzagerecht op grond van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg, de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, de Gezondheidswet (gedeeltelijk), de Wet langdurige zorg, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

Het wetsvoorstel voorziet erin dat IGJ ook inzagerecht krijgt op grond van de Geneesmiddelenwet en de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Volgens het wetsvoorstel moet IGJ ook inzagerecht in recepten hebben, bijvoorbeeld om te kunnen controleren of apothekers zelf bereide recepten daadwerkelijk voor eigen patiënten bereiden. Daarnaast moet IGJ bij een persoon of instelling die kunstmatige bevruchting verzorgt gegevens kunnen inzien om te controleren of deze wel heeft voldaan aan de aanleverplicht. Volgens deze plicht moet de persoon of instelling gegevens over de betrokken donor en behandelde vrouw aanleveren bij de Stichting donorgegevens kunstmatige bevruchting. Deze stichting is verantwoordelijk om op verzoek van de persoon die door middel van kunstmatige bevruchting is verwekt, gegevens over diens biologische ouder te verstrekken.

 

Bestuurlijke boete
Het wetsvoorstel beoogt daarnaast het toezicht op de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal te versterken. Deze wet stelt eisen aan de kwaliteit en veiligheid van lichaamsmateriaal dat bij uit- en afname bestemd is voor toepassing bij de mens. Het is verboden om handelingen met lichaamsmateriaal uit te voeren zonder een vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Het handelen in strijd met het verbod is nu alleen strafrechtelijk gesanctioneerd. Volgens het wetsvoorstel volstaat dat niet. Voorgesteld wordt daarom om in de wet te regelen dat overtreding ook kan worden bestraft met een bestuurlijke boete van ten hoogste € 900.000,00.

 

Uniforme regeling inzake goede laboratoriumpraktijken
Sinds 2012 is IGJ (destijds: IGZ) verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken. Die beginselen vormen een kwaliteitssysteem voor de organisatie van en omstandigheden bij de planning, uitvoering, bewaking, registratie, archivering en rapportage van niet-klinisch onderzoek naar de veiligheid voor gezondheid en milieu. Zij moeten worden toegepast bij onderzoek van geneesmiddelen, biociden en gewasbeschermingsmiddelen, cosmetische producten en diergeneesmiddelen, alsmede additieven in levensmiddelen en industriële chemische stoffen.

Het toezicht op de beginselen van goede laboratoriumpraktijken is op dit moment versnippert in verschillende wetten. Het wetsvoorstel beoogt één centrale en duidelijke regeling van de bevoegdheden van IGJ neer te leggen in de Geneesmiddelenwet.

 

Inbreng verslag
Op 7 maart a.s. behandelt de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer het wetsvoorstel. De Kamerleden kunnen voor die tijd hun inbreng op het wetsvoorstel leveren. Op dit moment is nog niet bekend welk tijdspad is gekoppeld aan de verdere behandeling van het wetsvoorstel.

 

Meer weten? Neem contact op met Maurice Mooibroek via onderstaande gegevens.

 

Mr. Maurice Mooibroek

mf.mooibroek@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 212 28 38

Boete bij niet onverwijld melden van een calamiteit

12-02-2018

Calamiteiten bij de zorgverlening dienen door de zorgaanbieder onverwijld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd i.o. (IGJ) te worden gemeld. Handelen in strijd met deze verplichting is een overtreding.

 

Op grond van artikel 30 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is de Minister bevoegd hiervoor een bestuurlijke boete op te leggen. Deze bevoegdheid is nader uitgewerkt in de wet specifieke bijlage ‘Wkkgz’ behorende bij de Beleidsregels bestuurlijke boete Minister VWS. In deze bijlage is bepaald dat onder ‘onverwijld melden’ wordt verstaan: “melden binnen drie werkdagen na de vaststelling van een calamiteit”.

 

Niet altijd zal echter direct duidelijk zijn of een incident een calamiteit is. Op grond van de bijlage Wkkgz bij de Beleidsregels bestuurlijke boete Minister VWS heeft een instelling vanaf de constatering van een gebeurtenis zes weken om dit te onderzoeken. Als uit het onderzoek blijkt dat het om een calamiteit gaat, moet dit binnen zes weken onverwijld (binnen drie werkdagen) bij de inspectie worden gemeld.

Aan deze termijnen wordt strikt de hand gehouden. Ook als een calamiteit wel wordt gemeld, maar dit is niet onverwijld gedaan, wordt in beginsel tot het opleggen van een bestuurlijke boete overgegaan.

 

In een recente uitspraak van 7 februari 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk is.

 

In de betreffende zaak, die zich overigens voordeed onder de werking van de Kwaliteitswet Zorginstellingen (de voorganger van de Wkkgz), had de zorginstelling weliswaar een calamiteit gemeld, maar was dit gedaan na onderzoek buiten de maximale termijn van zes weken en drie dagen nadat de gebeurtenis zich had voorgedaan. Naar oordeel van de inspectie was dit niet ‘onverwijld’ en er werd een boete opgelegd.

 

In de procedure was de vraag of de inspectie voor het doen van onderzoek een termijn van zes weken mocht hanteren.

 

De Afdeling oordeelt dat een dergelijke termijn in zijn algemeenheid niet onredelijk is. Gelet op de aan een calamiteit verbonden ernstige gevolgen bestaat, aldus de Afdeling, “de noodzaak om met spoed en prioriteit vast te stellen of een incident een calamiteit is”. De Afdeling overweegt dat indien hierover na zes weken onderzoek nog geen duidelijkheid bestaat, het “in de rede” ligt dat de zorgaanbieder het incident aan de inspectie meldt, in welk geval de inspectie in staat is “om zo nodig eigen aanvullend onderzoek te verrichten, dan wel andere maatregelen te nemen. Voor zover de zorgaanbieder de keuze maakt om niet binnen de termijn van zes weken en drie dagen te melden, komt”, aldus de Afdeling, “het risico op een boete voor rekening van de zorgaanbieder.”   
 

Overigens zag de Afdeling in deze zaak wel reden om, wegens onvoldoende deugdelijke motivering en door zelf in de zaak te voorzien, de hoogte van de boete aan te passen.
 

 

Mr. Mascha Bots

mef.bots@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 837

Een (te) aimabele coach

09-02-2018

Kan een budgetcoach jegens een cliënte aansprakelijk zijn voor grensoverschrijdend gedrag?

 

Een mannelijke budgetcoach begeleidt een vrouwelijke cliënte op financieel gebied. Tijdens een gesprek wordt de vrouw emotioneel en vindt er fysiek contact met de coach plaats. Hierna volgt nog een SMS-wisseling waarbij de vrouw de samenwerking stopzet en de coach reageert met de mededeling dat wat er is gebeurd ‘niet goed’ was. De vrouw doet strafrechtelijke aangifte, die wordt geseponeerd wegens gebrek aan bewijs van ontuchtige handelingen. De vrouw vordert vervolgens bij de kantonrechter vergoeding van smartengeld.

 

De kantonrechter wijst de vordering af. Het hof komt in hoger beroep tot een ander oordeel. Gelet op de uiteenlopende verklaringen kan niet worden vastgesteld wat zich precies tussen partijen heeft voorgedaan. Uit de SMS-berichten en de verklaringen van direct en indirect betrokkenen kan echter wel worden opgemaakt dat fysiek contact heeft plaatsgevonden dat door de vrouw als diepgaander is ervaren dan als louter troosten en dat door de coach zelf is bestempeld als ‘niet goed’, ‘uit de hand gelopen’ en ‘verdergaand’ dan uit zijn professionele houding als coach gewenst is. Dit handelen wordt door het hof als grensoverschrijdend en maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig bestempeld. Ook als het fysiek contact alleen zou hebben bestaan uit het feit dat de vrouw bij de coach op schoot heeft gezeten, haar hoofd op zijn schouder heeft gelegd en hij zijn hand om haar middel heeft geslagen, heeft de coach de grens overschreden van het zakelijk contact waartoe een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot zich had moeten beperken. Dit geldt te meer, nu het de coach duidelijk was dat de vrouw in een geëmotioneerde toestand verkeerde en het daarmee bij uitstek aan hem was om de grenzen van het contact te bewaken.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat ook wanneer er in een zaak van beweerd grensoverschrijdend gedrag behalve de dader en het slachtoffer geen directe getuigen zijn, uit verklaringen en bijkomende omstandigheden (zoals hier SMS-berichten) toch kan worden vastgesteld of sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag. Deze uitspraak laat zien dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag niet altijd in een onmogelijke bewijspositie verkeren als de dader de beschuldigingen ontkent. De procedure levert de vrouw behalve haar gelijk financieel overigens niet veel op: het hof wijst een bedrag aan smartengeld toe van (slechts) € 250,00.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Smart en geld

02-02-2018

Gaan de smartengeldvergoedingen in Nederland daadwerkelijk omhoog?

 

In deze zaak loopt een 62-jarige vrouw bij een verkeersongeval met een racefiets een dwarslaesie op.

De vrouw vordert van de aansprakelijke verzekeraar een smartengeldvergoeding van € 200.000,00.

Volgens de verzekeraar vraagt de vrouw om een buitenproportionele smartengeldvergoeding die niet past in het huidige stelsel en niet past bij de huidige stand van zaken in de jurisprudentie. De verzekeraar heeft al € 150.000,00 aan smartengeld betaald en stelt daarmee aan haar verplichtingen te hebben voldaan.

 

De rechtbank moet het smartengeld naar billijkheid vaststellen. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de aard en de ernst van het letsel, de duur en de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde. De rechter mag daarbij kijken naar bedragen die rechters zowel in het binnenland als in het buitenland toekennen. Smartengeld heeft een compensatiefunctie en de functie van genoegdoening. Vergoeding van smartengeld is de enige manier om het slachtoffer, aan wie men niet rechtstreeks verloren vreugde kan verschaffen, compensatie te bieden voor het leed dat deze (dagelijks) ondervindt. Op basis van vergelijkbare en minder vergelijkbare gevallen in de jurisprudentie en de discussie die er in de literatuur plaatsvindt, komt de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval een smartengeldvergoeding van € 150.000,00 billijk en passend is. Hierbij let de rechtbank ook nadrukkelijk op het feit dat in de jurisprudentie eerder is beslist dat smartengeldbedragen op grond van maatschappelijke ontwikkelingen met 10% verhoogd kunnen worden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de verzekeraar met de betaling van € 150.000,00 aan haar verplichtingen heeft voldaan. Het verzoek van de vrouw om € 200.000,00 toe te kennen wordt afgewezen.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat rechters in Nederland geneigd zijn om smartengeldvergoedingen geleidelijk aan te verhogen. De vuistregel daarbij lijkt te zijn een verhoging van 10% van de bedragen die in het verleden in vergelijkbare gevallen werden toegekend. De rechter is bij het bepalen van het bedrag aan smartengeld sterk afhankelijk van feitelijke informatie die door het slachtoffer wordt aangevoerd over de aard en de ernst van het letsel en het leed dat het slachtoffer daarvan dagelijks ondervindt. Het betreft al met al een zeer feitelijke aangelegenheid waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Maatwerk dus.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Medilex: Algemene verordening gegevensbescherming in de zorg (AVG)

01-02-2018

Medilex organiseert op 25 mei 2018 een informatiebijeenkomst over de AVG en de gevolgen die de nieuwe privacyvoorschriften hebben voor zorgaanbieders. Mrs. Erik Luijendijk en Niels van den Burg verzorgen een ochtendsessie met als onderwerp Privacy in de zorg en de AVG . O.a. de heer C. van Balen, senior inspecteur van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), zal een toelichting geven over de rol van de AP als toezichthouder.

 

Locatie: 

NH Hotel Amersfoort

Stationsstraat 75
3811 MH Amersfoort
Nederland

 

Voor deze Medilex-bijeenkomst zijn nog plaatsen beschikbaar. Klik hier als u wilt deelnemen. 

 

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 858

Let op tijdige jaarverantwoording

01-02-2018

Zorginstellingen als bedoeld in de Regeling Toelating Zorginstellingen moeten op grond van de Wet Toelating Zorginstellingen jaarlijks vóór 1 juni van het jaar, volgend op het verslagjaar verantwoording afleggen over hun prestaties.
(Zie: www.jaarverantwoordingzorg.nl).

 

Op naleving van deze jaarverantwoordingsplicht wordt door de Minister van VWS (en namens deze: de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) strikt toegezien.

Als vóór 1 juni niet aan de verantwoordingsplicht is voldaan en hiervoor ook niet tijdig en gemotiveerd uitstel is gevraagd en verkregen, volgt vrijwel direct een zogenoemd voornemen om over te gaan tot het opleggen van een last onder dwangsom. De instelling wordt daarbij vier weken de tijd gegeven om alsnog aan de verplichting te voldoen. Indien dan alsnog niet aan de verplichting wordt voldaan, volgt daadwerkelijk een last onder dwangsom. Dat is een bestuurlijke sanctie die er toe strekt dat een overtreder wordt bewogen om de overtreding binnen een daartoe gestelde begunstigingstermijn alsnog ongedaan te maken.

Beleid van de Inspectie is dat daarbij opnieuw een termijn van vier weken wordt verleend om alsnog aan de verplichting te voldoen. Als na ommekomst van die termijn dan echter nog niet aan de verplichting is voldaan, dan volgt verbeurte en, door middel van een invorderingsbesluit, invordering van de dwangsom.

 

Uit twee recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (van 24 januari 2018 en 31 januari 2018) volgt dat deze werkwijze van de Inspectie in zijn algemeenheid niet onredelijk kan worden geacht.

De bevoegdheid om bij overtreding van de jaarverantwoordingsplicht door middel van een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden is in de Wet Toelating Zorginstellingen gegeven. Gelet op het algemeen belang dat bij handhaving is gediend, zal, zo overweegt de Afdeling in de uitspraak van 31 januari 2018, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten worden gemaakt. Slechts in bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.

 

In de zaak waarover de Afdeling op 31 januari 2018 oordeelde, had de betreffende instelling naar aanleiding van het voornemen tot oplegging van de last onder dwangsom concept jaarcijfers met een toelichting van de accountant ingediend. Dat is, aldus de Afdeling geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien. Daarmee is, zo overweegt de Afdeling, aan de overtreding geen einde gemaakt.

In een door de instelling eerder (maar te laat) ingediend verzoek om uitstel, had de instelling aangevoerd dat haar zorginformatiesysteem pas in de loop van het jaar zo kon worden ingericht dat de laatste declaraties van het voorafgaande jaar zouden kunnen worden verricht, en dat vanwege diverse rechtszaken, waarin de instelling was verwikkeld, een uitgebreide accountantscontrole op de urenregistratie was vereist. Ook die ‘vertragende’ omstandigheden baten de instelling niet. Naar oordeel van de Afdeling blijkt uit die omstandigheden niet dat het voor de instelling feitelijk of juridisch onmogelijk was om de last binnen de begunstigingstermijn uit te voeren en dwangsommen te voorkomen.

 

In de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018 bevestigt de Afdeling het uitgangspunt dat adequate handhaving met zich brengt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde boetes ook dienen te worden ingevorderd. Hier geldt eveneens dat daarvan slechts in bijzondere omstandigheden van kan worden afgeweken. Dat de instelling er, zoals zij stelde, vanuit ging dat de jaarverantwoording tijdig compleet was ingediend en dat zij op een door haar aan de Minister gestuurd bericht hierover niet meer had gehoord, was niet zo’n omstandigheid. Dat laat, aldus de Afdeling, onverlet dat de instelling uit de opgelegde last had kunnen weten dat de gedeponeerde gegevens niet compleet waren.

 

Mr. Mascha Bots

mef.bots@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 837

Afsluiten WAM-verzekering op de dag van het ongeval?

01-02-2018

Nadat een bromfietsbestuurder op 11 juli 2013 in de middag een verkeersongeval heeft veroorzaakt, vraagt de echtgenote van die bestuurder dezelfde dag in de avond een aansprakelijkheidsverzekering (verplichte WAM-verzekering) voor de bromfiets aan. De verzekering biedt dekking vanaf het tijdstip van de aanvraag. Er is geen dekking met terugwerkende kracht overeengekomen.

 

In het RDW-register is de verzekering geregistreerd met ingang van 11 juli 2013, de dag van het ongeval, een tijdstip is niet vermeld. Er ontstond vervolgens een discussie tussen de verzekeraar en het Waarborgfonds Motorverkeer over de vraag of de verzekeraar jegens het slachtoffer dekking dient te verlenen.

 

Omdat deze situatie in verschillende zaken speelde, heeft het Gerechtshof Den Haag prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 december 2017 uitsluitsel gegeven.

 

De Hoge Raad heeft als vaststaand aangenomen dat het RDW-register niet de mogelijkheid biedt om een tijdstip te registreren met ingang waarvan een verzekering dekking biedt.

 

Vervolgens heeft de Hoge Raad aan de hand van de Benelux-bepalingen waarop de WAM is gebaseerd, de toelichting hierop en de toelichting bij de WAM geoordeeld dat er geen grond is om aan te nemen dat de omstandigheid dat er in het geheel geen verzekeringsovereenkomst van kracht was, tot de rechtsfeiten behoort die de verzekeraar op grond van art. 11 WAM aan een benadeelde niet kan tegenwerpen.

 

Voorts brengt volgens de Hoge Raad art. 13 lid 7 WAM niet mee dat de verzekeraar aansprakelijk is voor schade waarvan vaststaat dat deze is ontstaan voor het tijdstip van ingang van de verzekeringsdekking. De verzekeraar behoeft dus in de hiervoor beschreven situatie geen dekking te verlenen.

 

Het slachtoffer van het verkeersongeval zal zich voor het verhaal van de schade tot het Waarborgfonds Motorverkeer kunnen wenden.

 

Mr. Marjolijn Gregoor

ma.gregoor@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 824

Seminar - Privacy in de zorg en de AVG 15-03-2018

01-02-2018

Per 1 januari 2018 zijn zorginstellingen in de zin van de Wkkgz die op grote schaal gegevens verwerken verplicht om een functionaris voor de gegevensbescherming (FG) aan te stellen. De Nederlandse wetgever loopt hiermee vooruit op de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) op 25 mei 2018.

 

Op 15 maart 2018 organiseren wij een seminar over privacy in de zorg en de gevolgen van de invoering van de AVG. Dit seminar is bedoeld voor zorgaanbieders die willen weten aan welke verplichtingen zij op grond van de AVG moeten voldoen.

 

Tijdens het seminar staan de gevolgen van de AVG voor de zorgpraktijk centraal. Onderwerpen als de verwerkersovereenkomst, het register van verwerkingsactiviteiten, persoonsgegevensbeveiliging, de gegevensbeschermingseffectbeoordeling en de functionaris voor de gegevensbescherming komen aan bod.

 

Programma 15 maart 2018:

15.45 – 16.15 uur    Ontvangst

16.15 – 18.00 uur    Privacy in de zorg en de AVG

18.00 – 19.00 uur    Borrel/napraten

 

Locatie: KBS Advocaten te Utrecht (zie contact).

 

Het maximum aantal deelnemers is bereikt.

 

Als u uw interesse voor deelname kenbaar maakt (graag per e-mail: seminars@kbsadvocaten.nl) dan zullen wij u informeren als de datum bekend is van het volgende seminar.

 

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Niels van den Burg (06-19356989)

of Erik Luijendijk (06-52343574). 

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 858

Geen rechtsgeldige cessie aan zorgaanbieder

28-01-2018

Waar moet een zorgaanbieder op letten bij overname van een vordering van de patiënt op zijn of haar zorgverzekeraar?

 

Declareren aan patiënt of zorgverzekeraar?

Een zorgaanbieder die geen zorg- of betaalovereenkomst met een zorgverzekeraar heeft, declareert de behandeling aan de patiënt. De patiënt betaalt de zorgaanbieder en dient de rekening bij zijn of haar zorgverzekeraar in. De zorgverzekeraar keert dan aan de patiënt uit.  

 

Alternatief is dat de patiënt zijn of haar vorderingsrecht op de zorgverzekeraar aan de zorgaanbieder overdraagt (‘cedeert’). Op deze manier kan de zorgaanbieder toch rechtstreeks aan de verzekeraar declareren. Vooral het risico dat een (financieel kwetsbare) patiënt geen verhaal biedt, valt daardoor weg.      

