Home Nieuwe regelgeving in de jeugdzorg voor transparante financiële bedrijfsvoering en het toezicht door de NZa

Nieuwe regelgeving in de jeugdzorg voor transparante financiële bedrijfsvoering en het toezicht door de NZa

Transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording

Daarnaast wordt de Jeugdwet aangepast op het gebied van verplichte openbare jaarverantwoording voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Tot 1 januari 2027 is dit geregeld in § 8.3 Jeugdwet, vanaf 1 januari 2027 in art. 4.5.2 Jeugdwet. Per 1 januari 2027 treedt ook de Regeling openbare jaarverantwoording Jeugdwet  in werking.

Op grond van § 8.3 Jeugdwet dienen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen al financiële verantwoording af te leggen. Met deze wijziging van de Jeugdwet worden de verplichtingen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen gelijkgetrokken met de eisen die in dit kader gelden voor zorgaanbieders op grond van de Wmg.

Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen dienen jaarlijks over het voorgaande kalenderjaar een jaarverantwoording op te stellen en openbaar te maken. Deze verplichting geldt niet voor solistisch werkende jeugdhulpverleners.

De achterliggende gedachte is dat de nieuwe regels omtrent de openbare jaarverantwoording leiden tot meer inzicht in de omzet en liquiditeit van jeugdaanbieders en gecertificeerde instellingen, zodat betrokkenen inzicht kunnen krijgen in de bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen.

Concreet dienen jeugdhulpaanbieders – behalve solistisch werkende jeugdhulpverleners – en gecertificeerde instellingen een openbare jaarverantwoording op te stellen, die bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Een financiële verantwoording;
  • Bij de financiële te voegen informatie; en
  • Andere informatie betreffende de bedrijfsvoering van de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling.  

In de Regeling openbare jaarverantwoording Jeugdwet worden regels gesteld omtrent onder meer de precieze inhoud van de openbare jaarverantwoording, het door een accountant uit te voeren onderzoek van de financiële verantwoording en de wijze en het tijdstip waarop de jaarverantwoording openbaar moet worden gemaakt. De wetgever heeft hierbij zoveel mogelijk aangesloten bij de Regeling openbare jaarverantwoording WMG .

Vergelijkbaar als bij de openbare jaarverantwoordelijk op grond van de Wmg, maakt de Regeling openbare jaarverantwoording Jeugdwet onderscheid in categorieën jeugdhulpaanbieder, namelijk: micro, klein, middelgroot en groot. Van belang is dat per categorie andere eisen zijn gesteld. Ook is per categorie vastgesteld welke informatie dient te worden bijgevoegd bij de financiële verantwoording.

Op jeugdhulpaanbieders die naast jeugdhulp ook zorg zoals bedoeld in de Wmg verlenen, is ook de Wmg en de Regeling openbare jaarverantwoording WMG van toepassing. Indien een dergelijke instelling voor een bepaald boekjaar al op grond van de Wmg verplicht is om een jaarverantwoording te openbaren, geldt dat zij alleen Wmg en de Regeling openbare jaarverantwoording WMG van toepassing is.

Indien intern toezicht verplicht is, dan dient er ook een verslag van de interne toezichthouder bij de verantwoording te worden toegevoegd.

Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen dienen hun jaarverantwoording over het boekjaar 2026 vóór 1 juni 2027 openbaar te maken.

Nieuwe taken NZa bij het toezicht op de Jeugdwet

Gebleken is dat er behoefte is aan meer inzicht in de beschikbaarheid van jeugdhulp, zodat gemeenten lokaal en in gezamenlijkheid beter kunnen sturen. In de Hervormingsagenda Jeugd is opgenomen dat de NZa de taak zal krijgen inzicht te geven in de ontwikkeling van de beschikbaarheid van jeugdzorg door het uitvoeren van stelselonderzoek. Met de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is de Jeugdwet hierop aangepast.