 

Cessie verboden of ongeldig?

Cessie is regelmatig onderwerp van discussie tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Zo kan in de verzekeringsvoorwaarden een cessieverbod zijn opgenomen. In beginsel is een dergelijk verbod toegestaan. Dat is echter niet het geval als het doel van het verbod is om verzekerden te prikkelen om over te stappen naar zorgaanbieders waarmee de verzekeraar wél een zorgovereenkomst heeft gesloten (zie mijn eerdere bijdrage).

 

Ook komt het voor dat de rechtsgeldigheid van een cessie wordt betwist. Voor cessie is wettelijk vereist dat een akte is opgemaakt en dat er mededeling van de cessie is gedaan aan -in dit geval- de zorgverzekeraar. Als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, is de vordering niet overgedragen. 

 

Uit de praktijk

Aan een akte van cessie ontbrak het in een zaak van een zelfstandig systeemtherapeut tegen zorgverzekeraar VGZ (Rechtbank Gelderland 30 augustus 2017; publicatiedatum 25 januari 2018; ECLI:NL:RBGEL:2017:6907). 

 

De systeemtherapeut vorderde van VGZ betaling van behandelsessies, die hij in opdracht van een erkende GGZ-instelling aan twee patiënten/verzekerden van VGZ had verleend. Deze verzekerden zouden hun vorderingen op VGZ aan de instelling hebben gecedeerd. Nadat de instelling failleerde, kwam de curator de overdracht van deze vorderingen met/aan de therapeut overeen. Beiden gingen er dus kennelijk vanuit dat de vorderingen op VGZ onderdeel uitmaakte van de faillissementsboedel en dus door de curator konden worden overgedragen.  

 

De kantonrechter oordeelde dat, als al moet worden aangenomen dat de therapiesessies voor vergoeding in aanmerking zouden komen (ook dat werd betwist), reeds geen sprake is van een (eerste) rechtsgeldige overdracht van de vorderingen van de patiënten/verzekerden aan de (later gefailleerde) GGZ-instelling. Van de overdracht was namelijk geen akte opgemaakt. Aangezien de instelling daardoor geen rechthebbende is geworden van de (pretense) vorderingen, zijn deze -na het faillissement van de instelling- ook niet tot de faillissementsboedel gaan behoren. Van een rechtsgeldige cessie door de curator aan de therapeut kan dan ook geen sprake zijn.

 

Advies

Les voor zorgaanbieders:

  • ga na of de toepasselijke polisvoorwaarden van de zorgverzekeraar cessie toelaten of niet, zeker als de patiënt zelf geen verhaal biedt;  
  • check of een eventuele eerdere overdracht van de vordering in een akte is vastgelegd; 
  • neem de (eigen) overeengekomen overdracht in een akte van cessie op; 
  • doe mededeling van de cessie aan de zorgverzekeraar. 

 

Disclaimer 

Dit artikel geeft algemene voorlichting en dient niet als (vervanging voor) advies. Het gebruik van de inhoud is voor eigen rekening en risico. Consulteer voor concreet advies een ter zake kundig advocaat/jurist. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Is arbodienst aansprakelijk voor loonsanctie werkgever?

25-01-2018

Kan een arbodienst civielrechtelijk aansprakelijk zijn wegens wanprestatie?

 

Een werkgever sluit met een arbodienst een contract voor arbodienstverlening. Een administratief medewerkster van de werkgever raakt arbeidsongeschikt en wordt begeleid door een bedrijfsarts van de arbodienst. Er vinden diverse spreekuurcontacten plaats, er worden werkhervattingsadviezen gegeven en een plan van aanpak wordt opgesteld. De werkneemster kampt herhaaldelijk met terugval en er wordt gedacht aan een burn-out. De werkgever vraagt op enig moment bij het UWV een deskundigenoordeel. Uit het deskundigenoordeel komt naar voren dat de werkneemster in een veel eerder stadium naar een psycholoog of psychiater had moeten worden doorverwezen voor een duidelijke diagnose en behandeling, maar dat dit niet heeft plaatsgevonden. Het door de bedrijfsarts opgestelde hervattingsschema blijkt ook niet haalbaar. In het kader van een aanvraag voor een WIA-uitkering rapporteert een verzekeringsarts dat er re-integratiekansen zijn gemist, dat de diagnose erg laat is gesteld en dat de behandeling in feite nog moet aanvangen.

De werkgever krijgt van het UWV een loonsanctie, waartegen tevergeefs bewaar wordt gemaakt.

 

De werkgever spreekt vervolgens de arbodienst aan wegens wanprestatie. De rechtbank deelt het standpunt van de verzekeringsarts van het UWV dat de bedrijfsarts de werkneemster in een veel eerder stadium naar een psycholoog of psychiater had moeten verwijzen voor een duidelijke diagnose en behandeling. Door niet te verwijzen heeft de bedrijfsarts niet gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Ook het werkhervattingsplan is niet met de vereiste zorgvuldigheid opgesteld en was niet haalbaar.

 

De arbodienst is door de wanprestatie schadeplichtig. De arbodienst wordt veroordeeld om schadevergoeding aan de werkgever te betalen in de vorm van doorbetaald salaris en vakantiegeld, een deel van de transitievergoeding, uitbetaalde vakantiedagen en incassokosten. Ook wordt de arbodienst veroordeeld in de proceskosten. Het totaalbedrag komt uit op ruim € 50.000,00.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat een arbodienst door een werkgever met wie zij een contract heeft civielrechtelijk kan worden aangesproken in het geval de arbodienstverlening niet aan de eisen voldoet. Hiervan is sprake indien – zoals in deze zaak – de begeleidend bedrijfsarts niet handelt overeenkomstig hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Als dat tot schade bij de werkgever leidt in die zin, dat er door het UWV een loonsanctie wordt opgelegd omdat in een eerder stadium onderzoek had moeten worden gedaan naar de oorzaak van de stagnatie in de re-integratie, kan die worden verhaald op de arbodienst.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Eerste Kamer neemt Wet zorg en dwang en Wet verplichte ggz aan

24-01-2018

Op 23 januari 2018 stemde de Eerste Kamer voor de invoering van de Wet zorg en dwang (Wzd) en de Wet verplichte ggz. Deze wetten zullen naar verwachting op 1 januari 2020 in werking treden en dan de huidige Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) vervangen.

 

De Wet zorg en dwang

De Wzd is gericht op mensen met dementie en mensen met een verstandelijke beperking. De wet regelt onder andere de opname van deze personen wanneer zij daar niet zelf over kunnen beslissen (opname zonder instemming en zonder verzet) of wanneer zij zich daartegen wel verzetten maar de opname noodzakelijk is (opname via een inbewaringstelling of een rechterlijke machtiging). Daarnaast bevat de wet bepalingen over het toepassen van vrijheidsbeperkingen en dwangmaatregelen, in de wet verenigd onder de term ‘onvrijwillige zorg’. Onvrijwillige zorg is zorg waartegen de cliënt of zijn vertegenwoordiger zich verzet. In de wet genoemde vormen van onvrijwillige zorg zijn bijvoorbeeld het beperken van de bewegingsvrijheid, het houden van toezicht op de cliënt en het toedienen van vocht, voeding en medicatie. Het uitgangspunt van de wet is dat onvrijwillige zorg alleen mag worden toegepast als het écht niet anders kan: de onvrijwillige zorg moet noodzakelijk zijn om ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen. De Wzd verbindt in de vorm van een zogenoemd stappenplan dan ook strenge voorwaarden aan het uitvoeren van onvrijwillige zorg.

Verder bevat de wet onder andere bepalingen over het klachtrecht van cliënten, de cliëntenvertrouwenspersoon, het zorgplan, het registreren van onvrijwillige zorg, het toezicht op de uitvoering van de wet door de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de zorgverantwoordelijke, die zorgaanbieders na inwerkingtreding van de Wzd voor iedere cliënt moeten aanwijzen.

In de aanloop naar de behandeling van de Wzd door de Eerste Kamer heeft de minister van VWS nog enkele belangrijke wijzigingen van de wet toegezegd. Deze wijzigingen hebben betrekking op het toezicht door de zogenoemde ‘Wzd-arts’ op het uitvoeren van onvrijwillige zorg en het toetsen van onvrijwillige zorg door externe deskundigen. Het is de verwachting dat deze wijzigingen in de komende maanden aan de Tweede Kamer worden voorgelegd. Daarnaast loopt momenteel nog een internetconsultatie van het ‘Besluit zorg en dwang’, waarin onder andere een nadere uitwerking wordt gegeven aan het uitvoeren van onvrijwillige zorg buiten een accommodatie van een zorgaanbieder (ambulante onvrijwillige zorg). Zie ook een eerder nieuwsbericht hierover.

 

Wet verplichte ggz

De Wvggz zal de Wet Bopz vervangen wat betreft zorg aan mensen met psychiatrische problematiek. Net als de Wzd bevat de Wvggz bepalingen over gedwongen opnames en het uitvoeren van dwangmaatregelen en vrijheidsbeperkingen, in de Wvggz ‘verplichte zorg’ genoemd. Anders dan in de Wzd wordt het al dan niet toepassen van verplichte zorg in de Wvggz niet via het aflopen van een stappenplan afgewogen. In plaats daarvan dient er voor het mogen toepassen van verplichte zorg een zorgmachtiging bij de rechter te worden aangevraagd.

Een belangrijk verschil met de huidige Wet Bopz is dat de Wvggz ook voorziet in mogelijkheden om verplichte zorg aan mensen met psychiatrische problematiek buiten psychiatrische instellingen toe te passen, bijvoorbeeld door verplichte ambulante behandeling/begeleiding aan huis of in een polikliniek. Daarnaast voorziet de wet, meer dan de Wet Bopz, in de inspraak van cliënten tijdens de periode van verplichte zorg. Verder introduceert de wet onder andere de ‘familievertrouwenspersoon’, die advies en bijstand zal geven aan familieleden en andere directbetrokkenen van cliënten.

Gelijk aan de Wzd loopt ook voor de Wvggz momenteel nog een internetconsultatie voor een Algemene Maatregel van Bestuur. De belangrijkste bepalingen in dit ‘Besluit Wvggz’ betreffen de verplichte zorg buiten de instelling, de klachtencommissie en vertrouwenspersonen. Ook bevat het Besluit Wvggz bepalingen over middelen en maatregelen in noodsituaties voor personen met een strafrechtelijke titel.

 

Mr. Sofie Steen

sm.steen@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 864

Controleer de telefoondoorschakeling aan het begin van een spoeddienst!

23-01-2018

Het is de verantwoordelijkheid van de dienstdoende tandarts om zich ervan te vergewissen of daadwerkelijk sprake is van telefonische bereikbaarheid in spoedsituaties, zo overwoog het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam.

 

De vader van een minderjarig kind probeerde op een avond contact te krijgen met de spoeddienst omdat zijn zoontje bij een val van de glijbaan één voortand had verloren. De andere voortand was door de val verschoven. Het lukte de vader niet om in telefonisch contact te komen met de dienstdoende tandarts.

Onderzoek achteraf wees uit dat de praktijk van de dienstdoende tandarts wel de oproepen van de vader had ontvangen, maar dat deze oproepen niet automatisch werden doorgeschakeld naar de mobiele telefoon van de dienstdoende tandarts, die op dat moment niet in de praktijk aanwezig was. Hiervoor werd geen technische verklaring gevonden. Wel stond vast dat de dienstdoende tandarts niet aan het begin van zijn dienst heeft gecontroleerd of de automatische telefoondoorschakelingen daadwerkelijk functioneerden. Het Tuchtcollege overwoog dat het feit dat de dienstdoende tandarts niet bereikbaar was, aan hem te wijten was. De tandarts kreeg een waarschuwing opgelegd. 

 

Mr. Suzanne Steegmans

sm.steegmans@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 847

Ongeval binnen of buiten werktijd? De kracht van een getuigenverklaring

23-01-2018

Een caissière, in dienst bij ALDI, rekent op 7 september 2010 na sluitingstijd boodschappen voor eigen gebruik af, waarna zij ten val komt bij de inpaktafel. De vloer is daar nat, omdat de caissière tien minuten daarvoor de vloer had gedweild. De caissière stelt ALDI aansprakelijk. ALDI wijst de aansprakelijkheid af. Een getuige, toentertijd ook werkneemster van ALDI, heeft direct na het ongeval een verklaring afgelegd. Tijdens een voorlopig getuigenverhoor, dat zes jaar na het ongeval plaats vindt, legt deze inmiddels oud-werkneemster een andersluidende verklaring af.

 

De caissière start na het voorlopig getuigenverhoor een deelgeschil en stelt dat ALDI aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.  ALDI voert verweer, waarbij het meest verstrekkende verweer is dat het ongeval niet binnen werktijd heeft plaatsgevonden.

De rechtbank laat zich uit over de afgelegde getuigenverklaringen in deze zaak. Want niet alleen heeft de oud-werkneemster, maar ook de caissière zelf en haar schoonzus een verklaring afgelegd. Op de vraag welke verklaring nu van doorslaggevende betekenis is, oordeelt de rechtbank dat dat de verklaring van de oud-werkneemster moet zijn. De ervaring leert dat verklaringen van getuigen afgelegd vlak na het ongeval en opgemaakt in eigen bewoordingen de meest betrouwbare zijn, omdat de getuigen zich het voorval dan nog goed kunnen herinneren. Uiteindelijk heeft de oud-werkneemster na 6 jaar wel anders verklaard, maar deze verklaring acht de rechtbank van minder bewijswaarde dan de verklaring direct na het ongeval. Dit vanwege het tijdsverloop van 6 jaren tussen het ongeval en het voorlopig getuigenverhoor, het feit dat de oud-medewerkster aantasting van haar geheugen heeft door medische behandelingen en het feit dat zij voorafgaand aan het getuigenverhoor meerdere malen contact heeft gehad met de caissière. De verklaringen van direct na het ongeval zijn consistent en zodoende heeft de rechter geen reden om aan de geloofwaardigheid hiervan te twijfelen. De verklaring van de schoonzus dateert van acht maanden na het ongeval. Zij is evenwel niet gehoord tijdens het voorlopig getuigenverhoor. Voor deze gang van zaken is geen logische verklaring gegeven. Reden voor de rechter om uit te gaan van de verklaringen van de oud-medewerkster van vlak na het ongeval.

En uit die verklaringen blijkt volgens de rechter dat het ongeval zonder twijfel buiten werktijd heeft plaats gevonden. De caissière had haar werkzaamheden voor die dag beëindigd en had boodschappen voor eigen gebruik gedaan. De enkele omstandigheid dat zij zich nog op de werkvloer bevond is onvoldoende. Zij bevond zich op dat moment als klant en niet als werknemer in het filiaal van ALDI. Het verzoek van de caissière om te bepalen dat ALDI aansprakelijk is, wordt dan ook afgewezen. Overigens merkt de rechter nog op, dat ook wanneer hij tot het oordeel zou zijn gekomen dat de schade in uitoefening van de werkzaamheden zou zijn ontstaan, hij de vordering op grond van werkgeversaansprakelijkheid zou hebben afgewezen. On der de gegeven omstandigheden is er geen sprake van een schending van de zorgplicht door ALDI als werkgever.

Deze uitspraak werd op 5 januari 2018 gepubliceerd. Hier vindt u de vindplaats: ECLI:NL:RBDHA:2017:14820

 

Mr. Iris Degenaar

id.degenaar@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 865

Wetsvoorstel BIG-II in consultatie

22-01-2018

Onlangs is een concept-wetsvoorstel online gekomen, waarmee de Wet BIG op een aantal punten wordt gewijzigd.

 

De hoofdlijnen van het concept-wetsvoorstel zijn als volgt:

 

  • het beroep van regieverpleegkundige wordt in de Wet BIG opgenomen. Ook wordt het deskundigheidsgebied van de verpleegkundige geactualiseerd. Hiermee zal volgens het concept-wetsvoorstel in de toekomst een duidelijker onderscheid gemaakt kunnen worden tussen mbo- en hbo-opgeleide verpleegkundigen.
  • het beroep van orthopedagoog-generalist wordt in de Wet BIG opgenomen. 
  • een grondslag wordt gecreëerd om via lagere regelgeving nadere regels te stellen over deskundigheidsbevorderende activiteiten die een beroepsbeoefenaar moet verrichten om voor herregistratie in aanmerking te komen. Met deelname aan deskundigheidsbevorderende activiteiten toont de beroepsbeoefenaar aan te voldoen aan de minimale eis voor het bijhouden van kennis en nieuwe ontwikkelingen binnen zijn vakgebied. Dit draagt volgens het concept-wetsvoorstel bij aan de kwaliteit van de beroepsuitoefening en bescherming van de patiënt tegen onzorgvuldig handelen. 
  • het concept-wetsvoorstel beoogt ook het deskundigheidsgebied van de apotheker te actualiseren. Er wordt een grondslag gecreëerd om dit deskundigheidsgebied bij lagere regelgeving nader uit te werken.
  • het concept-wetsvoorstel regelt dat ook het Zorginstituut de taak krijgt de Minister voor Medische Zorg en Sport desgevraagd te adviseren over het via de Wet BIG regelen van beroepen en opleidingen in de gezondheidszorg.

 

Met de wetswijziging wordt uitvoering gegeven aan een aantal verbeterpunten die bij een eerdere evaluatie van de Wet BIG naar voren zijn gekomen. Tot 18 februari 2018 kan men op het concept-wetsvoorstel reageren

 

Mr. Maurice Mooibroek

mf.mooibroek@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 212 28 38

Arts, assistente en zeeffunctie

18-01-2018

In hoeverre mag een huisarts taken overlaten aan zijn praktijkassistente?

 

In deze zaak geeft een patiënt blijk van hoge medische consumptie bij zijn huisarts. De patiënt spreekt ook regelmatig de assistente over allerlei zaken.

De patiënt beklaagt zich bij de tuchtrechter over de huisarts met onder meer de klacht dat hij teveel ‘medische handelingen’ heeft overgelaten aan zijn assistente.

 

Het tuchtcollege stelt voorop dat in een tuchtzaak weliswaar het persoonlijk handelen van de huisarts centraal staat, maar dat een patiënt ook kan klagen waar het betreft gedragingen van assistentes. De huisarts is immers verantwoordelijk voor het voeren van een deugdelijke praktijk en kan tuchtrechtelijk worden aangesproken indien er iets schort aan zijn praktijkorganisatie, waaronder het mogelijk niet goed functioneren van assistentes.

 

Het tuchtcollege overweegt dat triage – ook wel aangeduid als ‘de zeeffunctie’ – een onmisbaar instrument is in een huisartsenpraktijk. Als een patiënt die in verband met een gezondheidsklacht naar de praktijk belt, dan krijgt hij/zij een assistente aan de lijn. Het is dan de taak van de assistente om op grond van de door de patiënt verstrekte informatie over de aard en de ernst van de klacht te beoordelen of het nodig is een afspraak met de huisarts te maken. In het geval de assistente dit niet nodig acht, zal zij de patiënt informeren c.q. adviseren wat deze het beste kan doen. Het spreekt voor zich dat assistentes deze taak mede uitvoeren aan de hand van het medisch dossier. De assistentes mogen het medisch dossier raadplegen, omdat zij een van de arts afgeleid beroepsgeheim hebben.

Ook het uitschrijven van verwijsbrieven en recepten is een taak van assistentes, zij het dat dit altijd geaccordeerd dient te worden door de huisarts.

Het tuchtcollege wijst de klacht van de patiënt af omdat niet gebleken is dat de huisarts teveel taken aan zijn assistente heeft overgelaten.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat een huisarts tuchtrechtelijk kan worden aangesproken op zijn praktijkorganisatie en dus ook op het functioneren van zijn assistente(s). Voor de praktijk is het van belang dat de taakverdeling tussen huisarts en assistente(s) voor alle betrokkenen duidelijk is. Een taakverdeling kan schriftelijk worden vastgelegd en in een praktijkhandboek worden opgenomen zodat dit kenbaar en te raadplegen is. In het onverhoopte geval van een klacht kan de huisarts zich onder verwijzing naar dit praktijkhandboek en de daarin neergelegde afspraken adequaat bij de tuchtrechter verdedigen.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Dienst? = de BOB zijn

16-01-2018

Per januari 2018 zijn de regels in de medische beroepsuitoefening voor het drinken van alcohol en het gebruik van psychoactieve middelen formeel opgenomen in de KNMG-gedragsregels. Hiermee is een lang bestaande set ongeschreven regels voor artsen en coassistenten met patiëntgebonden werkzaamheden geformaliseerd.

 

Vastgelegd is dat tijdens de werkzaamheden geen sporen van alcohol noch van psychoactieve middelen in het lichaam aanwezig mogen zijn. En hoe zit dat dan tijdens de dienst?

 

Bent u eerste aanspreekpunt tijdens de bereikbaarheids- of crisisdienst, dan geldt ook deze nulnorm;
Bent u tweede aanspreekpunt, dan geldt de verkeersnorm (= max 0,5 promille).

 

Stel: u bent arts, u heeft wat gedronken en u bent getuige van een ongeval. Wat geldt dan? Dit is een noodsituatie. In dergelijke gevallen geldt dat de arts een eigen afweging dient te maken of hij op dat moment in staat is om verantwoorde zorg te leveren. Dit geldt nu ook al voor alle artsen, die formeel niet in functie zijn als eerste of tweede aanspreekpunt, maar worden opgeroepen in het kader van een calamiteit. 

 

Mr. Danielle Zwartjens

d.zwartjens@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 833

Deelgeschil aanhangig vlak voor betekening dagvaarding, wat gaat voor?

15-01-2018

Als iemand letselschade oploopt, dan kan hij de veroorzaker van dit letsel daarvoor aansprakelijk stellen. Veelal zal de verzekeraar van de veroorzaker van de schade de schaderegeling verder afdoen. Worden partijen het niet eens over de regeling van de schade, dan is het mogelijk om een deelgeschil bij de rechtbank te starten.

 

De rechter zal zich in zo’n procedure uitlaten over bepaalde deelaspecten van de zaak. Daarbij kan gedacht worden aan aansprakelijkheid, omvang van causaal verband, omvang van de schade, etc. Dit alles met het doel om na de uitspraak van de rechter in een deelgeschil tot een regeling van de schade te kunnen komen. Als op voorhand vast staat, dat met de uitspraak van de rechter in deelgeschil geen regeling tot stand zal komen, dan is de zaak niet geschikt om voor de deelgeschilrechter te brengen. In dat geval zal een bodemprocedure moeten worden gestart. Maar wat nu, als een slachtoffer een deelgeschil start als bijna gelijktijdig de verzekeraar een bodemprocedure aanhangig maakt? In de hierna te bespreken uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland was deze situatie aan de orde.

Tijdens een autorijles in 2013 wordt een vrouw van achteren aangereden door een andere automobilist. ASR is de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval en erkent aansprakelijkheid. Partijen zijn het anno 2017 niet eens over de omvang van de gevolgen van het ongeval. Omdat het slachtoffer lange tijd verzuimt om actuele medische informatie aan de medisch adviseur van ASR over te leggen, kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van objectiveerbaar medisch letsel als gevolg van het ongeval.  ASR acht dat niet langer acceptabel en laat aan het slachtoffer weten, dat zij overgaat tot het instellen van een bodemprocedure bij de rechtbank. Een week voordat de dagvaarding in de bodemprocedure aan het slachtoffer wordt betekend, maakt het slachtoffer een deelgeschil aanhangig.

De rechtbank velt een oordeel over de vraag of deze zaak geschikt is voor een deelgeschilprocedure. Dat blijkt volgens de rechter niet het geval te zijn. Nu  ASR expliciet heeft aangegeven niet meer bereid te zijn om te onderhandelen, omdat zij daar geen heil meer in ziet, zal een rechterlijk oordeel in dit deelgeschil partijen hoe dan ook niet dichterbij een vaststellingsovereenkomst brengen. Volgens de rechtbank zal dit deelgeschil dan ook een bodemprocedure niet kunnen voorkomen. Integendeel, de bodemprocedure is al aanhangig gemaakt. Het verzoek moet dus worden afgewezen, omdat het niet kan bijdragen aan een buitengerechtelijke oplossing.

Het feit dat het deelgeschil voor de betekening van de dagvaarding aanhangig is gemaakt, maakt voor het oordeel van de rechter niet uit. Ook dan moet immers worden geoordeeld dat een afdoening buiten rechte niet (meer) tot de mogelijkheden behoort. Deze zaak zal aldus door de bodemrechter verder beoordeeld moeten worden.

Klik hier voor de vindplaats van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6286)

 

Mr. Iris Degenaar

id.degenaar@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 865

Superviserend arts aansprakelijk?

12-01-2018

Hoe ver reikt de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van een superviserend arts?

 

De ouders van een kort na de geboorte overleden baby dienen een tuchtklacht in tegen een gynaecoloog.

De aanstaande moeder was gedurende de zwangerschap in het ziekenhuis gezien wegens bloedverlies. Bij onderzoek werd onder meer een vasa praevia vastgesteld (= situatie waarbij één of meer foetale bloedvaten van de placenta of navelstreng voor de geboorte-uitgang liggen) . De moeder werd verwezen naar het ziekenhuis. Bij vervolg (echo-)onderzoek bleek eerst wel en later geen sprake meer van een vasa praevia.

De behandelend gynaecoloog had een medische indicatie voor bevallen in het ziekenhuis gesteld vanwege (zwangerschap-)diabetes.

De aangeklaagde gynaecoloog was die week weekgynaecoloog en zijn dienst startte om 08.00 uur en eindigde om 16.45 uur. Rond 16.30 uur trad er bij de moeder bloedverlies op. De moeder werd aan het CTG aangesloten en korte tijd later werd besloten tot een spoedkeizersnede. De baby werd in slechte toestand geboren en kwam korte tijd later te overlijden.

 

De klacht hield in dat de superviserend gynaecoloog sub standard care had geleverd. De communicatie op de afdeling was volgens de ouders niet goed omdat de gynaecoloog (te) laat werd geïnformeerd.

Het tuchtcollege wijst de klacht af. De medische indicatie om in het ziekenhuis te bevallen was zwangerschapsdiabetes. Er was met de ouders een natuurlijke bevalling besproken en een andere collega had vastgesteld dat de moeder in beginsel op natuurlijke weg kon bevallen.

Vast staat dat de superviserend gynaecoloog tot de overdracht van zijn dienst, ondanks het zich voordoen van een alarmsymptoom (bloedverlies) en ondanks voornoemde afspraken, geen enkel signaal heeft ontvangen dat het met moeder en/of ongeboren kind niet goed ging. Gelet op de duidelijke afspraken die er waren voor alle teamleden van de afdeling verloskunde mocht de superviserend gynaecoloog er op vertrouwen dat hij zou worden geïnformeerd indien zich een situatie van vaginaal bloedverlies, zeker in combinatie met een afwijkend CTG, zou voordoen.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat de tuchtrechtelijke eindverantwoordelijkheid niet zo ver gaat dat wanneer andere bij de behandeling van de patiënte betrokken zorgverleners in afwijking van gemaakte afspraken handelen, de supervisor hiervoor verantwoordelijkheid draagt. Aan het tuchtrecht ligt immers het beginsel van persoonlijke verwijtbaarheid ten grondslag. Hier trof de superviserend gynaecoloog geen persoonlijk verwijt omdat hij over de plotseling optredende alarmsymptomen niet was geïnformeerd. Deze uitspraak benadrukt het belang van goede werkafspraken over de diverse verantwoordelijkheden van zorgverleners binnen een behandelteam.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Vervolg strijd VGZ/Ciran: eigenbeslag doorkruist betalingsgebod.

10-01-2018

Op 15 december 2017 veroordeelde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zorgverzekeraar VGZ in kort geding om uitstaande declaraties van zorginstelling Ciran te voldoen. Het hof stond bovendien niet toe dat VGZ deze betalingen zou opschorten of inhouden of zou verrekenen met eerder uitbetaalde zorggelden waarvan VGZ meende dat die ten onrechte zijn uitgekeerd, in ieder geval niet totdat daarover definitief in een bodemprocedure wordt beslist. Over deze uitspraak schreef ik eerder een bijdrage (zie link hieronder). Men zou denken dat deze veroordeling -versterkt met een dwangsom- tot betaling zou leiden. Eigenbeslag onder VGZ stak daar een stokje voor.

 

Eigenbeslag VGZ

Na de uitspraak van het hof diende VGZ een verzoek in bij de rechtbank voor het leggen van ‘eigen beslag’, ofwel beslag onder zichzelf voor al hetgeen VGZ aan Ciran verschuldigd zou zijn of worden, als zekerheidstelling voor tegenvorderingen van VGZ op Ciran. Dit verzoek werd ingewilligd, waardoor Ciran alsnog van betaling van openstaande declaraties verstoken bleef. Tegen de beslaglegging is Ciran opgekomen in (wederom) een kort geding waarin zij opheffing van het beslag heeft gevorderd. Volgens Ciran maakt VGZ misbruik van recht, nu het hof VGZ juist tot betaling had veroordeeld, zonder te mogen verrekenen, opschorten of inhouden.

 

Verrekening staat niet aan eigenbeslag in de weg

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de mogelijkheid van eigenbeslag in de wet is voorzien voor gevallen waarin –zoals hier- de beslaglegger geen mogelijkheid tot verrekening heeft. Op zichzelf beschouwd is eigenbeslag dus een gerechtvaardigd middel om de voldoening van een vordering -in dit geval van VGZ op Ciran- veilig te stellen.

 

Geen misbruik van recht

De vraag of al dan niet sprake is van misbruik van recht, beantwoordt de voorzieningenrechter door uitleg van de uitspraak van het hof. Ofwel: laat die uitspraak nog ruimte over voor beslaglegging, ondanks het verbod op inhouding, opschorting en verrekening?

 

Volgens de voorzieningenrechter doet het hof met zijn oordeel het feitelijk zekerheidsrecht van VGZ op opschorting en verrekening teniet, waardoor in wezen het ondernemersrisico van Ciran -waaronder een zeer concreet risico van insolventie- tot de verantwoordelijkheid en het risico van VGZ wordt gemaakt. Dit oordeel is volgens de voorzieningenrechter in het licht van de staande jurisprudentie van de Hoge Raad zo uitzonderlijk, dat bij de uitleg van de uitspraak van het hof terughoudendheid past.

 

Wat het verbod op inhouding betreft, overweegt de voorzieningenrechter dat de wettelijke bevoegdheid van een schuldeiser op voorhand door de rechter kan worden ingeperkt als sprake is van dreigend misbruik, maar dat dit een expliciete belangenafweging door de rechter vraagt. Die belangenafweging is volgens de voorzieningenrechter niet in de uitspraak van het hof te lezen. Het hof lijkt zich te beperken tot de conclusie dat er tegen het gevorderde verbod geen afzonderlijk verweer is gevoerd. Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat de uitspraak van het hof ook een verbod aan VGZ om gebruik te maken van haar wettelijke recht op beslaglegging omvat, aldus de voorzieningenrechter.

 

De voorzieningenrechter concludeert dat het beslag dat VGZ heeft gelegd niet vanwege de beslissing van het hof als misbruik van recht is aan te merken.

 

Opvallende uitspraak

De uitspraak van de voorzieningenrechter is opvallend. In de veroordeling van het hof tot betaling zonder te mogen inhouden, opschorten of verrekenen, leest de voorzieningenrechter niet ook een verbod op eigenbeslag, omdat voor een dergelijk verbod geen expliciete belangenafweging is gemaakt. Niettemin ligt aan de veroordeling tot betaling wél een belangenafweging ten grondslag, waarin enerzijds is betrokken het risico voor VGZ dat, indien later zal blijken dat zij toch een tegenvordering heeft op Ciran wegens onverschuldigd uitbetaalde vergoedingen, die tegenvordering niet of maar voor een deel kan worden geïncasseerd, en anderzijds is betrokken het risico voor Ciran dat zij op korte termijn in staat van faillissement zal worden verklaard. Het gebod tot betaling hangt sterk samen met het verbod op inhouding, opschorting en verrekening. De vraag rijst dan of de verlangde ‘expliciete belangenafweging’ niet reeds in de door het hof gemaakte belangenafweging is gelegen.

 

Áls een verdergaande belangenafweging (specifiek gericht op het gevorderde verbod op opschorting, inhouding en verrekening) zou zijn aangewezen, is bovendien de vraag of het uitblijven daarvan toch niet voor rekening en risico van VGZ dient te komen. VGZ heeft in de procedure voor het hof immers nagelaten tegen het verbod afzonderlijk verweer te voeren, terwijl die gelegenheid wel bestond.

 

Als hoger beroep wordt aangetekend, zal moeten blijken of de uitspraak stand houdt.

 

Uitspraken en bijdrage

  • uitspraak Rechtbank Leeuwarden van 27 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6877; 
  • uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:11070; 
  • bijdrage over uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.  

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Iris Degenaar versterkt team van KBS Advocaten

09-01-2018

Per 1 januari van dit jaar is het team van KBS versterkt met de komst van mr. I.D. (Iris) Degenaar.

 

Iris is 9e-jaars advocaat heeft eerst als jurist gezondheidsrecht en aansprakelijkheidsrecht gewerkt bij het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, vervolgens als advocaat bij Munneke Lourens advocaten te Alphen aan den Rijn en laatstelijk bij Beer advocaten in Amsterdam.

Iris heeft in 2014 de Grotius opleiding Personenschade afgerond, is lid van de vereniging van letselschadeadvocaten LSA en heeft een focus op personenschade.          

Iris zal bij KBS werkzaam zijn op de gebieden aansprakelijkheidsrecht, verzekeringsrecht
en gezondheidsrecht. 

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Geen klachtenregeling? Waarschuwing door het Tuchtcollege

08-01-2018

Op 1 januari 2016 is de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in werking getreden. Op grond van die wet moeten zorgaanbieders per 1 januari 2017 voldoen aan alle eisen van die wet, inclusief de in artikel 13 neergelegde verplichting schriftelijk een regeling te treffen voor een effectieve en laagdrempelige afhandeling van klachten.

 

In de zaak, die leidde tot de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam van 15 december 2017, heeft patiënt erover geklaagd dat de GZ-psycholoog, die door hem was benaderd om een contra-expertise tegen een Pro Justitia-rapportage uit te brengen, niet beschikt over een dergelijke klachtenregeling.

 

De GZ-psycholoog heeft zich verweerd door te stellen dat er tussen hem en patiënt geen sprake was van een ‘zorgrelatie’ maar van een ‘diagnostische of een beoordelingsrelatie’ en dat hij zodoende niet onder de regeling valt. Maar dat verweer slaagt niet. Het beoordelen van de gezondheidstoestand van iemand is een handeling, die ingevolge artikel 1, lid 2 aanhef en onder a van de Wet BIG onder de werking van die wet vallen. Gelet op de begripsbepaling van ‘andere zorg’ als weergegeven in artikel 1 van de Wkkgz valt dit handelen ook onder de bepalingen van de Wkkgz.

 

Weliswaar is in artikel 1, lid 4, van de Wkkgz nog bepaald dat onder meer hoofdstuk 3 (betreffende de klachten- en geschillenregeling) niet van toepassing is op zorg voor zover deze betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een cliënt verricht in opdracht van een ander dan die cliënt, maar nu de GZ-psycholoog zijn werkzaamheden heeft verricht op verzoek van klager (direct of indirect, via klagers raadsman) is deze uitzonderingsbepaling niet van toepassing.

 

De GZ-psycholoog had verder nog aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van deze verplichting omdat de hem daarover informerende mails van zijn beroepsvereniging op zijn computer in de spambox zijn  beland. Ook dit verweer kan hem niet baten: van de GZ-psycholoog mag, als professioneel zelfstandig werkend hulpverlener, worden verwacht dat hij er voor zorgt dat hij op een effectieve wijze - naar zijn keuze via zijn beroepsvereniging of anderszins - op de hoogte blijft van voor hem relevante ontwikkelingen op zijn vakgebied en voor hem relevante nieuwe regelgeving. Mogelijke (onjuiste) instellingen op verweerders computer die daaraan in de weg staan, dienen dan ook voor zijn risico te blijven.

 

Het Tuchtcollege heeft de GZ-psycholoog de maatregel van waarschuwing opgelegd en daarbij enerzijds waarde gehecht aan het feit dat de GZ-psycholoog bij de mondelinge behandeling van de klacht nog steeds niet aan zijn Wkkgz-verplichting had voldaan, maar anderzijds ook dat de verweten gedraging niet het psychologisch (be)handelen zelf heeft betroffen. 

 

Mr. Danielle Zwartjens

d.zwartjens@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 833

Ondernemers en rechtsvorm: eens gekozen, blijft gekozen.

08-01-2018

Het Centraal Planbureau (CPB) heeft onderzoek gedaan naar de belastingdruk van degenen die voor de inkomstenbelasting (ib) als ondernemers kwalificeren (ib‐ondernemers) en directeur‐grootaandeelhouders (dga’s), op basis van gegevens tussen 2007 en 2014. In december 2017 zijn de resultaten in een Policy Brief gepubliceerd. De Policy Brief geeft onder meer interessante inzichten in de motieven die aan de keuze voor een bepaalde rechtsvorm ten grondslag liggen. Een van de conclusies: de eerste keuze voor een rechtsvorm lijkt veelal de definitieve.

 

In de Policy Brief zijn de volgende conclusies gepresenteerd:

 

  • ib‐ondernemers en dga’s en hun ondernemingen zijn heel verschillend. Dga’s zijn vaker man en gemiddeld ouder dan ib‐ondernemers. De persoonlijkheidskenmerken van beide typen ondernemers verschillen en de ondernemingen zijn veelal in verschillende sectoren actief. In de financiële dienstverlening en de zakelijke dienstverlening is een bv de standaard rechtsvorm terwijl dat in sectoren als de landbouw, zorg, cultuur en sport juist niet het geval is. Daarnaast is het gemiddeld inkomen van dga’s een stuk hoger dan dat van ib‐ondernemers;

 

  • er zijn veel factoren die de keuze voor de rechtsvorm bepalen. Een bv is aantrekkelijk vanwege de beperkte persoonlijke aansprakelijkheid. Daarom kiezen bijna alle ondernemingen in de financiële dienstverlening voor deze rechtsvorm. De regels over bedrijfsopvolging en ‐beëindiging zijn ook verschillend, wat een reden kan zijn om voor een bepaalde rechtsvorm te kiezen. Bij een bv is het vaak eenvoudiger om belastingheffing in box 2 over de tijd uit te smeren of uit te stellen. De oprichtingskosten en jaarlijkse kosten van een bv zijn hoger dan die van een ib‐onderneming. Ook de opbouw van een pensioen kon in het verleden reden zijn om voor een bv te kiezen. Daarnaast is er een aantal fiscale faciliteiten waardoor voor lage winstinkomens het ib‐stelsel aantrekkelijk is en voor hoge inkomens de vennootschapsbelasting bij de bv. Een precieze grens is niet te trekken en is zeer afhankelijk van onder andere de (gewenste) hoogte van de uitkering van de winst en de hoogte van het gebruikelijk loon;

 

  • de verschillen in belastingdruk en netto inkomen zijn vaak geen reden om van rechtsvorm te wisselen. De eerste keuze lijkt veelal de definitieve. Dat kan ook komen omdat in de jaren tussen 2007 en 2014 de verschillen in belastingdruk tussen dga’s en ib‐ondernemers min of meer constant zijn gebleven. Alleen voor hogere winstinkomens vanaf 75 duizend euro switchen meer ib‐ondernemers naar een bv, maar zelfs dat aantal is beperkt in het licht van het fiscale voordeel. Het CPB vond wel een sterke gedragsprikkel bij dividenduitkeringen in de jaren 2007‐2014. In die jaren is het box 2‐tarief tijdelijk 22% in plaats van 25% en dan keert de dga vanuit de bv veel meer dividend uit aan zichzelf.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Doseringsfout verwijtbaar?

05-01-2018

Hoe beoordeelt de medische tuchtrechter het verstrekken van onjuiste herhaalmedicatie aan een patiënt?

 

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 14 december 2017

ECLI:NL:TGZCTG:2017:344

 

Een patiënt vraagt via de website van zijn apotheek een herhaalrecept aan, waarbij in totaal drie keer 500 mcg = 2 ml Atrovent in plaats van 250 mcg = 2 ml Atrovent wordt geleverd.