Aan de NZa zijn drie taken op het terrein van de Jeugdwet toebedeeld:

  • Stelselonderzoek: het verrichten van stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdhulp (art. 9a.1). Doel is om beter inzicht te verkrijgen in de beschikbaarheid van jeugdhulp.
  • Vroegsignalering: het waarschuwen van betrokken partijen in geval sprake is van een (dreigend) ontoereikend aanbod van regionaal en landelijk te organiseren jeugdhulpvormen en gecertificeerde instellingen (vroegsignalering; art. 9a.2) en het bevorderen dat het probleem na zo’n waarschuwing zo snel mogelijk wordt opgelost (acties n.a.v. vroegsignalering; art. 9a.3). De NZa heeft hierbij een adviserende rol als sprake is van een risico voor de beschikbaarheid van specialistische jeugdzorg of (reeds) sprake is van een tekort.
  • Toezicht op de transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording: de NZa zal toezicht houden op de naleving door de jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen van de nieuwe bepalingen over hun financiële bedrijfsvoering (art. 9a.4).

De wetgever heeft er bewust voor gekozen om deze taken te regelen in de Jeugdwet en niet in de Wmg. Omdat de taken van de NZa in de Wmg zijn geregeld, wordt een koppelingsartikel toegevoegd aan de Wmg (art. 16 onderdeel r Wmg) waarmee de in de Jeugdwet opgenomen taken voor de NZa ook te beschouwen zijn als Wmg-taken.

De rol van de NZa ten aanzien van jeugdhulp is beperkt tot het stelselonderzoek, vroegsignalering en het toezicht ten aanzien van een transparante financiële bedrijfsvoering en de verplichtingen omrent de openbare jaarverantwoording. De NZa heeft jegens gemeenten en Jeugdregio’s géén toezichthoudende taken en bevoegdheden. Voor gemeenten en Jeugdregio’s geldt immers primair de controlerende taak van de gemeenteraad ten opzichte van het college van burgemeester en wethouders.

Door de wetgever is expliciet toegelicht dat hiermee niet wordt beoogd om een breder toezicht (door de NZa) op jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen te introduceren (anders dan het toezicht op de openbare jaarverantwoording en transparante financiële bedrijfsvoering). Deze toezichtstaak ligt in eerste instantie bij gemeenten en Jeugdregio’s in het kader van hun contractuele relatie of subsidierelatie. Voor overkoepelende zaken die van groot belang zijn (zoals de kwaliteit) en zaken waarop gemeenten moeilijker toezicht kunnen houden is al sprake van extern toezicht, namelijk door de IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) en de IJenV (Inspectie Justitie en Veiligheid).

Vanaf wanneer gelden deze nieuwe taken voor de NZa?

De taken van de NZa ten aanzien van stelselonderzoek en de vroegsignalering zijn per 1 januari 2026 inwerking getreden. Dat is anders voor het toezicht op de transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording, dat geldt vanaf 1 januari 2027.

Bij de vroegsignaleringstaak van de NZa is een koppeling gemaakt met de regionale samenwerking door gemeenten. Omdat de bepalingen over de regionale samenwerking echter pas op 1 januari 2027 inwerkingtreden, is voor de vroegsignaleringstaak voorzien in overgangsrecht. In praktische zin maakt dit geen verschil, het overgangsrecht ziet op dezelfde jeugdhulpvormen die vanaf de inwerkingtreding van artikel 2.19 van de Jeugdwet verplicht (minimaal) regionaal moeten worden gecontracteerd (zie art. 10.3 Jeugdwet en art. 2.2.3a Besluit Jeugdwet). De doelgroep van de vroegsignaleringstaak is dus hetzelfde, zowel voor als na de inwerkingtreding van de artikelen 2.19 en 2.21 van de Jeugdwet.


Nieuwsbrief

Altijd up to date?

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Schrijf je in!

Scroll naar boven