De patiënt beklaagt zich bij de tuchtrechter.

 

Het Tuchtcollege wijst de klacht af. Het College stelt vast dat de inrichting van de apotheek en de daarbij in acht te nemen randvoorwaarden voldoen aan de te stellen eisen. De werkwijze binnen de apotheek en de gehanteerde kwaliteitseisen voldoen aan hetgeen daarvan verwacht mag worden.

Het eerste onjuiste herhaalrecept is niet door de aangeklaagde apotheker geparafeerd maar door een andere, waarnemend apotheker. Dat vervolgens later nog twee keer onjuiste medicatie aan de patiënt is verstrekt kan de aangeklaagde apotheker niet worden verweten, omdat deze onjuiste medicatieverstrekking is voortgevloeid uit de eerste initiële fout die is gemaakt door de waarnemend apotheker.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat in het medisch tuchtrecht uitsluitend ter beoordeling staat de verantwoordelijkheid voor het eigen handelen of nalaten. Een aangeklaagde hulpverlener is in beginsel niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor het handelen of nalaten van andere zorgverleners. Voor het Centraal Tuchtcollege was in deze zaak belangrijk dat bij de medicijnuitgifte menselijke fouten zijn gemaakt, ook door de waarnemend apotheker, voor welke fouten die collega haar verantwoordelijkheid heeft genomen en waarop adequaat is gereageerd. Ook was relevant dat er voldoende communicatie met de patiënt had plaatsgevonden.

Adequaat reageren op fouten en incidenten kan mogelijk een klacht voorkomen. De aangeklaagde apotheker kwam hier al met al met de schrik vrij.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Vanaf 1 januari 2018: verruiming declaratiemogelijkheden e-health medisch specialistische zorg

01-01-2018

Vanaf 1 januari 2018 kunnen zorgaanbieders in de medisch-specialistische zorg ook schriftelijke (e-mail of chat) of belconsulten declareren. Voordien konden zij alleen polikliniekbezoeken declareren. De NZa wil hiermee e-healthtoepassingen stimuleren en voorkomen dat patiënten onnodig op de polikliniek moeten komen, ook als een bel- of e-consult al voldoende kan zijn. Voorwaarde is wel dat de patiënt aan het begin van het zorgtraject een gewoon consult op de polikliniek heeft gehad bij de behandelaar.

 

Aanleiding

Het huidige dbc-systeem geeft een financiële prikkel om consulten op de polikliniek te leveren, ook in gevallen waar consultatie op afstand mogelijk was. Consulten op afstand tellen, in tegenstelling tot polikliniekbezoeken, namelijk niet mee in de afleiding van dbc-zorgproducten. Registratie van een consult op afstand leidt hierdoor op zichzelf niet tot een declarabel product. Deze situatie zorgt er in sommige gevallen voor dat patiënten onnodig op de polikliniek worden gezien.

 

Zorgaanbieders, zorgverzekeraars, de Patiëntenfederatie Nederland, VWS en de NZa vonden het wenselijk dat deze situatie per 2018 verandert. Om die reden zijn in 2017 diverse gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van zorgaanbieders en zorgverzekeraars over het wijzigen van de bekostiging van consulten op afstand.

 

Wijzigingen consult op afstand

Op verzoek van veldpartijen worden belconsulten en schriftelijke consultaties voortaan gelijk gesteld aan herhaal-polikliniekbezoeken. Om wel de kwaliteit van zorg te waarborgen dient in het begin van een zorgtraject een fysiek face-to-face contact met de beroepsbeoefenaar - die de poortfunctie uitvoert - plaats te vinden. Dit hoeft niet het eerste contact te zijn, het eerste contact kan ook screen-to-screen plaatsvinden.

 

Voor klinische genetica en hartteambespreking is een uitzondering gemaakt op de voorwaarde ‘fysiek face-to-face contact’. Voor klinische genetica geldt dat er minimaal een screen-to-screen contact moet worden geleverd. Dit borgt de kwaliteit van zorg voldoende. Voor hartteambespreking geldt dat er geen face-to-face contact hoeft te worden vastgelegd, omdat hierbij geen contact met de patiënt plaatsvindt. Door deze wijziging wordt, daar waar het mogelijk is en de patiënt dit wenst, eerder zorg op afstand geleverd. Dit kan de zorg minder belastend en beter maken.

 

Consulten op afstand die nu niet geregistreerd worden of niet tot een declarabel zorgproduct (dus uitval) leiden, zullen dat met ingang van 1 januari 2018 dus wel doen. Het vervangt de zorg die zowel qua inhoud als qua tijdbesteding overeenkomt met een herhaal-polikliniekbezoek. Niet ieder e-mail of telefonisch contact kwalificeert dus als consult op afstand.

 

Kosten: afspraken en transparantie

Om de risico’s op stijging van zorgkosten en verdringing van zorg te voorkomen, vindt de NZa het belangrijk dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars hierover afspraken maken. Er dient sprake te zijn van een budget neutrale wijziging op macroniveau. Ook vindt de NZa het van belang dat er stappen worden gezet op het gebied van transparantie van prijzen, zodat een patiënt niet achteraf wordt verrast door een hoge nota, bijvoorbeeld vanwege een consult op afstand.

 

Wegwijzer en updaterelease DBC-pakket

De NZa heeft een ‘wegwijzer bekostiging e-health’ gepubliceerd. In die wegwijzer zijn de mogelijkheden per zorgsector uiteengezet.

 

Op de site van de NZa is de updaterelease van het DBC-pakket gepubliceerd. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Workshop en beroepsgeheim

21-12-2017

Een schending van het beroepsgeheim komt soms, zoals in deze zaak, uit onverwachte hoek.

 

Een patiënte wordt door een psycholoog behandeld wegens een eetstoornis. Bij de behandeling wordt niet alleen gefocust op de eetstoornis, maar ook op traumaklachten van gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden. De patiënte had vaak herbelevingen, last van nachtmerries en hoorde stemmen in haar hoofd. De patiënte maakte een tekening ter verklaring van de stemmen in haar hoofd.

 

De psycholoog geeft later samen met een collega een workshop op een congres over schematherapie. Tijdens de workshop wordt onder meer de casus van de patiënte gepresenteerd.

 

De patiënte treft weer later bij het surfen op internet de PowerPoint aan die de psycholoog op het congres heeft gebruikt. De PowerPoint bevat een exacte kopie van de beschrijving van haar casus, inclusief de gemaakte tekening. De patiënte beklaagt zich bij het tuchtcollege.

 

Het tuchtcollege overweegt dat geen sprake is geweest van voldoende anonimisering van de casus van de patiënte. Weliswaar was de naam van de patiënte niet vermeld, maar de casus bevatte allerlei specifieke details waardoor deze niet alleen voor de patiënte, maar ook voor haar familie en bekenden duidelijk herkenbaar was. Voor het gebruik van de casus in deze vorm en van de originele tekening was de expliciete toestemming van de patiënte vereist. Door die toestemming niet te vragen en de casus toch te gebruiken heeft de psycholoog zijn beroepsgeheim geschonden.

Hierbij acht het tuchtcollege nog van belang dat het karakter van het congres niet overeenstemt met dat van een intervisiegroep, omdat het besloten karakter van een intervisiegroep ontbrak; het congres was toegankelijk voor ieder die zich daarvoor aanmeldde. De klacht is gegrond en de psycholoog krijgt de maatregel van een waarschuwing opgelegd.

 

De les die uit deze zaak voortvloeit is, dat voor het geven van onderwijs (zoals workshops) bij voorkeur anonieme medische gegevens worden gebruikt. Dat zijn gegevens die niet of uitsluitend door het toepassen van buitengewone middelen of met onevenredig veel tijd en moeite tot een natuurlijk persoon zijn te herleiden. Wanneer wel herleidbare patiëntgegevens worden gebruikt dient de patiënt daarvoor expliciete toestemming te geven. Dit is slechts anders als toestemming vragen redelijkerwijs niet mogelijk is of toestemming vragen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Het is echter raadzaam om in dit soort situaties niet uit te gaan van lastige uitzonderingen maar van de eenvoudige hoofdregel. Zie hiervoor ook de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’. 

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Goodwill na faillissement Ruwaard van Putten

19-12-2017

Het faillissement van het Ruwaard van Putten ziekenhuis in 2013 was een dramatische en ook unieke gebeurtenis.

 

Niet eerder namelijk was in Nederland een ziekenhuis failliet gegaan. De gevolgen van het faillissement  waren -zoals meestal - groot, niet alleen voor de patienten van het ziekenhuis, maar ook voor bijvoorbeeld de werknemers en de zorgverzekeraars. 

 

Aan het ziekenhuis waren ook vrjgevestigde medische specialisten verbonden. Ten gevolge van het faillissement eindigden de toelatingsovereenkomsten die zij met het ziekenhuis hadden en kwamen hun praktijken in gevaar. Aan een groot aantal van deze vrijgevestigde medisch specialisten is vervolgens een arbeidsovereenkomst voor de duur van 6 maanden aangeboden. Niet iedereen heeft daarvan gebruik gemaakt en voor sommigen van degenen die daarvan wel gebruik maakten viel na die 6 maanden alsnog het doek.

 

Door een aantal van de eerder aan het ziekenhuis verbonden medisch specialisten zijn procedures opgestart teneinde de schade van het verlies van hun praktijk vergoed te krijgen. Die schade bestond onder meer uit het verlies van een vergoeding vanwege goodwill. Daarbij werd niet alleen geprocedeerd tegen de curatoren in het faillissement, maar ook  tegen -sterk samengevat - de nieuwe eigenaren van het ziekenhuis.

 

Inmiddels zijn in die procedures 3 uitspraken gedaan door het Gerechtshof Den Haag. In alle gevallen zijn de vorderingen van de medisch specialisten afgewezen. De uitspraken laten zich moeilijk samenvatten, maar zijn het lezen meer dan waard. De uitspraken zijn hier, hier en hier te vinden.

 

Mr. Ernst de Jong

ejc.dejong@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 836

Zorgverzekeraar moet uitkeren en mag niet verrekenen. Vooralsnog.

19-12-2017

In kort geding heeft zorginstelling Ciran van zorgverzekeraar VGZ betaling van uitstaande declaraties voor medisch-specialistische revalidatiezorg (MSR) gevorderd. Daarbij eiste zij een verbod op verrekening met eerder uitbetaalde zorggelden waarvan VGZ meende dat die ten onrechte waren uitgekeerd. In eerste aanleg trok Ciran aan het kortste eind, in hoger beroep werd zij alsnog in het gelijk gesteld.

 

Onterecht gedeclareerde zorg?

Deze zaak draait om de vraag of VGZ de door Ciran gedeclareerde zorg over de jaren 2014 tot en met 2016 wel of niet verschuldigd heeft betaald en zo ja, of zij op dit moment tot verrekening van deze gelden met declaraties over 2017 mag overgaan. VGZ meent dat verrekening is aangewezen en baseert zich hierbij onder meer op de uitkomsten van een materiële controle en een benchmark analyse. Uit de materiële controle trekt VGZ de conclusie dat geen sprake was van MSR-zorg, terwijl dat wel werd gedeclareerd. Volgens VGZ zou er voor de MSR-behandelingen geen (correcte) verwijzing hebben gelegen, zouden verzekerden zijn behandeld terwijl die behandeling niet was geïndiceerd en zou de verleende zorg tekort zijn geschoten doordat er onvoldoende betrokkenheid van een revalidatiearts was, zodat de behandeling niet als MSR-behandeling had mogen worden gedeclareerd.

 

Eerste aanleg: verrekenen mag

In eerste aanleg oordeelde de voorzieningenrechter dat er voldoende aanwijzingen zouden zijn voor de door VGZ getrokken conclusies. Volgens het vonnis mocht VGZ de declaraties van Ciran over 2017 dan ook verrekenen met haar vordering tot terugbetaling over de jaren 2014 tot en met 2016.

 

Hoger beroep:

 

a. vordering VGZ onzeker

In hoger beroep houdt het vonnis in eerste aanleg geen stand. Het hof neemt als uitgangspunt dat de aanspraak van Ciran op betaling van haar uitstaande declaraties over 2017 niet is betwist. Of VGZ een tegenvordering (over de jaren 2014 tot en met 2016) heeft waarmee zij die aanspraak kan verrekenen is onzeker. Die tegenvordering valt volgens het hof in kort geding niet op voldoende eenvoudige wijze vast te stellen, doordat daarvoor expertise nodig zou zijn, waarop niet kan worden gewacht. In dit verband is van belang dat de visies van de medici van partijen over de indicatie voor MSR diametraal tegenover elkaar staan. Voor de beoordeling van de door VGZ toegepaste extrapolatie van bedragen vanuit de materiële controle (op basis van een aselecte steekproef op 25 of 35 declaraties; het exacte aantal is in geschil) over geheel 2014 (1.500 declaraties) is volgens het hof eveneens expertise nodig, met inachtneming van gegevens die in een (reguliere) bodemprocedure nog voorhanden kunnen komen. Ook is nader onderzoek voor de beoordeling van (de bewijswaarde van) de benchmark analyse aangewezen. Een kort geding (spoedeisende belangen) biedt voor deze beoordelingen geen ruimte.  

 

b belangenafweging: declaraties betalen, verbod op verrekening

Het voorgaande betekent volgens het hof niet dat VGZ geen vordering op Ciran heeft of kan hebben, maar dat daarvoor het op dit moment ingezette middel van verrekening en/of opschorting naar het voorlopig oordeel van het hof niet juist en evenmin proportioneel is. VGZ loopt door de toewijzing van Cirans vorderingen het risico dat, indien later zal blijken dat zij toch een tegenvordering heeft op Ciran wegens onverschuldigd uitbetaalde vergoedingen, die tegenvordering niet of maar voor een deel kan worden geïncasseerd, maar Ciran loopt het risico dat zij op korte termijn in staat van faillissement zal worden verklaard. De belangenafweging valt in het nadeel van VGZ uit. Dit betekent de vordering van Ciran om VGZ te verbieden om door te gaan met het verrekenen, alsnog zal worden toegewezen.

 

Conclusie

VGZ heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door Ciran in 2014 tot en met 2016 verleende MSR-zorg ten onrechte zou zijn gedeclareerd. De uitkomsten van de materiële controle en benchmark analyse kunnen die conclusie niet dragen, op grond waarvan haar beroep op verrekening (vooralsnog) strandt. Het oordeel van het hof sluit aan bij het wettelijke uitgangspunt voor verrekening: zolang een vordering niet vaststaat, kan niet worden verrekend.  

 

Vindplaats

Klik hier voor de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:11070). 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Aanzegging is opzegging

18-12-2017

De Hoge Raad heeft in het Constar Plastics arrest van 17 november 2017 geoordeeld dat een aanzegging van het einde van de arbeidsovereenkomst onder omstandigheden gezien kan worden als een opzegging. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben, want de werknemer kan - in plaats van bezwaar te maken tegen een dergelijke ‘ongewilde’ opzegging - aanspraak maken op gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

 

Opzegging

Als een werknemer opzegt, moet het gaan om een duidelijke en ondubbelzinnige uitlating op grond waarvan de werkgever er op mag vertrouwen dat de werknemer zijn arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. de werkgever heeft zelfs een onderzoeksplicht om te kijken of de werknemer wel doordrongen was van alle gevolgen van zijn opzegging. Maar andersom gelden die vereisten niet. Als de werkgever opzeg, dan is alleen de vraag of de werknemer , gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijkerwijs mocht afleiden dat de werkgever de wil heeft gehad om de arbeidsovereenkomst te laten eindigen. Is daarvan sprake, dan heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd. Die opzegging is een eenzijdig gerichte rechtshandeling, en een eigenschap daarvan is dat een dergelijke handeling niet ingetrokken kan worden zonder de instemming van degene tot wie die rechtshandeling was gericht.
 

Constar Plastics

In het arrest Werknemer/Constar Plastics had Constar Plastics een werknemer voor onbepaalde tijd in dienst, waarvan zij ten onrechte dacht dat deze een tijdelijk dienstverband had. Omdat Constar Plastics de arbeidsovereenkomst wilde laten aflopen, heeft zij het einde van de arbeidsovereenkomst zoals het hoort aangezegd: "Zoals mondeling reeds aan u aangegeven, bevestig ik namens uw werkgever Constar Plastics B.V. dat uw arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 10 september 2015 afloopt niet zal worden verlengd. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat de onderneming wegens tegenvallende resultaten zal worden gestaakt". 
 

Aanzegging is opzegging

De Hoge Raad was van mening dat de werknemer hieruit heeft kunnen afleiden dat Constar de arbeidsovereenkomst wilde laten eindigen, en dat het hier dus een opzegging betrof. Dat betekende dat Constar een transitievergoeding verschuldigd was. Constar verweerde zich nog door te stellen dat duidelijk moest zijn dat zij alleen maar had geprobeerd om het einde van rechtswege aan te zeggen, conform de wettelijke verplichting daartoe. Dat stond zelfs onderaan de brief: "Volledigheidshalve bericht ik u dat deze brief een aanzegging is als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 BW." Het mocht niet baten. Kennelijk heeft de Hoge Raad veel gewicht toegekend aan de opmerking dat de onderneming zou worden gestaakt. dat impliceert inderdaad wel de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.
 

Vergoedingen 

Naast de transitievergoeding is denkbaar dat de werkgever door een dergelijke opzegging ook nog de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd wordt. Dit is de vergoeding die de partij verschuldigd is als hij de opzegtermijn niet in acht neemt. De hoogte van deze vergoeding betreft het loon over de periode dat de arbeidsovereenkomst zou hebben voortgeduurd wanneer wel de geldende opzegtermijn in acht zou zijn genomen. Maar wat mogelijk nog veel verstrekkender gevolgen heeft: een dergelijke 'per ongeluk' opzegging zal meestal niet plaatsvinden met toestemming van het UWV. Dat betekent betekent weer dat de werknemer kan kiezen: of een beroep doen op de nietigheid, of een billijke vergoeding eisen.

Vernietiging van medische dossiers

15-12-2017

Hoe moet een arts omgaan met een verzoek van een patiënt om vernietiging van zijn medisch dossier?

 

Een patiënt vraagt zijn huisarts medio juni 2014 om vernietiging van zijn medisch dossier. De patiënt stuurt hierna nog drie brieven met de vraag of het dossier inmiddels is vernietigd. De huisarts reageert aanvankelijk niet, maar laat half oktober 2014 weten dat het dossier is vernietigd.

De patiënt beklaagt zich bij het tuchtcollege.

 

Het tuchtcollege verwijst naar de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens.’ In deze richtlijn is bepaald dat het vernietigingsrecht voortvloeit uit de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) en de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De patiënt heeft het recht om patiëntgegevens die op hem betrekking hebben te laten vernietigen. Een verzoek daartoe dient in beginsel binnen drie maanden te worden gehonoreerd.

 

Op het vernietigingsrecht van de patiënt bestaan vier uitzonderingen: a) een andere wet schrijft een afwijkende bewaartermijn voor, waarbinnen de gegevens niet vernietigd mogen worden (zoals de Wet Bopz), b) een ander dan de patiënt heeft een aanmerkelijk belang bij het bewaren van de gegevens (zoals de arts zelf die een klacht of een claim van de patiënt verwacht), c) de vernietiging belemmert goed hulpverlenerschap (bijvoorbeeld  in de situatie dat een ouder informatie over vermeende mishandeling uit het dossier van een kind wil laten verwijderen) of d) de WGBO is slechts ten dele van toepassing (zoals bij keuringen).

 

De huisarts verweerde zich in de tuchtzaak met de stelling dat hij niet heeft gereageerd op de verzoeken om vernietiging, omdat hij niet wist wat hij met deze verzoeken moest doen en om een door hem verwachte en gevreesde moeizame discussie met de patiënt uit de weg te gaan.

 

Het tuchtcollege vindt dat de huisarts onvoldoende blijk heeft gegeven van een zorgvuldige afweging doordat hij niet met de patiënt in gesprek is gegaan en de patiënt niet over zijn besluit en afwegingen heeft geïnformeerd.

Het tuchtcollege acht de klacht gegrond en de huisarts krijgt (ook in verband met andere tekortkomingen in de hulpverlening) de maatregel van een berisping opgelegd.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat een arts zorgvuldig met een verzoek van een patiënt om vernietiging van het medisch dossier moet omgaan. Aangeraden wordt om het verzoek tot vernietiging schriftelijk te laten indienen zodat dit later kan worden geverifieerd. De arts moet vervolgens nagaan of zich een uitzondering op het vernietigingsrecht voordoet. Zo niet, dan moet binnen drie maanden na het verzoek tot vernietiging worden overgegaan. Doet zich een uitzondering op het vernietigingsrecht voor, dan is het verstandig dat de patiënt dat schriftelijk en gemotiveerd te berichten.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Complicaties bij wortelkanaalbehandeling of extractie niet per definitie tuchtrechtelijk verwijtbaar

12-12-2017

Dat het optreden van complicaties na een wortelkanaalbehandeling of een extractie niet automatisch tot de conclusie leidt dat er door de betrokken tandarts tuchtrechtelijk verwijtbaar is gehandeld, blijkt uit twee onlangs verschenen uitspraken van het Centraal Tuchtcollege en het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag.

 

Een patiënt klaagt dat zijn tandarts bij hem een wortelkanaalbehandeling en een extractie ondeugdelijk heeft uitgevoerd. Tijdens de extractie was er een breuk in het element ontstaan. Voorts stelt de patiënt dat de tandarts hem onvoldoende heeft ingelicht over de mogelijkheid van botatrofie als gevolg van de extractie. Tot slot klaagt hij dat de tandarts heeft verzuimd hem voldoende in te lichten over de vergoeding van de zorgverzekeraar voor het plaatsen van een implantaat door de kaakchirurg. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de klachten ongegrond verklaard, waarna de patiënt in beroep is gegaan bij het Centraal Tuchtcollege.

 

Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de patiënt en bevestigt het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de tandarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de opgetreden complicaties. De tandarts is evenmin tekort geschoten in haar informatieplicht over de gevolgen en bijwerkingen van een extractie, zo blijkt ook uit haar verslaglegging. De klacht over het niet voldoende inlichten over de vergoeding door de zorgverzekeraar voor het plaatsen van een implantaat treft evenmin doel, nu het niet op de weg van de tandarts ligt om de patiënt te informeren over kosten die een andere behandelaar mogelijk gaat maken.

 

In een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag van 7 november 2017 was de vraag aan de orde of de pijnklachten die patiënte bleef houden na een wortelkanaalbehandeling aan de tandarts konden worden verweten. Het College is hierover kort en duidelijk: het feit dat patiënte pijnklachten heeft gehouden na het aanbrengen van een noodvulling betekent niet dat de tandarts bij zijn behandeling een fout heeft gemaakt; ook bij een volgens de regels der kunst verrichte wortelkanaalbehandeling kan een patiënt pijn houden.

 

Mr. Suzanne Steegmans

sm.steegmans@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 847

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor misleidende zorgdeclaraties

12-12-2017

Verschillende zorgverzekeraars aangesloten bij VGZ hebben de door een kliniek verleende zorg aan verzekerden vergoed, op basis van door deze kliniek uitgeschreven declaraties. Op deze declaraties was Y als zorgverlener vermeld, terwijl X de behandelingen daadwerkelijk bleek te hebben verricht. X en Y exploiteerden de kliniek in de vorm van een vennootschap onder firma (vof). Rechtbank Noord-Holland heeft de vof alsook X en Y op 8 december 2017 hoofdelijk tot vergoeding van de schade van VGZ veroordeeld. Hieronder een toelichting op deze uitspraak.

 

Geen aangewezen zorgaanbieder

Het ging in deze zaak om verlening van alternatieve zorg. VGZ vergoedt deze kosten op basis van een aanvullende verzekering, mits de zorg is verleend door zogenaamde ‘aangewezen zorgaanbieders’. Deze zorgaanbieders staan vermeld in een via internet te raadplegen zorggids, die jaarlijks geactualiseerd wordt. Gelet op het grote aantal therapeuten dat werkzaam is in de alternatieve zorg heeft VGZ ervoor gekozen om geen contracten te sluiten met individuele therapeuten, maar maakt zij samenwerkingsafspraken met koepelorganisaties in de sector.

 

Van de twee zorgverleners was Y aangesloten bij beroepsorganisatie VBAG en X bij beroepsorganisatie NOAG. In de jaren 2011 tot en met 2013 waar het in deze zaak om draait, behoorde de VBAG tot de (door VGZ) aangewezen zorgaanbieders, maar de NOAG niet. Kortom: uitsluitend behandelingen van Y kwamen in die jaren voor behandeling in aanmerking, niet die van X.

 

Declaraties onrechtmatig

De rechtbank neemt vrij eenvoudig aan dat X en Y onrechtmatig tegenover VGZ hebben gehandeld. VGZ kon uit de declaraties, nadat de gegevens van X daarvan waren verwijderd, op geen enkele manier opmaken dat de gedeclareerde behandelingen in een groot aantal gevallen door een ander dan Y waren uitgevoerd. Op de declaraties waren alleen de naam, de AGB (Algemeen Gegevens Beheer)-code en de beroepsorganisatie van Y vermeld.

 

X betoogde onder meer dat behandelingen van beide vennoten volledig uitwisselbaar waren en dat alle behandelingen onder gezamenlijke verantwoordelijkheid vielen, zodat behandelingen uitgevoerd door de ene vennoot op naam van de andere vennoot gedeclareerd mochten worden. De rechtbank verwerpt (ook) dit verweer en overweegt daarbij dat het zorgverzekeraars als VGZ vrijstaat om, ter bevordering van de kwaliteit van de bij hen gedeclareerde zorgverrichtingen, alleen tot vergoeding daarvan over te gaan indien de zorg is verleend door gekwalificeerde en/of gecertificeerde zorgverleners, en dat het haar, X , niet vrijstaat om een dergelijk door zorgverzekeraars op goede gronden ontwikkeld beleid te doorkruisen.

 

Hoofdelijke aansprakelijkheid

De rechtbank veroordeelt zowel de (inmiddels ontbonden) vof als beide vennoten tot vergoeding van de schade van VGZ, op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel. In dit wetsartikel (uit het jaar 1826) is bepaald dat ‘elk der vennooten wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk is verbonden’.

 

Bij ‘verbintenissen der vennootschap’ gaat het niet alleen om contractuele verplichtingen van de vof, maar kunnen ook vennoten jegens een derde aansprakelijk zijn wegens onrechtmatig handelen van de vof. In dit laatste geval is bepalend of het onrechtmatig handelen van de vennootschap heeft plaatsgevonden bij de uitoefening van de normale vennootschappelijke activiteiten en in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de vennootschap heeft te gelden. Het vervaardigen en verzenden van nota’s op naam van de vof acht de rechtbank naar verkeersopvattingen bij uitstek behoren tot de normale vennootschappelijke werkzaamheden. Zowel de vof als de vennoten worden dan ook hoofdelijk aansprakelijk geacht voor de schade als gevolg van de onjuiste nota’s.

 

Deze gezamenlijke aansprakelijkheid acht de rechtbank ook op zijn plaats nu volstrekt onduidelijk is gebleven wie de hand heeft gehad in de gewijzigde opmaak van de nota’s van de kliniek (X en Y spreken elkaar tegen; een concreet bewijsaanbod is niet gedaan) en of de andere vennoot hiervan op de hoogte was. Bovendien was er, anders dan Y stelt, in elk geval in financieel/administratief opzicht sprake van een nauwe samenwerking tussen de vennoten: er was sprake van een gezamenlijke financiële administratie waarin alle nota’s werden verwerkt en van een gezamenlijke bankrekening waarop alle betalingen van die nota’s binnenkwamen en voorts werd de winst van de vennootschap bij helfte tussen de vennoten gedeeld.

 

Overigens zou de omstandigheid dat een van de vennoten mogelijk pas (veel) later bekend is geworden met de gewijzigde lay-out van de nota’s haar geenszins verontschuldigen, omdat van elk van de vennoten verwacht mag worden dat zij zicht houdt op het financiële reilen en zeilen van de onderneming en zich daarover geregeld laat informeren (door de andere vennoot en zo nodig door de boekhouder). Een vennoot die zich in dit opzicht te passief opstelt kan zich naderhand niet beroepen op onbekendheid met de financiële gang van zaken.

 

Onderling verhaal X en Y?

X en Y (inmiddels gebrouilleerd) hadden elkaar ook nog ‘in vrijwaring opgeroepen’, hetgeen tot gevolg zou kunnen hebben dat, mocht een van hen worden veroordeeld om de schade aan VGZ te vergoeden, de ander gehouden is om de schade (geheel of gedeeltelijk) voor haar rekening te nemen. In dit verband had Y zich beroepen op een bepaling uit de vennootschapsakte met X. Y stelde zich op het standpunt dat X op grond van die bepaling gehouden zou zijn haar ‘te vrijwaren’, omdat X de kliniek alleen had voortgezet. De rechtbank gaat niet in deze redenering van Y mee. De contractuele bepaling zag namelijk op voortzetting van bedrijfsverplichtingen die betrekking hebben op zaken en vermogensrechten waarvan de eigendom door de voortzettende vennoot is verkregen en niet op een vrijwaringsverplichting voor de voortzettende vennoot in geval van een aansprakelijkstelling, door een derde uit hoofde van onrechtmatige daad.

 

Conclusie  

Uiteraard bevestigt deze uitspraak primair het belang van inachtneming van declaratievoorschriften. Niettemin nodigt deze zaak ook uit tot nadenken over het effect van een gekozen rechtsvorm en gemaakte afspraken over (beëindiging van) samenwerking bij schade. Aansprakelijkheid van vennoten bij een vof is regel, van bestuurders (en aandeelhouders) bij een rechtspersoon (zoals een bv of nv) uitzondering. En wordt (toch) gekozen voor samenwerking binnen een vof, dan kunnen onderlinge verhaalsmogelijkheden (of belemmeringen) in beginsel vrijelijk worden afgesproken, zoals een vrijwaring voor óók onrechtmatig handelen van een medevennoot. Kortom: anticipeer bij samenwerking ook op mogelijke aansprakelijkstellingen.

 

Klik hier voor de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 8 december 2017 (ECLI:NL:RBNHO:2017:9931). 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

WMCO en herplaatsing

11-12-2017

Het Europese Hof van Justitie heeft twee arresten gewezen waarin hij uitlegt dat de Wet Melding Collectief Ontslag (WMCO) ook van toepassing is als er in eerste instantie nog geen sprake is van gedwongen ontslagen, maar waar dat later wel het geval kan zijn. In de praktijk komt vaak voor dat werknemers boventallig verklaard worden en vervolgens soms zeer lange herplaatsingsperioden doorlopen. Het staat dan nog niet vast dat en hoeveel werknemers uiteindelijk voor ontslag zullen worden voorgedragen. Het Hof heeft nu verduidelijkt dat de enkele mogelijkheid dat dit zo is, al de verplichtingen uit de WMCO in het leven roept.

 

WMCO

De WMCO bepaalt dat "een werkgever die voornemens is de arbeidsovereenkomsten van ten minste twintig werknemers, werkzaam in één werkgebied, op een of meer binnen een tijdvak van drie maanden gelegen tijdstippen te beëindigen, meldt dit ter tijdige raadpleging schriftelijk aan de belanghebbende verenigingen van werknemers. Een gelijke schriftelijke melding doet hij aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen”. De WMCO is een implementatie van EU Richtlijn 98/59, waardoor het voor de Nederlandse rechtspraktijk relevant is wat het EU Hof daarover oordeelt.
 

Gelijkgestelde ontslagen

In het arrest Pujante Rivera uit 2015 oordeelde het Hof al dat een eenzijdige substantiële wijziging van essentiële elementen van de arbeidsovereenkomst ten nadele van de werknemer als 'ontslag' in de zin van de richtlijn (en dus de WMCO) moeten worden aangemerkt. In de arresten Socha en Ciupa van 21 september 2017 verduidelijkt het Hof deze leer. Het ging in deze zaken om een opzegging onder voorbehoud, iets dat in het Nederlands systeem als zodanig niet voorkomt. Werknemers werd de keuze voorgehouden: of instemmen met een wijziging in hun arbeidsvoorwaarden, of ontslag. Het Hof bepaalde dat een dergelijke opzegging geldt als een 'gelijkgesteld ontslag', die meegerekend moet worden voor de berekening van collectief ontslag. Overigens bepaalt de richtlijn dat er tenminste vijf 'echte' ontslagen plaats moeten vinden.
 

Herplaatsingstrajecten

Reorganisaties en herplaatsingstrajecten kennen in de Nederlandse arbeidsmobiliteitspraktijk vele namen en verschijningsvormen. Werknemers worden boventallig verklaard, in hun kracht gezet, gedetacheerd en de gelegenheid geboden zich op een ander vlak te ontwikkelen. Gedwongen ontslagen zijn misschien niet eens de doelstelling van een dergelijk strategieplan. Echter, als het niet is uitgesloten dat de betrokken werknemer een gedwongen ontslag boven het hoofd hangt, dan kan op grond van deze arresten de WMCO toch van toepassing zijn, mits het resulteert in tenminste vijf ontslagen - en dat kan ook zijn via beëindigingsovereenkomsten.
 

Wanneer melden

Het Hof heeft in de arresten Socha en Ciupa ook verduidelijkt wanneer de meldingsplicht wordt geactiveerd. Dat is op het moment dat hij "Een strategische of commerciële beslissing heeft genomen die hem ertoe noopt collectief ontslag te overwegen of te plannen". Dat is vroeg in het proces, en je zou kunnen concluderen dat de werkgever te laat is als hij begint aan zijn reorganisatie met een systeem van herplaatsingen, om na afloop daarvan te inventariseren wie hij niet heeft kunnen herplaatsen en dan pas te melden. 

 

Billijke vergoeding

Als de werkgever wel de verplichting had om te melden en de bonden te raadplegen onder de WMCO,  maar dat niet heeft gedaan, dan kan de werknemer de beëindigingsovereenkomst vernietigen. Op grond van artikel 7 lid 2 WMCO kan hij er ook voor kiezen om een billijke vergoeding te eisen. En die kan, gelet op de New Hairstyle beschikking, nogal in de papieren lopen.

Verpleegkundige en naleven alcoholbeleid

08-12-2017

In hoeverre is een verpleegkundige door haar werkgever tuchtrechtelijk aan te spreken op het alcoholbeleid van de zorginstelling waar zij werkt?

 

Een werkgever van een psychiatrisch verpleegkundige klaagt bij het tuchtcollege.

De klacht houdt in dat de verpleegkundige heeft toegestaan dat een gedwongen opgenomen patiënte met een langdurige psychiatrische voorgeschiedenis, bekend met een alcoholprobleem, buiten de instelling één glas wijn heeft gedronken. Tevens wordt de verpleegkundige verweten dat zij dit voorval niet heeft gerapporteerd.

 

De klacht wordt door het tuchtcollege afgewezen. Het tuchtcollege acht het van belang dat algemene (beleids-)regels en richtlijnen ten aanzien van alcoholgebruik in de instelling ontbraken. Verder was er geen recent behandelplan van de patiënte voorhanden waaruit kon worden opgemaakt dat alcoholgebruik moest worden vermeden.

 

Ook is volgens het tuchtcollege relevant dat binnen de afdeling waar de verpleegkundige werkte, bij de omgang van patiënten aan de verpleegkundigen veel vrijheid werd gegund ten behoeve van een goede behandel- en vertrouwensbasis en ‘out of the box‘ denken werd gestimuleerd.

Ten slotte kan de verpleegkundige niet worden verweten dat zij het alcoholgebruik niet heeft gerapporteerd. Volgens de beleidsregels binnen de zorginstelling diende rapportage alleen plaats te vinden bij buitensporig en fors afwijkend gedrag. Hiervan was in dit geval geen sprake.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat een werkgever bij het tuchtcollege kan klagen over het gedrag van een BIG-geregistreerde werknemer. Wil de werkgever echter met succes kunnen klagen, dan zal de zorginstelling duidelijke richtlijnen en beleidsregels moeten hebben waaraan het gedrag van de werknemer getoetst kan worden. Als de werkgever juist ‘out of the box’ denken stimuleert en een werknemer dat vervolgens ook doet, kan een werkgever achteraf niet klagen dat in strijd met het beleid van de zorginstelling is gehandeld.

 

Voor de uitspraak, klik hier.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Internetconsultatie Besluit Wet zorg en dwang

08-12-2017

Op 6 december 2017 is het concept ‘Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten’ (Bzd) gepubliceerd, en ter consultatie op internet geplaatst.

 

Het Bzd bevat de nadere uitwerking van verschillende belangrijke onderwerpen van de Wet zorg en dwang. De belangrijkste bepalingen in het besluit betreffen de onvrijwillige zorg buiten een accommodatie van een zorgaanbieder (oftewel: ambulante onvrijwillige zorg). Dit is onvrijwillige zorg die bijvoorbeeld bij een cliënt thuis plaatsvindt. De Wet zorg en dwang biedt de mogelijkheid voor ambulante onvrijwillige zorg. In het Bzd worden nu die vormen van onvrijwillige zorg aangewezen en aanvullende voorwaarden gegeven bij de eisen die de wet aan deze gedwongen zorg stelt. De aangewezen vormen van onvrijwillige zorg zijn bijvoorbeeld het beperken van de bewegingsvrijheid, het uitoefenen van toezicht en het toedienen van medicatie (artikel 2.1). Artikel 2.2 van het Bzd bevat de aanvullende voorwaarden, zoals permanente bereikbaarheid van een ter zake kundig zorgverlener en het zorgen voor waarborgen omtrent de veiligheid en het toezicht op de onvrijwillige zorg.

 

Daarnaast bevat het Bzd regels over de samenstelling van de klachtencommissie en verbindt het besluit deskundigheidseisen aan vertrouwenspersonen en de personen die vanuit het CIZ bij de uitvoering van de wet betrokken zullen zijn (bijvoorbeeld in het kader van de aanvraag van een rechterlijke machtiging of een ‘geen bereidheid, geen bezwaar’ machtiging).

 

Ook stelt het Bzd deskundigheidseisen aan de externe deskundigen die (bijvoorbeeld) volgens de wet moeten worden ingeroepen wanneer onvrijwillige zorg voor een langere periode onderdeel uitmaakt van het zorgplan van een cliënt. Zo moet de externe deskundige aantoonbare ervaring hebben in het voorkomen en afbouwen van onvrijwillige zorg voor de doelgroep waartoe de betrokken cliënt behoort, en mag de externe deskundige niet in dienst van of gedetacheerd zijn bij de zorgaanbieder van de cliënt.

 

Belanghebbenden en geïnteresseerden (zoals brancheverenigingen, zorgaanbieders, onderzoekers) hebben tot 4 februari 2018 de tijd om op het Bzd te reageren. 

 

De plenaire behandeling van de Wet zorg en dwang door de Eerste Kamer zal gezamenlijk met de behandeling van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg en de Wet forensische zorg plaatsvinden op 15 en 16 januari 2018.

 

Klik hier voor het concept Bzd en de website voor de internetconsultatie. 

 

Mr. Sofie Steen

sm.steen@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 864

Systeem elektronische uitwisseling patiëntengegevens vooralsnog aanvaardbaar

07-12-2017

Op 1 december jl. heeft de Hoge Raad de klachten tegen het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de elektronische uitwisseling van patiëntengegevens, de zogenaamde zorginfrastructuur, afgewezen. Het hof had geoordeeld dat die uitwisseling thans aanvaardbaar is. De Hoge Raad laat dat oordeel in stand.

 

De zorginfrastructuur

De zorginfrastructuur geeft waarnemend huisartsen toegang tot een huisartsenwaarneemdossier (HWD) van een aangesloten huisarts. In het HWD staan persoonlijke gegevens van de betrokken patiënt, een overzicht van de door de apotheek verstrekte medicijnen, en een uit het dossier van de huisarts gegenereerde professionele samenvatting (waaronder gegevens over medicatie, intoleranties, contra-indicaties en allergieën). Verantwoordelijke partij voor de zorginfrastructuur is de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ). De zorginfrastructuur is een doorstart van het landelijk elektronisch patiëntendossier (EPD) voor zorgaanbieders. Het wetsvoorstel voor het EPD heeft de Eerste Kamer in 2011 verworpen.

 

Bezwaren: uitwisseling gaat te ver

De Vereniging van Praktijkhoudende Huisartsen (VPH), enkele huisartsen en een patiënt stelden zich op het standpunt dat de zorginfrastructuur onrechtmatig is. De wijze van uitwisseling van medische gegevens zou onverenigbaar zijn met het recht op privacy van patiënten, de bepalingen van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en het medisch beroepsgeheim van huisartsen, vanwege strijd met het uitgangspunt dat de hulpverlener slechts medische informatie deelt met anderen voor zover dat noodzakelijk is in het kader van goede zorgverlening.

 

Hof: zorginfrastructuur vooralsnog aanvaardbaar

In navolging van de rechtbank stelde ook het hof VPH c.s. in het ongelijk. Het hof oordeelde dat de inrichting van de zorginfrastructuur thans aanvaardbaar omdat zij berust op in vrijheid gegeven, voldoende specifieke, toestemming van de betrokken patiënten. Het hof heeft daarbij echter onderkend dat de zorginfrastructuur ook kan worden ingericht op een wijze waarbij meer onderscheid tussen (soorten) gegevens en (categorieën) zorgaanbieders kan worden gemaakt, en waarbij in het bijzonder gegevensuitwisseling op basis van toestemming bij voorbaat desgewenst kan worden beperkt tot spoedeisende gevallen. In het oordeel van het hof ligt besloten dat deze inrichting meer en beter in overeenstemming is met de beginselen die aan de Privacyrichtlijn en de Wbp ten grondslag liggen, maar ten tijde van het wijzen van de uitspraak door het hof nog niet van VZVZ kon worden geëist. Van VZVZ mag volgens het hof wel worden verwacht dat zij, zodra dit voor haar technisch mogelijk en uitvoerbaar is, het systeem aanpast door daarin meer keuzevrijheid te bieden.

 

Hoge Raad: oordeel hof niet onbegrijpelijk

De Hoge Raad oordeelt dat de overwegingen van het hof niet onbegrijpelijk zijn. Daarbij merkt de Hoge Raad nog op dat gelet op de ambities van VZVZ met het systeem en de veranderingen in de regelgeving, waarbij ‘privacy by design’ en ‘privacy by default’ uitdrukkelijk tot uitgangspunt zijn genomen (art. 25 leden 1 en 2 Algemene verordening gegevensbescherming; van toepassing per 25 mei 2018), eens te meer in de rede ligt wat het hof van VZVZ verwacht.

 

Klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:3053). 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Per 1 januari 2018 moeten bepaalde zorginstellingen een FG hebben

03-12-2017

Op 28 november 2017 is het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders (verder: het Besluit) gepubliceerd in de Staatscourant. Het Besluit verplicht bepaalde zorgaanbieders met ingang van 1 januari 2018 om een Functionaris voor de Gegevensbescherming (FG) aan te stellen. De Nederlandse wetgever loopt hiermee vooruit op de komst van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

 

Voor wie geldt de verplichting een FG aan te stellen?

De verplichting om een FG aan te stellen rust ingevolge artikel 2 lid 1 van het Besluit op de verantwoordelijke voor een elektronisch uitwisselingssysteem. Een elektronisch uitwisselingssysteem is een systeem waarmee zorgaanbieders op elektronische wijze, dossiers, gedeelten van dossiers of gegevens uit dossiers voor andere zorgaanbieders raadpleegbaar kunnen maken, waaronder niet begrepen een systeem binnen een zorgaanbieder, voor het bijhouden van een elektronisch dossier. Het gaat hier dus niet alleen om zorgaanbieders, maar ook om derden die dergelijke elektronische uitwisselingssystemen faciliteren.

 

Daarnaast rust deze verplichting op een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg die op grote schaal gegevens verwerkt. Een instelling’ in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg is (a) een rechtspersoon die bedrijfsmatig zorg verleent, of (b) een organisatorisch verband van natuurlijke personen die bedrijfsmatig zorg verlenen of doen verlenen of (c) een natuurlijke persoon die bedrijfsmatig zorg doet verlenen.

 

Op grote schaal?

In de toelichting bij het Besluit wordt voor een uitleg wat moet worden verstaan onder “op grote schaal” verwezen naar de AVG. In de AVG wordt “grootschalige gegevensverwerking” genoemd als criterium voor het aanstellen van een FG. De artikel 29 werkgroep (het advies -en overlegorgaan van Europese privacytoezichthouders) heeft in haar richtlijn van 13 december 2016 als voorbeeld voor grootschalige gegevensverwerking een ziekenhuis genoemd. En als voorbeeld voor niet-grootschalige gegevensverwerking, een individuele arts.

 

De reikwijdte van het Besluit is door de wetgever gelet op het voorgaande beperkt tot instellingen in de zin van de Wkkgz. Solistisch werkende zorgverleners vallen niet onder deze definitie. In beginsel geldt voor alle overige zorgaanbieders dus dat zij te maken krijgen met de vervroegde verplichtstelling van de FG per 1 januari 2018 als sprake is van een "grootschalige verwerking van persoonsgegevens".

 

Klik hier voor het Besluit.

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 858

Arts in privé tuchtrechtelijk fout?

01-12-2017

Is een arts tuchtrechtelijk aan te spreken op onbetamelijk privégedrag?

 

A en een huisarts, beiden lid van dezelfde fietsclub, gaan samen op fietsvakantie.

Tijdens de vakantie ontstaat er ruzie.

De huisarts schrijft het bestuur van de fietsclub een boze brief. Het bestuur zegt daarop het lidmaatschap van A op. A schrijft een boze brief aan de huisarts, waarop de huisarts zijn lidmaatschap opzegt.

 

A beklaagt zich bij het tuchtcollege en stelt dat de huisarts vertrouwelijke (medische) informatie met het bestuur van de fietsclub heeft gedeeld. Ook zou de huisarts hem opzettelijk kapot hebben gemaakt door de brief met belastende informatie aan het bestuur te sturen.

 

Het tuchtcollege overweegt dat ook als er geen sprake is van handelen in de hoedanigheid van arts en het handelen in de privésfeer heeft plaatsvonden, er bij het tuchtcollege kan worden geklaagd. Dit is het geval als het aan de arts verweten handelen de waarde van het beroep in de kern raakt en niet los kan worden gezien van de hoedanigheid van arts, ook al vond dat niet in de uitoefening van die hoedanigheid plaats. Immers, aldus het tuchtcollege, een dergelijk handelen zou het vertrouwen dat de samenleving in een arts stelt wezenlijk kunnen aantasten.

 

Hier was geen sprake van een behandelrelatie tussen A en de huisarts. De huisarts heeft geen vertrouwelijke gegevens openbaar gemaakt. Tenslotte heeft de huisarts ook geen belastende brief over A geschreven.

Het tuchtcollege verklaart A in zijn klacht niet ontvankelijk en kom aan een inhoudelijke beoordeling (dus) niet toe.

 

De les die uit deze uitspraak volgt is, dat een arts tuchtrechtelijk kan worden aangesproken op handelingen die in de privésfeer hebben plaatsvonden. Hiervan is sprake als de arts met zijn privégedragingen het vertrouwen dat de samenleving in een arts stelt wezenlijk aantast. Een arts mag zich privé dus wel veel, maar niet alles veroorloven. Noblesse oblige!

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Valkuil voor medisch adviseurs?

29-11-2017

Hoe moet een medisch adviseur omgaan met een verzoek om claimbeoordeling?

 

Een verzekeringsarts wordt als externe medisch adviseur gevraagd om een belangenbehartiger, die namens een claimant optreedt, te adviseren.

Het verzoek aan de medisch adviseur is om te bezien of een claim tegen de politie vanwege een politie-incident mogelijk is en of daarbij medisch gezien problemen zouden kunnen ontstaan.

 

De medisch adviseur stelt in zijn advies dat een oorzakelijk verband tussen de psychiatrische problematiek van de claimant en het politie-incident niet valt vast te stellen. De posttraumatische stressstoornis (PTTS) waaraan de claimant lijdt is weliswaar geluxeerd door het politie-incident, maar vindt haar oorsprong in traumatische ervaringen in een ver verleden. Het was volgens de medisch adviseur zeker te verwachten dat de claimant de pathologie op enig moment ook zou hebben ontwikkeld zonder het politie-incident.

De claimant beklaagt zich bij het tuchtcollege.

 

Het tuchtcollege overweegt dat de stelligheid waarmee de medisch adviseur in zijn advies schrijft dat het bewuste politie-incident geen oorzakelijk verband heeft met de latere (psychische) klachten niet medisch is onderbouwd. Evenmin is onderbouwd de stellige uitspraak van de medisch adviseur dat het zeker te verwachten was dat klager de pathologie – voor zover die niet reeds (deels) aanwezig was – ook op enig ander moment zou hebben ontwikkeld zonder politie-incident. Bij de uitvoering van zijn taak heeft de medisch adviseur onzorgvuldig gehandeld, aldus het tuchtcollege. Het advies voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.

De klacht is gegrond en de medisch adviseur krijgt de maatregel van een waarschuwing opgelegd.

 

De les die uit deze beslissing volgt is, dat adviezen van medisch adviseurs door de tuchtrechter kunnen worden beoordeeld. Beoordeeld wordt of het advies uit oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van het rapport wordt beoordeeld of de medisch adviseur in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Een advies kan dus worden getoetst op al te stellige en niet (medisch) onderbouwde uitspraken. Het doen van zekere uitspraken in adviezen door medisch adviseurs kan een valkuil vormen en vormt dus een punt van (extra) aandacht.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Vanaf 1 januari 2018: verbod gunstbetoon bij medische hulpmiddelen

28-11-2017

Op 1 januari 2018 treedt het verbod op gunstbetoon rondom medische hulpmiddelen in werking. In deze bijdrage een toelichting op deze nieuwe regeling.

 

Bestaande en nieuwe regels

In 2012 was door koepels van fabrikanten en leveranciers van medische hulpmiddelen, als vorm van zelfregulering, de Gedragscode Medische Hulpmiddelen, in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2014 zijn daaraan ook artsen en zorginstellingen gebonden. De gedragscode werd niet langer voldoende bevonden, omdat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) geen wettelijke bevoegdheid heeft om op te treden. Met de nieuwe regeling wordt die bevoegdheid gecreëerd. Daarbij is een parallel getrokken met de regels die voor dit onderwerp zijn opgenomen in de Geneesmiddelenwet.

 

De nieuwe wettelijke regeling wordt gevormd door het (nieuwe) artikel 10h van de Wet op de medische hulpmiddelen (publicatie Staatsblad: 17 mei 2017). De regeling is verder uitgewerkt in de ‘Beleidsregels Gunstbetoon Wet op de Medische Hulpmiddelen’ (publicatie Staatscourant: 31 augustus 2017). De wettelijke regeling en bijbehorende beleidsregels treden op 1 januari 2018 in werking.

 

Wat is gunstbetoon bij medische hulpmiddelen?

De wettelijke definitie van gunstbetoon bij medische hulpmiddelen luidt als volgt:

het aanvaarden, of het doen van een aanbod daartoe, door een natuurlijke persoon die betrokken is bij de toepassing van een medisch hulpmiddel of door een instelling of zorgverzekeraar, van geld of op geld waardeerbare diensten of goederen die door een leverancier in het vooruitzicht worden gesteld, worden aangeboden of worden toegekend, met het kennelijke doel de verkoop van een medisch hulpmiddel te bevorderen’.

 

De regels voor gunstbetoon zijn wederkerig: wat voor de leverancier verboden is aan te bieden, is voor de zorgprofessional verboden te accepteren.  

 

Waarom een verbod?

In de medische hulpmiddelensector zijn dezelfde vormen van marketing voor medische hulpmiddelen zichtbaar als in de farmaceutische sector bekend zijn. Ook in de medische hulpmiddelensector kan deze marketing doorslaan naar oneigenlijke beïnvloeding. De beslissing tot het toepassen van een medisch hulpmiddel moet zijn gebaseerd op gezondheidsbelangen. De kwaliteit van zo’n beslissing dient niet op onwenselijke wijze te worden beïnvloed door verkoopbevorderende activiteiten. Het voorgestelde wettelijke kader voor gunstbetoon bestaat in essentie uit een verbod op gunstbetoon.

 

Welke zorgprofessionals vallen onder de regeling?

De bepaling over gunstbetoon richt zich tot een ruimere groep personen dan alleen de persoon die zelf het medisch hulpmiddel toepast. Het gaat niet alleen om artsen, maar ook anderen die beroepsmatig invloed hebben op de keuze voor de toepassing van een bepaald medisch hulpmiddel. Dit kan bijvoorbeeld een verpleegkundige, of een niet-BIG-geregistreerde zijn. Ook inkopers bij zorginstellingen of zorgverzekeraars vallen hieronder. In algemene zin gaat het dus om zorgprofessionals die als doelgroep van gunstbetoon in de medische hulpmiddelensector kunnen worden aangemerkt.

 

Wat geldt er bij sponsoring?

Bij sponsoring door leveranciers hoeft niet altijd een kennelijk verkoopbevorderend doel aanwezig te worden geacht. Sponsoring refereert aan een in beginsel grote groep van financiële bijdragen die, rechtstreeks of via tussen(rechts)personen, worden verstrekt door leveranciers van medische hulpmiddelen. Het kan daarbij onder meer gaan om financiële bijdragen ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of van leerstoelen of studiebeurzen. In de beleidsregels zijn zes cumulatieve voorwaarden omschreven. Als aan elk van die voorwaarden wordt voldaan, bestaat het vermoeden dat deze vormen van sponsoring geen kennelijk verkoopbevorderend doel hebben en dus buiten de reikwijdte van het wettelijk verbod op gunstbetoon vallen.

 

Deze voorwaarden zijn:

a. de sponsoring wordt uitsluitend verstrekt voor doeleinden die op generlei wijze gerelateerd zijn aan de aanschaf, het gebruik, het toepassen of aanbevelen van producten van de sponsor dan wel anderszins gekoppeld aan eerder, huidig of potentieel toekomstig gebruik van de producten of diensten van de sponsor;

b. de sponsoring is nuttig en noodzakelijk om bij te dragen aan het beoogde gezondheidsbelang;

c. de aard, het doel en de omvang van de sponsoring moeten vooraf schriftelijk worden vastgelegd, vooraf schriftelijk worden goedgekeurd door het bestuur van de instelling van de ontvanger en ook anderszins transparant zijn;

d. de sponsoring mag geen tegenprestatie van de ontvanger vereisen, met uitzondering van naamsvermelding;

e. de besluitvorming over de aanwending van de gesponsorde financiële bijdrage moet op onafhankelijke wijze en zonder beïnvloeding door de sponsor plaatsvinden;

f.  in het geval van sponsoring ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek moet het onderzoek voldoen aan de maatstaven van wetenschappelijke kwaliteit, objectiviteit en integriteit.

 

Wat zijn de wettelijke uitzonderingen op het verbod op gunstbetoon?

De uitzonderingen zien op vormen van contact tussen zorgverleners en leveranciers van medische hulpmiddelen die niet als oneigenlijk, en soms zelfs als wenselijk, kunnen worden beschouwd en daarom niet verboden zouden moeten worden.

 

De uitzonderingen op het verbod op gunstbetoon zijn:

a. een vergoeding van of het niet in rekening brengen van kosten voor deelname aan een bijeenkomst of manifestatie;

b. dienstverlening, mits deze redelijk is in verhouding tot het verstrekte of aangeboden geld of tot de op geld waardeerbare goederen of diensten, in een schriftelijke overeenkomst is vastgelegd en relevant is voor de leverancier of voor de beroepsuitoefening van de natuurlijke persoon die betrokken is bij de toepassing van een medisch hulpmiddel;

c. geld of op geld waardeerbare diensten of goederen, waartegenover geen prestatie staat van de natuurlijke persoon die betrokken is bij de toepassing van een medisch hulpmiddel, mits deze een geringe waarde hebben en relevant zijn voor de uitoefening van diens beroep;

d. kortingen en bonussen die betrekking hebben op de inkoop van medische hulpmiddelen.

 

In de Beleidsregels zijn de uitzonderingen verder uitgewerkt. Op hoofdlijnen geldt het volgende:

 

Ad a

Een vergoeding voor of het niet in rekening brengen van deelnamekosten is acceptabel, als:

  • de deelnamekosten strikt beperkt blijven tot het hoofddoel van de bijeenkomst of manifestatie;
  • de bijeenkomst of manifestatie plaatsvindt op een passende locatie;
  • de vergoeding beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is om aan de bijeenkomst of manifestatie deel te nemen. Daarvan is in ieder geval geen sprake bij vergoedingen van bijeenkomsten van meer dan € 500,– per keer en € 1.500,– per jaar of als de betrokken persoon minder dan 50% van de deelnamekosten aan de bijeenkomst zelf draagt. Voor manifestaties geldt een maximum van € 75,– per keer en € 375,– per jaar;
  • (voor bijeenkomsten:) transparantie bestaat over de banden tussen sprekers en leverancier of derde partijen.

 

Ad b

Bij dienstverlening kan het bijvoorbeeld gaan om het geven van lezingen, advisering of om het meewerken aan (hulpmiddelen)onderzoek. Uitgangspunt hoort te zijn dat de beloning voor dergelijke diensten in redelijke verhouding moet staan tot de geleverde tegenprestatie. Toetsing zal in essentie plaatsvinden aan de hand van de bestede tijd en een uur- of dagtarief. Rekening moet worden gehouden met de aard en de omvang van geleverde diensten en de positie en kwalificaties van de persoon betrokken bij de toepassing van het medisch hulpmiddel. De dienstverleningsovereenkomst moet vooraf in één document schriftelijk zijn vastgelegd. In ieder geval dienen te zijn vastgelegd: a. de inhoud, aard, duur en omvang van de dienst, b. het daarmee te bereiken resultaat en/of doel en c. de vergoeding voor de dienst en vergoeding van eventuele onkosten.

 

Ad c

Het geven en ontvangen van geschenken is toegestaan mits dit geschenk van geringe waarde is en relevant is voor de beroepsuitoefening. Het begrip geringe waarde is bepaald op € 50,– per keer met een maximum van € 150,– per jaar.

 

Ad d

Het gaat hierbij om korting en bonussen verstrekt aan personen die betrokken zijn bij de toepassing van een medisch hulpmiddel, aan een instelling of aan een zorgverzekeraar. Het geven en aannemen van bonussen en kortingen is toegestaan, mits:

  • sprake is van kortingen in geld of in natura voor zover het branche-gerelateerde producten betreft;
  • de bonussen en kortingen in geld of in natura uitdrukkelijk schriftelijk tot uitdrukking worden gebracht; en
  • de bonussen en kortingen worden verrekend met de (rechts)personen die rechtstreeks partij zijn bij de handelstransactie dan wel rechtstreeks betrokken zijn bij de distributie of aflevering van de medische hulpmiddelen waarop de handelstransactie betrekking heeft.

 

Wat zijn de sancties bij overtreding van het verbod op gunstbetoon?

De IGZ houdt toezicht op de naleving van de Wet op de medische hulpmiddelen en is bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete van ten hoogste € 900.000,–. De precieze hoogte van de boete zal worden vastgesteld in de Beleidsregels bestuurlijke boete Minister VWS.

 

Daarnaast kwalificeert overtreding van het verbod op gunstbetoon als een strafbaar feit en kan overtreding worden gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een boete uit de derde categorie (vanaf 1 januari 2016: € 8.200,-) als in de daaraan voorafgaande vierentwintig maanden tweemaal een bestuurlijke boete ter zake van dezelfde gedraging is opgelegd. Sancties kunnen worden opgelegd aan zowel de leverancier van het medische hulpmiddel als aan de zorgprofessional of instelling die een onaanvaardbare vorm van gunstbetoon accepteert.

 

Disclaimer 

Dit artikel geeft algemene voorlichting en dient niet als (vervanging voor) advies. Het gebruik van de inhoud is voor eigen rekening en risico. Consulteer voor concreet advies een ter zake kundig advocaat/jurist. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Check: overdracht van patiëntendossiers

24-11-2017

Wat wordt er van een huisarts verwacht als een patiënt overstapt naar een andere huisarts?

 

Een huisarts heeft een lange en intensieve behandelrelatie met een patiënte. De patiënte besluit over te stappen naar een andere huisarts. Eind september vraagt de patiënte om overdracht van het medisch dossier naar de nieuwe huisarts. De opvolgend huisarts belt medio oktober naar de huisarts met het verzoek om het medisch dossier over te dragen. De huisarts draagt het dossier uiteindelijk medio november over. De patiënte beklaagt zich hierover bij het tuchtcollege.

 

Het Centraal Tuchtcollege verwijst naar het KNMG ‘Advies voor overdracht patiëntendossier bij verandering van huisarts, een actualisering’. De hoofdregel van dit advies is dat bij verandering van huisarts, de oude huisarts het dossier van de patiënt met diens toestemming zonder tussenkomst van de patiënt en bij voorkeur persoonlijk of via aangetekende post overdraagt aan de nieuwe huisarts.

Het Centraal Tuchtcollege acht het voorstelbaar dat de huisarts gelet op de lange en intensieve behandelrelatie enige tijd heeft genomen om te verifiëren of het de wens van de patiënte was dat hij haar (gehele) medisch dossier overdroeg, maar de termijn waarop dit heeft plaatsgevonden was te lang. Bij een patiënte die frequente zorg behoeft was het voor de nieuwe huisarts van groot belang over het medisch dossier te kunnen beschikken.

De klacht wordt gegrond verklaard en de huisarts krijgt de maatregel van een waarschuwing opgelegd.

 

De les die uit deze beslissing volgt is, dat wanneer een huisarts een verzoek van een patiënt krijgt om het medisch dossier aan een opvolgend huisarts over te dragen, daarop vlot en adequaat moet worden gereageerd. Het advies van de KNMG is om van de overdracht van het dossier een aantekening te maken met de naam van de opvolger en de datum van overdracht. Ook wordt geadviseerd om bij de overdracht ten behoeve van de nieuwe huisarts zo nodig een korte samenvatting van de relevante gegevens uit het medisch dossier te maken. Persoonlijke werkaantekeningen behoeven niet te worden overgedragen. Indien dat nodig is in het kader van zijn (juridisch) verweer mag de oude huisarts ook na overdracht van het medisch dossier aan de nieuwe huisarts, zonder toestemming van de patiënt de gegevens in dat dossier raadplegen.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

DBA in het regeerakkoord

24-11-2017

In het regeerakkoord is opgenomen dat de wet DBA zal worden vervangen door een systeem waarbij echte zelfstandigen zekerheid kunnen krijgen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en aan de andere kant schijnzelfstandigheid aan de onderkant van de markt wordt voorkomen.

 

De DBA: hoe zat het ook alweer?

Vroeger was het uitsluitend de rechter die achteraf aan de hand van de feiten beoordeelde of er sprake was van een opdracht- of arbeidsovereenkomst. Dat bood onvoldoende zekerheid vooraf, dus werd daar iets op bedacht: de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). De opdrachtnemer kon deze aanvragen bij de belastingdienst door een formulier in te vullen en met de VAR kon hij zijn opdrachtgevers de zekerheid bieden dat zij niet zouden worden aangeslagen voor achterstallige premies en inhoudingen. het probleem daarmee was dat het wel erg makkelijk was om personeel in te ruilen voor goedkopere zzp-ers: er werd misbruik gemaakt. Daartegen kwam de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA) op: de VAR werd afgeschaft en vervangen door een systeem van goedgekeurde modelovereenkomsten, die echter geen 100% zekerheid boden.

 

Vertrouwen in de toekomst

Er was veel kritiek op het DBA-systeem, met name uit de hoek van de 'echte zzp-ers'. Een echte zzp-er is een professional die zich vanwege zijn bijzondere kennis, ervaring en/of vaardigheden laat inhuren buiten de bescherming van het arbeidsrecht om, omdat hij daar geen behoefte aan heeft. Hij compenseert dat gemis door een hoger tarief te rekenen. Maar ook aan de onderkant van de markt waren bezwaren: kennelijk lieten werkgevers zich door de DBA niet weerhouden om hun werknemers op opdrachtovereenkomsten te zetten om op die manier de 'vervelende' kantjes van het arbeidsrecht buiten de deur te houden. Het regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst' beoogt die problemen op te lossen.

 

  • De zzp-er die tot 125% van het minimumloon verdient, krijgt automatisch een arbeidsovereenkomst. dat betekent: geen zzp-ers meer aan de onderkant van de markt.

 

  • Zzp-ers die meer dan 75 euro per uur rekenen krijgen een mogelijkheid om vrijgesteld te worden voor de loonbelasting en werknemersverzekeringen als zij (a) korter dan een jaar werkzaam zijn of (b) geen reguliere bedrijfsactiviteiten verrichten.

 

  • Voor zzp-ers boven het lage tarief wordt een 'opdrachtgeversverklaring' ingevoerd. Dit is, zoals hij nu beschreven is in het regeerakkoord, vrijwel hetzelfde als de vroegere VAR. De zzp-er kan deze aanvragen via een webmodule en als die naar waarheid is ingevuld, kan hij daarmee zijn opdrachtgevers de zekerheid bieden dat hij gevrijwaard is van loonbelasting premies werknemersverzekeringen.

Algemene voorwaarden: 15 praktijktips voor ondernemers

21-11-2017

Het gebruik van algemene voorwaarden is niet wettelijk verplicht. Wel biedt het voordelen. Risicobeperking, rechtszekerheid en -uiteraard- gemak zijn de voornaamste. Toch zijn algemene voorwaarden ook geregeld onderwerp van geschil. Rechtspraak over (het ontbreken van) toepassing, ‘onredelijke bezwarendheid’ of -bij zakelijke transacties- strijd tussen in- en verkoopvoorwaarden is er in overvloed. Enerzijds voordelen benutten en anderzijds de kans op (verlies van) geschillen beperken. Onderstaande leidraad kan daarbij helpen.

 

De volgende uitgangspunten kunnen bij het formuleren en toepassen van algemene voorwaarden worden gevolgd:

 

1. Verklaar algemene voorwaarden van toepassing in de tekst van de overeenkomst of offerte, niet op een factuur of in de algemene voorwaarden;

 

2. Overhandig of verstuur algemene voorwaarden vóór of uiterlijk bij sluiting van de overeenkomst, zodat een contractspartij er tijdig kennis van kan nemen; 

 

3. Laat een contractspartij verklaren dat hij de algemene voorwaarden heeft gelezen en met toepassing instemt, bijvoorbeeld door het vermelden van een bevestiging in de overeenkomst of -voor internettransacties- een af te vinken lees-/akkoordverklaring op uw website; 

 

4. Plaats algemene voorwaarden op uw website in een te downloaden bestandsformaat (zoals Pdf; dus geen hyperlink of platte tekst), zodat een contractspartij de versie die op dat moment voor een overeenkomst is gebruikt, zelf kan opslaan;

 

5. Deponeer algemene voorwaarden bij een kamer van koophandel of rechtbank en vermeld de vindplaats op uw website en in andere communicatie-uitingen; 

 

6. Maak zo nodig onderscheid in algemene voorwaarden voor zakelijke contractspartijen en consumenten, in verband met verschil in wet- en regelgeving; 

 

7. Houd rekening met eventuele verplicht gestelde algemene voorwaarden of voorschriften van een branche- of beroepsorganisatie; 

 

8. Kopieer niet klakkeloos algemene voorwaarden van een collega-ondernemer of vanuit een model. Algemene voorwaarden moeten passen bij de eigen bedrijfsvoering. Aan gebruik gaat maatwerk vooraf; 

 

9. Neem geen bedingen over kernprestaties in de algemene voorwaarden op. Algemene voorwaarden zijn standaardclausules voor herhaaldelijke toepassing op afzonderlijke overeenkomsten. Kernbedingen horen in de overeenkomst zelf thuis; 

 

10. Vermeld de mogelijkheid tot het wijzigen van algemene voorwaarden tijdens de looptijd van een overeenkomst in de algemene voorwaarden. Stuur herziene voorwaarden aan de afnemer toe. Bij nadelige wijzigingen kan een consument de nieuwe algemene voorwaarden in beginsel afwijzen of de overeenkomst ontbinden; 

 

11. Zorg voor vertaling van algemene voorwaarden bij het aanbieden van producten en/of diensten (via websites) over de grens, bij voorkeur in de taal van het betreffende land; 

 

12. Formuleer algemene voorwaarden niet te streng, onduidelijk en/of onbegrijpelijk, omdat:

  • onredelijk bezwarende clausules ongeldig kunnen worden verklaard; 
  • bij twijfel over de betekenis van een beding bij consumententransacties, de voor de consument gunstigste uitleg voorrang krijgt; 
  • bij misleiding sprake kan zijn van overtreding van de Wet oneerlijke handelspraktijken. In dat geval kan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) (boete)sancties opleggen; 

 

13. Neem -indien van toepassing- de volgende veelvuldig gebruikte onderwerpen in algemene voorwaarden op: wijzigingen/annuleringen van opdrachten en prijs, facturatie, betaling, levercondities, meerwerk, eigendomsvoorbehoud, geheimhouding, IE-rechten, privacy, duur en beëindiging, garantie, overmacht, beperking/uitsluiting van aansprakelijkheid, klachtenregeling, bevoegde rechter (alternatief: geschillencommissie of raad van arbitrage) bij geschillen en toepasselijk recht; 

 

14. Spreek met een zakelijke contractspartij met eigen inkoop- of verkoopvoorwaarden af welke voorwaarden op de overeenkomst worden toegepast (die van u of van hem), of verwerp zijn algemene voorwaarden uitdrukkelijk en verklaar de eigen voorwaarden van toepassing; 

 

15. Laat algemene voorwaarden opstellen en periodiek beoordelen door een ter zake kundig jurist, in verband met (eventuele wijzigingen in) toepasselijke wet- en regelgeving. Ook kan een jurist adviseren over de mogelijkheid van contractuele uitsluiting van wet- en regelgeving. 

 

Disclaimer 

Dit artikel geeft algemene voorlichting en dient niet als (vervanging voor) advies. Het gebruik van de inhoud is voor eigen rekening en risico. Consulteer voor concreet advies een ter zake kundig advocaat/jurist. 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Lopende DBC’s kunnen wèl worden verpand

20-11-2017

Op 17 november 2017 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een geschil dat was ontstaan naar aanleiding van het faillissement van een instelling voor tweedelijns GGZ-zorg. Het geschil had betrekking op de vraag of nog niet afgeronde DBC’s in de faillissementsboedel vallen of door middel van verpanding voorafgaand aan het faillissement door een pandhouder kunnen worden uitgewonnen.

 

Better Life B.V. hield zich bezig met tweedelijns GGZ-zorg, met name op het gebied van ADHD-behandelingen. Better Life had een contract gesloten met Fa-med, aan wie zij het declareren van de verleende zorg had uitbesteed. Tegenover de verplichting van Fa-med om de te declareren omzet aan Better Life voor te financieren, had zij een pandrecht bedongen op alle nog niet afgeronde DBC’s. Toen Better Life failliet ging stelde de curator zich echter op het standpunt dat onderhanden DBC’s niet vatbaar zijn voor verpanding, omdat zij volgens de declaratieregels pas mogen worden gedeclareerd nadat het hele behandeltraject is voltooid en de DBC is afgesloten. De opbrengst van deze DBC's zou daarom uiteindelijk in de boedel moeten vallen. Partijen hebben over deze kwestie uiteindelijk tot aan de hoge Raad geprocedeerd.

 

In eerste aanleg gaf de rechtbank Fa-med gelijk. De rechtbank overwoog dat het DBC-systeem weliswaar regelt wat, hoe en wanneer er gedeclareerd mag worden, maar dat dit niet afdoet aan het feit dat er wel al een vorderingsrecht ontstaat wanneer er een geneeskundige behandelingsovereenkomst is gesloten en ter uitvoering daarvan al enige werkzaamheden zijn verricht. Het feit dat de vorderingen dus nog niet gedeclareerd mogen worden, betekent niet dat zij ook nog niet kunnen zijn ontstaan.

 

Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en gaf de curator gelijk. Het hof overwoog dat de zorgdeclaraties voortkwamen uit een tussen Better Life en de zorgverzekeraars gesloten overeenkomst, waarin de voorwaarden waren geregeld waaronder Better Life aanspraak kon maken op betalingen van de zorgverzekeraars. In die overeenkomst was niet afgeweken van de regelgeving van de NZa met betrekking tot de wijze en het tijdstip van het in rekening brengen van DBC’s. Het hof was op basis hiervan van oordeel dat partijen de regelgeving van de NZa als het ware stilzwijgend tot onderdeel hadden gemaakt van hun contractuele afspraken. Better Life had op datum faillissement met betrekking tot de nog niet gesloten DBC’s niets van de zorgverzekeraars te vorderen, zodat er ook niets verpand had kunnen worden, aldus het Hof.

 

Fa-med stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft in die zaak nu uitspraak gedaan. De Hoge Raad heeft op zijn beurt het arrest van het Hof vernietigd. De Hoge Raad sluit zich in grote lijnen aan bij de overwegingen van de rechtbank. De Hoge Raad overweegt dat de overeenkomst tussen Better Life en de zorgverzekeraars geen ‘zorgovereenkomst’ was, waarbij de zorgverzekeraar in de plaats van de patiënt optreedt als debiteur van de declaratie. Er was slechts sprake van een ‘betaalovereenkomst’, op grond waarvan de patiënt formeel de debiteur blijft, ook al betaalt de zorgverzekeraar rechtstreeks aan de zorgaanbieder. In deze situatie dient dus gekeken te worden naar de afspraken die zijn gemaakt tussen zorgaanbieder en patiënt, in de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

 

De Hoge Raad concludeert dat de wetgever kennelijk bewust niet de mogelijkheid heeft uitgesloten dat, wanneer een behandeling nog niet is voltooid, tussentijds wel al een vordering op de patiënt kan ontstaan. Het is volgens de Hoge Raad dan ook redelijk dat, wanneer er al verrichtingen in het kader van de behandeling hebben plaatsgevonden die op zichzelf op geld waardeerbaar zijn, op dat moment al een vordering op de patiënt ontstaat. Die vordering is vervolgens ook vatbaar voor verpanding. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar een ander Hof voor verdere afdoening. Dit Hof zal moeten onderzoeken welke concrete verrichtingen in de geopende DBC’s al waren verricht, op de datum van het faillissement van Better life.

 

Deze uitspraak van de Hoge Raad betekent in elk geval dat de DBC-systematiek op zichzelf geen afbreuk doet aan de mogelijkheden voor zorginstellingen om externe financiering aan te trekken. Dat is terecht, aangezien de wetgever een dergelijk gevolg van het DBC-systeem nooit heeft beoogd. In het huidige zorgstelsel, waarin zorgaanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hun voortbestaan, is de beschikbaarheid van externe financiering (waarbij doorgaans zekerheden zoals verpanding worden bedongen) bovendien van groot belang.

 

Dit belang zou overigens evenzeer aan de orde zijn in de situatie dat er, anders dan in deze zaak het geval was, wel een zorgovereenkomst is gesloten tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar.

 

klik hier voor de uitspraak van de Hoge Raad.   

 

Mr. Jurriaan Verduijn

gj.verduijn@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 852

Systeem voor digitale uitwisseling van medische data in de maak

20-11-2017

Bijna zeven jaar na het afblazen van het landelijk EPD wordt op initiatief van het ministerie van VWS, zorgverleners, patiëntorganisaties en zorgverzekeraars gewerkt aan MedMij, een systeem voor digitale uitwisseling van medische data.

 

Huidige systemen

In 2011 verwierp de Eerste Kamer unaniem de voorgestelde wettelijke regeling van het Landelijk Elektronisch Patiëntendossier (EPD). De Eerste Kamer had grote zorgen over de veiligheid van het systeem. In het destijds voorgestelde systeem zou iedereen worden opgenomen in het EPD, tenzij daartegen individueel bezwaar werd gemaakt. Sindsdien hebben zo goed als alle ziekenhuizen een eigen ‘ziekenhuis-EPD’ ingevoerd of het bestaande EPD vernieuwd en gekoppeld aan andere digitale systemen. Dit ziekenhuis-EPD beslaat de hele medische geschiedenis van een patiënt, waardoor patiëntinformatie intern eenvoudiger en zorgvuldiger geregistreerd en uitgewisseld kan worden. Aan de losse ziekenhuis-EPD’s kleven beperkingen. Zo is in een ziekenhuis-EPD de informatie van de huisarts niet zichtbaar voor de patiënt.

 

Zorgverleners kunnen op regionaal niveau via het Landelijk Schakelpunt (LSP), gegevens opvragen bij andere zorgaanbieders zoals ziekenhuizen, huisartsen en apotheken. Patiënten moeten actief toestemming geven voor deze gegevensuitwisseling. Ook de gegevensuitwisseling via het LSP kent beperkingen: de informatie-uitwisseling via het LSP is beperkt tot regio’s, zo werd door de Volkskrant recentelijk aangekaart. Voor een patiënt uit Maastricht die in een ziekenhuis in Noord-Holland belandt, kunnen geen gegevens worden opgevraagd.

 

Nieuw systeem

Oud-minister Schippers (Volksgezondheid) schreef in 2014 al aan de Tweede Kamer dat het doel is dat ziekenhuizen op korte termijn een digitalisering maken om de zorg nog veiliger, patiëntgerichter en doelmatiger maken. Dit houdt in dat ziekenhuizen vóór 2020 op een gestandaardiseerde en veilige manier informatie digitaal kunnen uitwisselen met de patiënt.

 

Een dergelijke manier is het samenwerkingsverband MedMij. Het doel van MedMij is patiënten op een veilige en begrijpelijke manier hun gezondheidsgegevens in een persoonlijke gezondheidsomgeving (een website of een applicatie) te laten verzamelen, beheren en delen met zorgverleners. Anders dan bij het landelijk EPD was voorgesteld, bepaalt de patiënt zelf of en welke informatie met welke hulpverlener gedeeld mag worden. Het initiatief voor de gegevensuitwisseling met een persoonlijke gezondheidsomgeving ligt bij de patiënt.

 

Binnen MedMij werken partijen in de zorg samen om ervoor te zorgen dat er websites en applicaties beschikbaar komen die voldoen aan de ‘MedMij-standaarden’, die waarborgen dat informatie veilig uitgewisseld en gebruikt kan worden. Met MedMij worden ook ‘spelregels’ ontwikkeld om de (reeds bestaande) systemen beter op elkaar aan te sluiten. De uitgangspunten van MedMij zijn daarmee relevant voor de wijze waarop ziekenhuizen de gegevensuitwisseling tussen de patiënt en de zorgverlener nader vormgeven.

 

Mr. ChiChi de Haan

cim.dehaan@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 821

Collega van de week

20-11-2017

Kan een arts bij de tuchtrechter klagen over het handelen van een collega-arts?

 

Een chirurg voert samen met twee cardiologen een operatie uit. De chirurg stelt dat als gevolg van het handelen van de beide cardiologen tijdens die ingreep de patiëntveiligheid onnodig in gevaar is gebracht. De chirurg stelt hierover vragen aan de voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis, die ook arts is. De chirurg klaagt er bij de tuchtrechter vervolgens over dat de voorzitter RvB van het incident geen melding heeft gedaan bij de daartoe geëigende instanties, het incident niet heeft geëvalueerd en de patiënt en zijn familie niet van het incident op de hoogte heeft gesteld.

 

De vraag die in deze tuchtrechtelijke procedure speelt is, of de chirurg als klager in zijn klacht ontvankelijk is. Op grond van de wet BIG kan bij de tuchtrechter alleen worden geklaagd door een rechtstreeks belanghebbende. Er moet sprake zijn van een rechtstreeks bij een behandeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg betrokken belang.

Het tuchtcollege stelt vast dat de chirurg door de patiënt dan wel een nabestaande van de patiënt niet is gemachtigd om een tuchtrechtelijke procedure te voeren. Het enkele feit dat de chirurg persoonlijk bij de behandeling van de patiënt betrokken is geweest, is onvoldoende om hem als rechtstreeks belanghebbende aan te kunnen merken. De chirurg heeft dan ook geen concreet eigen belang om te klagen. De chirurg is niet in zijn professionele autonomie of in een ander aan de individuele gezondheidszorg gerelateerd belang geschaad.

 

Het tuchtcollege stelt fijntjes vast dat de maatschap de toelatingsovereenkomst met de chirurg had beëindigd. De chirurg was vervolgens een civiele schadevergoedingsprocedure tegen de maatschap gestart en had pas tijdens de loop van die procedure de klacht tegen de voorzitter van de RvB ingediend. Het tuchtcollege komt tot de conclusie dat de klacht tegen de voorzitter van de RvB niet anders kan worden uitgelegd dan als een (afgeleid) financieel belang gebaseerd op een arbeidsconflict. De chirurg is niet klachtgerechtigd en wordt om die reden in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.

 

De les die uit deze uitspraak voortvloeit is, dat klagen van een arts tegen een collega-arts door het tuchtcollege niet zomaar wordt toegelaten. Er dient aan een aantal concrete eisen te worden voldaan wil een arts bij een klacht tegen een collega-arts als rechtstreeks belanghebbende worden aangemerkt. Het niet-ontvankelijk verklaren van de klacht houdt in dat deze op formele gronden wordt afgewezen en dat de tuchtrechter aan een inhoudelijke beoordeling niet toekomt.

 

Mr. Oswald Nunes

ol.nunes@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 866

Geen non-concurrentiebeding, toch concurrentieverbod

16-11-2017

Bij de verkoop van een onderneming wordt veelal bedongen dat de verkopende partij zich na de overname van concurrerende activiteiten zal onthouden. In de overnameovereenkomst wordt dan een ‘non-concurrentiebeding’ opgenomen. Wat nu als wordt verzuimd een dergelijke clausule op te nemen? Staat het de verkoper dan vrij de overgedragen onderneming te beconcurreren?

 

Bedoeling van partijen

Ook bij het ontbreken van een non-concurrentiebeding kan bij de kopende partij de gerechtvaardigde verwachting zijn gewekt dat de verkopende partij in de toekomst geen concurrerende activiteiten zal ontplooien. Het uitblijven van concurrentie na de overname ligt dan als het ware in de overeenkomst besloten. Of dit het geval is, dient aan de hand van de bedoeling van partijen te worden beoordeeld.

 

Uit de praktijk

Het ontbreken van een non-concurrentiebeding was aan de orde in de zaak waarover het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich op 31 oktober 2017 uitsprak (ECLI:NL:GHSHE:2017:4744). In lijn met de uitspraak van de rechtbank oordeelt ook het hof dat de kopende partij mocht verwachten dat de verkoper hem niet zou gaan beconcurreren. Daarvoor waren de volgende (samenhangende) omstandigheden redengevend:

 

Overname gehele onderneming

De koper heeft de gehele onderneming terzake de verkoop, levering en plaatsing van afrasteringen overgenomen (dealerschappen, inventaris, machines, voorraden en goodwill). Voortaan zou de koper zich nog enkel bezig houden met de verkoop van afrasteringen.

 

Overdracht goodwill

Het feit dat de verkoper goodwill -de gekapitaliseerde waarde van de winstcapaciteit van een onderneming- heeft overgedragen aan de koper brengt niet zonder meer mee dat de koper mocht verwachten dat de verkoper zich zou onthouden van concurrerende activiteiten waarmee inbreuk wordt gemaakt op deze winstcapaciteit. Wel zag het hof deze omstandigheid in deze zaak als een belangrijke factor. In dit verband speelt mee dat de overnameovereenkomst door partijen gezamenlijk met hun boekhouders was opgesteld, zonder juridische bijstand. Dat in de overnameovereenkomst niet tevens met zoveel woorden een non-concurrentiebeding is opgenomen, is daarom van minder betekenis. Ook het ontbreken van een nauwkeurige berekening van de goodwillsom, doet niet af aan het feit dat de goodwill is overgedragen.

 

Taakverdeling na overdracht

Partijen zijn een provisieregeling overeengekomen. Verkoper zou zich voortaan (alleen) bezig houden met het verkopen van de afrasteringen, en wel op provisiebasis. Koper zou vervolgens de afrasteringen plaatsen. De gedachte was ook dat koper de exclusieve dealerschappen van verkoper zou overnemen zodat hij (in plaats van verkoper hoge kortingen kon geven. De opbrengsten uit de verkoop en plaatsing van afrasteringen zouden dus ten goede komen aan koper, terwijl verkoper een percentage van de verkoopsom zou krijgen als beloning voor de door verkoper verrichte verkoopactiviteiten. Gelet op deze taakverdeling was het niet nodig in de overnameovereenkomst te bepalen dat koper de klantenkring van koper overnam. Immers, doordat verkoper het verkopen zou gaan doen, zou zij de klanten naar koper brengen.

 

Overeenkomst werd al uitgevoerd

Partijen hebben aanvankelijk ook uitvoering gegeven aan de overnameovereenkomst als hiervoor inhoudelijk geschetst. Verkoper heeft verkopen gedaan voor koper, waarvoor koper haar provisie heeft betaald. Koper heeft een overzicht gegeven van de opdrachten die als gevolg van bemiddeling door verkoper tot zijn gekomen en de op die verkopen betrekking hebbende provisie betaald. Ook heeft verkoper koper geïntroduceerd bij dealers als haar opvolger.

 

Pas concurreren na ontstaan geschil over provisie

Eerst toen er een geschil over provisie ontstond, is verkoper koper gaan beconcurreren, met gebruikmaking van de dealerschappen en dus de hoge kortingen.

 

Conclusie

Het hoeft geen betoog dat het bij de overname van een onderneming verstandig is (expliciet) een non-concurrentiebeding in de overeenkomst op te nemen. Tegelijk toont deze zaak aan dat een kopende partij niet per definitie met lege handen staat, als een dergelijk beding onverhoopt niet in de overeenkomst is opgenomen. Een concurrentieverbod kan dan alsnog (impliciet) in de gemaakte afspraken besloten liggen.

 

Klik hier voor de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Patiënt presenteert tandarts de rekening

15-11-2017

Een patiënt spreekt zijn tandarts aan op zijn toezegging dat zijn zorgverzekeraar de aangeboden gebitsbehandeling volledig zou vergoeden. Dat blijkt echter niet zo te zijn. De behandeling is gestart, maar niet afgemaakt. De patiënt stelt zich op het standpunt dat zijn tandarts zijn zorgplicht heeft geschonden en vordert schadevergoeding.

 

Hoe oordeelde de Rechtbank Rotterdam over de claim van deze patiënt?

 

Norm zorgvuldig handelen

Een tandarts is verplicht ‘de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen’ (artikel 7:453 BW). Anders gezegd: hij moet de zorg leveren die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Deze zorgplicht moet ruim worden opgevat. Ook onderzoeken en het geven van raad worden daaronder begrepen.

 

Tandarts schiet tekort

De kantonrechter oordeelt dat de tandarts niet zorgvuldig heeft gehandeld. Redenen:

  • de tandarts is zich actief met de vergoeding van de kosten gaan bezighouden door de kostenbegroting aan de zorgverzekeraar voor te leggen;
  • in een e-mailbericht aan de tandarts bevestigde de patiënt dat de kosten volgens de tandarts volledig zouden worden vergoed. Op dit bericht heeft de tandarts niet gereageerd, hetgeen wel mocht worden verwacht;
  • de inhoud van een brief van de zorgverzekeraar over maximaal te vergoeden kosten en uitsluitingen van vergoeding heeft de tandarts niet aan de patiënt medegedeeld;
  • de tandarts wist dat de patiënt niet aan de tandheelkundige behandeling kon beginnen als zijn zorgverzekeraar deze niet volledig zou vergoeden.

 

Schadevergoeding: 50/50

De kantonrechter oordeelt dat de tandarts de helft van de schade van de patiënt (behandel-/herstelkosten andere tandarts) dient te vergoeden. De schade komt niet volledig voor rekening van de tandarts. De mededelingen (of het uitblijven daarvan) van de tandarts over de vergoeding van de behandeling door de zorgverzekeraar, ontslaan de patiënt/verzekerde namelijk niet van de verplichting om daar ook zelf onderzoek naar te doen. Het is een feit van algemene bekendheid dat zorgverzekeringspakketten nogal verschillen in de mate waarin zij kosten vergoeden. Het is uiteindelijk de zorgverzekeraar die kosten al dan niet vergoed. De tandarts gaat daar niet over, aldus de kantonrechter.

 

Conclusie

Het is op zich niet de taak van een hulpverlener om zich bezig te houden met de vraag of een bepaalde behandeling door een zorgverzekeraar wordt vergoed. Als hij zich er dan wél mee bemoeit, moet hij dit wel goed doen en de patiënt daarover gedegen informeren.

 

Klik hier voor de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (uitspraak 14 juli 2017; publicatiedatum: 20 oktober 2017; ECLI:NL:RBROT:2017:6459). 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Cessieverbod zorgverzekeraar toelaatbaar?

14-11-2017

Sinds 1 januari 2015 hanteert Zilveren Kruis in haar polisvoorwaarden voor zorgverzekeringen een cessieverbod. Met dit verbod wordt beoogd dat verzekerden/patiënten hun vorderingsrecht op Zilveren Kruis niet aan de behandelend zorgaanbieder kunnen overdragen. Een zorgaanbieder die apotheken in Nederland exploiteert en farmaceutische zorg verleent, is tegen dit verbod in kort geding opgekomen. In de tweede plaats wilde deze zorgaanbieder (in ieder geval) een betaalovereenkomst met Zilveren Kruis afdwingen, zoals ook tot 1 januari 2014 het geval was.


Is een cessieverbod in polisvoorwaarden tegenover een niet-gecontracteerde zorgaanbieder onrechtmatig? Kan een zorgverzekeraar worden verplicht een betaalovereenkomst met een niet-gecontracteerde zorgaanbieder te sluiten? Deze vragen stonden in dit kort geding centraal.

 

Betalingswijzen niet-gecontracteerde zorg

Bij een niet-gecontracteerde zorgverlener kan de betaling van de verleende zorg op drie manieren plaatsvinden:

  • via declaratie aan en betaling door de verzekerde;
  • via de zorgaanbieder door middel van cessie, waarbij de verzekerde zijn vorderingsrecht aan de zorgaanbieder overdraagt;
  • rechtstreeks aan de zorgaanbieder omdat er een betaalovereenkomst met de zorgaanbieder is gesloten.

 

De zorgaanbieder trachtte in kort geding dus primair optie 2 (cessie) en subsidiair optie 3 (betaalovereenkomst) af te dwingen, zodat zorgfacturen rechtstreeks aan haar zouden worden uitbetaald.

 

Cessieverbod toegestaan, tenzij…

Algemeen uitgangspunt bij het sluiten van contracten is dat aan partijen contractsvrijheid toekomt. Ook bij de inkoop van zorg zijn zorgverzekeraars in beginsel vrij om te bepalen met welke zorgaanbieders zij een contract willen sluiten en welke zorg zij willen inkopen en tegen welke voorwaarden, behoudens voor zover beperkingen gelden op grond van publiekrechtelijke regelgeving en het algemene verbintenissenrecht.

 

Het cessieverbod is een beding in een contractuele relatie tussen Zilveren Kruis en haar verzekerden. Voorop staat dat de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht in een tussen schuldeiser (verzekerde) en schuldenaar (zorgverzekeraar) overeengekomen beding kan worden uitgesloten. Het staat Zilveren Kruis in beginsel dan ook vrij om een dergelijk beding in haar algemene voorwaarden op te nemen.

 

De belangen van een zorgaanbieder zijn met de contractuele verhouding tussen de zorgverzekeraar en zijn verzekerden zodanig verbonden dat het de zorgverzekeraar niet zonder meer vrij staat de belangen die de zorgaanbieder daarbij kan hebben te verwaarlozen. Om te kunnen beoordelen of het hanteren van een cessieverbod in haar algemene voorwaarden tegenover de zorgaanbieder onrechtmatig is, dienen de belangen van de zorgverzekeraar bij het cessieverbod te worden afgewogen met de door dat verbod getroffen belangen van de zorgaanbieder, aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

 

Af te wegen belangen

Zilveren Kruis voerde aan het cessieverbod te hanteren als instrument in de uitoefening van haar controletaak met wie zij geen contract sluit om fraude in de zorg tegen te gaan. Met de verzekerde als tussenschakel zou Zilveren Kruis een extra controlepost op de rechtmatigheid van declaraties hebben.

 

De zorgaanbieder stelde daar tegenover dat rechtstreekse betaling bewerkstelligt dat de vergoeding voor zorg ook voor de betaling van zorg wordt aangewend en bij de zorgverlener terecht komt, zonder dat daarvoor noemenswaardige kosten behoeven te worden gemaakt of inspanningen te worden gemaakt. Daarbij speelde volgens de zorgaanbieder ook een rol dat zij hoofdzakelijk zorg verleent aan kwetsbare patiënten die niet in staat zijn de afhandeling van declaraties zelf ter hand te nemen en dat de uitbetaalde bedragen vaak niet aan betaling van de zorgdeclaraties worden besteed, waardoor schulden bij de zorgaanbieder ontstaan met verdere gevolgen voor de (psychische) gezondheid van de verzekerde.

 

Cessieverbod houdt stand

De voorzieningenrechter oordeelde dat het cessieverbod niet onrechtmatig is, in de kern omdat:

door het cessieverbod de geldstromen voor zorg die door niet-gecontracteerde zorgaanbieders wordt verleend, verlopen zoals in de Zorgverzekeringswet is voorzien, met de verzekerde als noodzakelijke tussenschakel. Het effect daarvan is dat de verzekerde zelf ook fungeert als controlemiddel op de rechtmatigheid van de declaratie voordat hij deze indient. De rechter vindt dit een rechtens te respecteren belang;

  • de zorgaanbieder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het cessieverbod daadwerkelijk tot voldoende zwaarwegende problemen in haar praktijk leidt, waardoor zorggelden uiteindelijk niet bij haar terecht komen;
  • het Zilveren Kruis vrijstaat te bepalen met welke niet-gecontracteerde zorgaanbieders zij een betaalovereenkomst sluit, ook al heeft dat in die gevallen het praktische effect dat het cessieverbod ongedaan wordt gemaakt. Dit wordt anders, indien het cessieverbod wordt gehanteerd om verzekerden te prikkelen over te stappen naar wel gecontracteerde zorgaanbieders. Dat was het geval in de zaak van Stichting GGZ Momentum tegen zorgverzekeraar Menzis, waarin Menzis het beogen van die prikkel erkende (Rechtbank Gelderland 28 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5489). In die zaak werd een beroep op het cessieverbod dan ook verboden.

 

Geen verplichte betaalovereenkomst

Ook het sluiten van een betaalovereenkomst wordt Zilveren Kruis niet opgelegd. Zilveren Kruis had aangevoerd dat zij niet gehouden is tot het aangaan van betaalovereenkomsten en dat zij hiertoe alleen overgaat wanneer er geen vraagtekens zijn bij de zorgaanbieder in kwestie. Zilveren Kruis had voldoende onderbouwd dat deze zorgaanbieder zich schuldig had gemaakt aan overtreding van de Geneesmiddelenwet en onzorgvuldig declaratiegedrag.

 

Op 18 juli 2017 oordeelde ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een andere zaak dat een zorgverzekeraar in beginsel geen verplichting heeft om een betaalovereenkomst aan een niet-gecontracteerde zorgaanbieder aan te bieden (ECLI:NL:GHARL:2017:6219).

 

Conclusie

In beginsel mogen zorgverzekeraars een cessieverbod in hun polisvoorwaarden opnemen en zijn zij niet gehouden tot het sluiten van een betaalovereenkomst. Dit kan anders zijn, indien de belangen van de zorgaanbieder boven die van de zorgverzekeraar prevaleren, bijvoorbeeld als aantoonbaar blijkt dat aan verzekerden uitbetaalde zorggelden (als gevolg van bijvoorbeeld psychische problematiek) niet bij de zorgaanbieder terecht komen en die situatie tot zwaarwegende problemen leidt of als het cessieverbod voor oneigenlijke doeleinden wordt misbruikt. Per geval zal dienen te worden beoordeeld of van een geoorloofde situatie sprake is. 

 

Klik hier voor de uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:5327). 

 

Mr. Erik Luijendijk

e.luijendijk@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 845

Aantal opdrachtgevers niet bepalend of ZZP-tandarts ondernemer is

13-11-2017

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 oktober jl. in hoger beroep geoordeeld dat een ZZP-tandarts die gedurende meerdere jaren achtereen werkzaam was voor slechts één opdrachtgever, die geen investeringen had gedaan in de onderneming en geen enkel noemenswaardig ondernemersrisico liep, niet kan worden beschouwd als ondernemer in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. Hoewel op basis van deze uitspraak in de media de indruk lijkt te ontstaan dat een ZZP-tandarts met één opdrachtgever geen ondernemer kan zijn, is het van belang in ogenschouw te nemen dat het oordeel van het Gerechtshof een stuk genuanceerder is.

 

Zo schetst het Gerechtshof duidelijk dat het aantal opdrachtgevers een factor is die van belang is, maar dat het toetsingskader ruimer is:

“Voor het zijn van ondernemer in de zin van de Wet IB 2001 is vereist dat belanghebbende (i) voldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van haar opdrachtgever(s), (ii) niet slechts incidenteel opdrachten aanvaardt maar streeft naar continuïteit van haar werkzaamheden door het verkrijgen van verschillende opdrachten en (iii) ondernemersrisico loopt (vgl. HR 20 december 2000, nr. 35941, ECLI:NL:HR:2000:AA9094 en HR 29 mei 2009, nr. 07/10538, ECLI:NL:HR:2009:BH0499). Deze vereisten dienen in onderlinge samenhang te worden bezien (vgl. HR 11 juli 2003, nr. 37619, ECLI:NL:HR:2003:AH9774)”

 

Het Gerechtshof concludeert dat de zelfstandigheid van de ZZP-tandarts gezien de lange duur van de opdrachtrelatie (de ZZP-tandarts was op 1-1-2007 gestart met zijn/haar onderneming en had uitsluitend voor dezelfde tandartspraktijk gewerkt) en gelet op het feit dat vakantie zoveel mogelijk na voorafgaand overleg met de praktijkhouders diende te opgenomen, discutabel. Ook constateert het Gerechtshof dat de ZZP-tandarts in dit geval geen aantoonbare ondernemersrisico’s liep. De ZZP-tandarts deed geen investeringen, was niet betrokken bij praktijkaangelegenheden, zoals personeelsbeleid en planning en liep geen aantoonbaar debiteurenrisico. Zo was in de overeenkomst van opdracht bijvoorbeeld niet opgenomen dat een percentage van de omzet werd ingehouden ter dekking van het debiteurenrisico en evenmin vond achteraf een verrekening plaats van onbetaalde facturen. De ZZP-tandarts ontving een vast percentage van het gedeclareerde bruto-honorarium minus techniekkosten en de oninbaarheid van de omzet kwam contractueel geheel voor rekening van de opdrachtgever. Alles overwegende bevestigt het gerechtshof het oordeel van de rechtbank dat de ZZP-tandarts over de jaren 2011, 2012 en 2013 geen ondernemer is in de zin van de Wet IB 2001 en derhalve over die jaren geen recht heeft op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

 

Of een ZZP-tandarts die langdurig werkt voor een opdrachtgever ondernemer is in de zin van de Wet IB of niet, moet van geval tot geval worden bekeken. De overeenkomst van opdracht die opdrachtgever en de ZZP-tandarts hebben gesloten, speelt bij de beoordeling een zeer belangrijke rol. In de huidige modelovereenkomsten voor praktijkmedewerking die via de website van de belastingdienst zijn te downloaden zitten de elementen zelfstandigheid en ondernemersrisico in veel ruimere mate ingebakken dan in de overeenkomst van opdracht die in deze zaak gold tussen opdrachtgever en de ZZP-tandarts. Zo blijkt o.a. uit de artikelen 1.1 t/m 1.5 en 3.1 van de modelovereenkomst praktijkmedewerking een duidelijke zelfstandigheid ten opzichte van de opdrachtgever. Ook is evident sprake van ondernemersrisico’s als beroepsaansprakelijkheid (artikel 8.1) en een debiteurenrisico (artikel 5). 

 

Voor de uitspraak het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, klik hier.

 

Mr. Niels van den Burg

n.vandenburg@kbsadvocaten.nl

Tel. (030) 21 22 858